Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA2721

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
Parketnummer 13-676274-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen moord op neef, die met ingeslagen schedel en gewikkeld in een vloerkleed is gevonden in het huis van medeverdachte. Medeverdachte en verdachte worden tot 15 jaar gevangenisstraf veroordeeld. DNA-bewijs. Geen confirmation bias.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/676274-11

Datum uitspraak: 11 juni 2013 (PROMIS)

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1959],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring "[locatie]" te [plaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21, 22, 23, 27 en 28 mei 2013.

1. Tenlastelegging

1.1.

Aan verdachte is - na wijziging op de zitting van 21 mei 2013 - ten laste gelegd dat hij zich, kort gezegd, heeft schuldig gemaakt aan

medeplegen van moord op [slachtoffer],

subsidiair ten laste gelegd als gekwalificeerde doodslag,

meer subsidiair ten laste gelegd als diefstal met geweld en/of afpersing, de dood ten gevolge hebbende.

1.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officieren van justitie zijn ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

op 12 maart 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachte raad [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg

- een scherp voorwerp gepakt en vervolgens

- voornoemde [slachtoffer] met kracht meermalen met een scherp voorwerp op het hoofd geslagen en

- over het hoofd van die [slachtoffer] een vuilniszak gedaan en die vuilniszak met een elektriciteitssnoer dichtgebonden en

- een elektriciteitssnoer strak om de hals van die [slachtoffer] aangebracht en getrokken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

4. Feiten en omstandigheden

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de volgende redengevende feiten en omstandigheden.i

Op de beveiligingsbeelden van [coffeshop], gevestigd [straat A] [huisnummer 1] [plaats], is te zien dat op 12 maart 2011 om 14.03.59 uur een Chrysler Voyager, de auto van slachtoffer [slachtoffer], inparkeert aan de even zijde van de [straat A]. Er stapt één persoon uit, die in de richting van de oneven zijde van de [straat A] beweegt.ii

Getuige [B] heeft verklaard dat zij [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) op 12 maart 2011 had zien lopen op de [straat A] te [plaats]. [medeverdachte] was gekleed in een lange zwarte rok. Zij zag dat [medeverdachte] aanbelde bij haar woning, maar er werd niet opengedaan. [medeverdachte] liep door. Verder zag zij dat er een man uit de woning van [medeverdachte] kwam en achter [medeverdachte] aan liep. De man tikte [medeverdachte] op de schouder en samen liepen zij terug naar de woning van [medeverdachte]. De man ging weer naar binnen.

Op de door de verbalisant bekeken camerabeelden van [coffeeshop], gevestigd [straat A] [huisnummer 1] te [plaats] is op Camera 1, 12/3/2011 te 14.20.23 uur te zien dat [B] in de richting van haar woning loopt. Daar loopt een persoon haar tegemoet, gekleed in een lange zwarte rok.iii

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard de man te zijn van wie getuige [B] zegt dat deze [medeverdachte] op straat op de schouder tikt.iv

Uit onderzoek naar de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer [telefoonnummer 1], waarvan het slachtoffer [slachtoffer] gebruik maakte, is gebleken dat dit nummer op 12 maart 2011 om 14.35.55 uur voor de laatste maal gebruikt wordt en dat dan met dit nummer een gesprek plaatsvindt met nummer [telefoonnummer 2], waarbij de mastlocatie [straat B] [huisnummer 3] te [plaats] wordt aangestraald, welke zich in de directe locatie van de [straat A] [huisnummer 2] bevindt.v

Getuige [C] heeft verklaard dat zij gebruik maakt van het telefoonnummer

[telefoonnummer 2] en dat zij op zaterdag na twaalf uur [slachtoffer] (de rechtbank begrijpt: slachtoffer [slachtoffer]) aan de telefoon kreeg die wilde praten over het koppelen van zijn en haar kinderen, dat tante [medeverdachte] de telefoon toen pakte en dat daarna de man weer aan de telefoon kwam.vi

Op 13 maart 2011 om omstreeks 6.30 uur is [medeverdachte] (hierna medeverdachte [medeverdachte]) aan de balie van het [politiebureau] te [plaats] verschenen. Verbalisanten zijn met haar naar haar woning aan de [straat A] [huisnummer 2] te [plaats] gereden. Verbalisant [E] ging de woonkamer binnen en zag dat er twee voeten uit een opgerold kleed staken. Hij sloeg het kleed open en zag een persoon op de buik liggen. Hij zag dat er een vuilniszak over het hoofd zat en dat er een verlengsnoer om de nek en vuilniszak zat. Er lag bloed en hij voelde geen hartslag. De pols voelde koud aan en was stijf.vii

Uit de berekening met behulp van de Henssge nomogram is gebleken dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] met 95% betrouwbaarheid op 12 maart 2011 tussen 11.54 uur en 17.30 uur ligt.viii

De patholoog heeft als volgt gerapporteerd over de overledene [slachtoffer]. Bij sectie waren er op het hoofd acht scherprandige klievingen met lapwonden reikend tot in het schedeldak. In de diepte was de verbrijzelde schedel goed zichtbaar. De letsels zijn alle bij leven opgelopen en passen bij heftig klievend en botsend geweld door één of meer scherprandige voorwerpen. Het overlijden is te verklaren als gevolg van de opgelopen hersenschade. Letseldatering past bij een interval van circa 30 minuten tot circa 1 uur vóór het intreden van de dood. Na gezamenlijk beschouwen van alle beschikbare onderzoeksresultaten is het aannemelijk dat er juist vóór het intreden van de dood sprake is geweest van samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals. Op grond van de sectiebevindingen is het niet uit te sluiten dat indien de vuilniszak bij leven strak om de hals was afgesloten dit de oorzaak kan vormen voor bij leven opgelopen halsletsels en zodoende door het optreden van verstikkingsverschijnselen aan het overlijden kan hebben bijgedragen.ix

Over het hoofdletsel rapporteert het NFI als volgt. Rechts op het achterhoofd bevindt zich een kruisvormige beschadiging die bestaat uit (minimaal) twee inkepingen met een lengte van circa 70 en 75 mm, die doorlopen tot in het schedeldak. Deze beschadigingen zijn ontstaan ten gevolge van geweldsinwerking met behulp van een scherprandig voorwerp. x

Volgens de klantenregistratie van stichting de Regenboog, is verdachte op 10 maart 2011 in Blaka Watra, de drugsopvang van stichting de Regenboog, geweest, op 15 maart 2011 in het Tabe Rienks huis en op 16 maart 2011 weer in Blaka Watra.xi

Getuige [G] heeft verklaard dat verdachte tussen 21 maart en 24 maart (de rechtbank begrijpt 2011) bij haar is geweest en dat hij heel veel geld in zijn portemonnee had. De kleren van verdachte had zij in een zak gestopt.xii

De politie heeft uit handen van getuige [G] een plastic zak met het opschrift "[opschrift]" gekregen.xiii Getuige [G] heeft verklaard dat alle kleren die verdachte bij haar had achtergelaten in de zak zaten die door de politie is meegenomen. Zij heeft een sticker met zijn bijnaam [opschrift] op de zak geplakt. Ze zegt samen met verdachte op de kabelkrant te hebben gelezen dat er iets was gebeurd in de woning van tante [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]). xiv

In de plastic zak wordt een rode baseballpet aangetroffen.xv Aan de buitenkant van de pet zijn bloedsporen aangetroffen. Na bemonstering is gebleken dat het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] matcht met het DNA-profiel dat verkregen is uit de bemonstering van het bloed, met een berekende frequentie van kleiner dan één op één miljard. Het afgeleide DNA-hoofdprofiel uit de bemonstering van de binnenzijde van de pet matcht met het DNA-profiel van verdachte, met een berekende frequentie van kleiner dan één op één miljard.xvi

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat de bemonsterde pet van hem is.xvii

De slippers van medeverdachte [medeverdachte] zijn onderzocht met gebruik van lumiscene.xviii Hierbij werd aan de onderzijde van de linker slipper een indicatie voor de mogelijke aanwezigheid van bloed aangetroffen. Deze slipper werd vervolgens bemonsterd en met behulp van de bloedindicatietest Tetrabase positief getest. De bemonstering werd veiliggesteld, inbeslaggenomen en omschreven als SIN AADT2723NL.xix

Van het DNA in de bemonstering AADT2723NL#01 van de slipper van medeverdachte [medeverdachte] is een (onvolledig) DNA-mengprofiel verkregen, waaruit een (onvolledig) DNA-hoofdprofiel is afgeleid van een man wiens celmateriaal relatief prominent in de bemonstering aanwezig is. Het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel, met een berekende frequentie van kleiner dan één op één miljard.xx

In een proces-verbaal betreffende de omschrijving van de plaats delict is - onder meer - het volgende opgenomen. Tussen het dubbelgeslagen tapijt zagen wij in buikligging een stoffelijk overschot liggen. Wij zagen op het dubbelgeslagen tapijt op de canvaszijde ter hoogte van de linkerelleboog van het stoffelijk overschot, een fragment van een schoenzoolafdruk gezet met bloed.xxi

Door een deskundige Schoen- en Bandensporen zijn foto's van het spoor, aangetroffen op de onderzijde van het tapijt, vergeleken met het profiel van de slippers van medeverdachte [medeverdachte] en de deskundige concludeert dat het met bloed bestempelde spoor is veroorzaakt met schoeisel voorzien van een soortgelijk profiel als de slippers, waarbij de linkerslipper als meest mogelijke veroorzaker kan worden aangemerkt.xxii

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat zij in het bloed heeft gelopen.xxiii

De broek van het slachtoffer is bemonsterd op diverse plekken en onderzocht op de aanwezigheid van DNA. Uit dit onderzoek is gebleken dat celmateriaal aan de binnenzijde van de rechtersteekzak, de binnenzijde van de linkersteekzak, ter hoogte van de rechterknie, ter hoogte van de linkerknie en rondom de onderzijde van de rechter- en linkerbroekspijp afkomstig kan zijn van medeverdachte [medeverdachte] en een of meer anderenxxiv. Tevens is celmateriaal aangetroffen ter hoogte van de rechterknie dat afkomstig kan zijn van verdachte. Het betreft zogenaamde matches zonder statistische onderbouwing.

De sokken van het slachtoffer zijn eveneens bemonsterd en onderzocht. Hieruit is gebleken dat celmateriaal op de wreefzijde en de hielzijde van de rechtersok en op de linkersok afkomstig kan zijn van verdachte en van medeverdachte [medeverdachte] en ander(en)xxv. Dit betreft eveneens matches zonder statistische onderbouwing.

Ter terechtzitting heeft deskundige [F] toegelicht dat wel sprake is van een match met verdachte en dat alle DNA-kenmerken in het profiel worden teruggevonden. Omdat bij een match geen piek wordt gemist zijn complicerende neveneffecten volgens [F] niet aan de orde, die het gemis van een piek kunnen verklaren. xxvi

Het NFI heeft naar aanleiding van onderzoek aan de kleding van het slachtoffer een interdisciplinair onderzoek verricht en de resultaten daarvan neergelegd in een rapport van 24 februari 2012xxvii. In het rapport worden de volgende conclusies getrokken.

1. Wanneer de bevindingen van het DNA-onderzoek aan alle bemonsteringen van de broek worden beschouwd kan het volgende worden gesteld. De bevindingen aan de bemonsteringen AADT2268NL#01, #02, #07, #08, #09 en #10 van de broek van het slachtoffer [slachtoffer] zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer [medeverdachte] de broek heeft aangeraakt (direct contact), dan wanneer het celmateriaal van [medeverdachte] via het omslaan van het kleed of via contact van de broek met het kleed op de broek terecht is gekomen (indirect contact).xxviii

2. De bevindingen van het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen AADT2257NL#01, #02, #03, #05 en #06 van de linker- en rechtersok van het slachtoffer [slachtoffer] zijn veel waarschijnlijker wanneer [medeverdachte] de sokken heeft aangeraakt (direct contact), dan wanneer het celmateriaal van [medeverdachte] via contact van de sokken met het kleed op de sokken terecht is gekomen (indirect contact).xxix

3. De bevindingen van het DNA-onderzoek aan de bemonsteringen AADT2257NL#01, #02 en #03 van de linker- en rechtersok van het slachtoffer [slachtoffer] zijn naar de mening van de deskundigen iets waarschijnlijker wanneer [verdachte] de sokken heeft aangeraakt (direct contact), dan wanneer het celmateriaal van [verdachte] via contact van de sokken met het kleed op de sokken terecht is gekomen (indirect contact).xxx

Om de achtergrondniveaus van celmateriaal van verdachte te bepalen heeft het NFI nader onderzoek verricht, waarbij delen van het kleed waarin het slachtoffer was gewikkeld en de kleding van het slachtoffer werden onderzochtxxxi. Van het DNA in de bemonsteringen zijn complexe DNA-mengprofielen verkregen die zijn vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. Op basis van deze vergelijkingen zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van verdachte in de bemonsteringen.xxxii Uitgaande van de aanname dat daadwerkelijk celmateriaal van verdachte op de sokken van het slachtoffer voorkomt, is de aanwezigheid van dat celmateriaal van verdachte in combinatie met het ontbreken van achtergrondniveaus van celmateriaal van verdachte zeer veel waarschijnlijker als verdachte het slachtoffer heeft versleept door deze ter hoogte van de enkels vast te pakken dan dat verdachte dat niet heeft gedaan.xxxiii

Op 26 maart 2011 heeft medeverdachte [medeverdachte] vanuit de P.I. te [plaats] naar de politie gebeld en telefonisch verklaard bij de moord in haar woning aanwezig te zijn geweest en dat de dader [verdachte] zou zijn. xxxiv

Getuige [D] heeft verklaard dat op 12 maart 2011 haar zus [medeverdachte] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) bij haar kwam en vertelde dat [verdachte] [slachtoffer] met een hamer op het hoofd geslagen had.xxxv

Verdachte verklaart bij zijn eerste verhoor dat hij in de woning iemand zag liggen onder het tapijt en dat hij de plastic zak en de verlengkabel wilde losmaken.xxxvi

5. Bewijsoverwegingen

5.1 Verklaringen van medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank constateert dat medeverdachte [medeverdachte] meermalen inconsistent heeft verklaard en dat al haar verklaringen op onderdelen aantoonbare onwaarheden bevatten. Met haar verklaringen dient dan ook behoedzaam te worden omgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank worden echter de onderdelen van haar verklaring betreffende de aanwezigheid van verdachte in de woning, alsmede de wijze waarop (delen van) het letsel van het slachtoffer is toegebracht, ondersteund door andere bewijsmiddelen in het dossier. Zo wordt de aanwezigheid van verdachte in de woning ondersteund door zijn eigen verklaring inhoudende dat hij degene was die getuige [B] op de schouder van medeverdachte [medeverdachte] heeft zien tikken en die toen terug de woning in ging, alsmede zijn verklaring dat hij 's avonds rond half zeven in de woning is geweest en toen een lichaam in het tapijt heeft gezien met een vuilniszak om het hoofd. Het door verdachte opgegeven alibi voor de periode tussen deze twee momenten, namelijk dat hij toen bij Blaka Watra geweest zou zijn, is vals gebleken, zoals blijkt uit de klantenregistratie van stichting de Regenboog.

Dat een deel van het letsel van het slachtoffer [slachtoffer] toegebracht zou zijn met een hamer wordt ondersteund door de hiervoor genoemde rapporten, inhoudende dat er meerdere scherprandige klievingen op het hoofd zijn aangetroffen en dat de beschadigingen op het hoofd zijn ontstaan ten gevolge van geweldsinwerking met behulp van een scherprandig voorwerp.

5.2 Betrokkenheid van verdachte

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als mededader betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer].

Uit de verklaring van getuige [B] in combinatie met de camerabeelden van [coffeeshop] blijkt dat verdachte omstreeks 14.20 uur in de woning was. Het slachtoffer leefde toen nog, want hij voerde ongeveer een kwartier later -samen met medeverdachte [medeverdachte]- nog een telefoongesprek met getuige [C].

Verdachte moet ook in de woning zijn geweest toen het slachtoffer de schedel werd ingeslagen, aangezien het bloed van het slachtoffer op zijn pet is aangetroffen. Verdachte heeft, hoewel hij daarover meermalen bevraagd is, geen enkele verklaring gegeven voor het sterk belastende bloedspoor op zijn pet. Hij heeft er kennelijk voor gekozen te volharden in zijn stelling dat hij zijn pet was kwijtgeraakt voordat het slachtoffer werd omgebracht, terwijl die stelling ongeloofwaardig is omdat die niet valt te rijmen met de verklaring van getuige [G]. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om de verklaringen van [G] van het bewijs uit te sluiten. [G] heeft met name in het tweede verhoor bij de rechter-commissaris in essentie en op hoofdlijnen haar eerdere verklaringen bevestigd en stellig over verdachte verklaard. Haar verklaringen worden gesteund door het feit dat zij daadwerkelijk in het bezit bleek te zijn van kleding met het DNA van verdachte.

Verdachte heeft ter terechtzitting nog volgehouden dat hij getuige [G] in het geheel niet kent, hetgeen ongeloofwaardig is nu zij gedetailleerd over verdachte verklaart en zelfs in het bezit bleek te zijn van de kleding en de pet van verdachte, die ze bewaarde in een zak met daarop de vermelding van de bijnaam van verdachte. Het door verdachte geschetste scenario dat de hem onbekende [G] zijn kleding heeft gestolen bij Blaka Watra is in dit licht dan ook evenmin geloofwaardig. Doordat verdachte geen enkele verklaring heeft gegeven voor het belastende bloedspoor, heeft geen onderzoek kunnen plaatsvinden naar een mogelijke alternatieve wijze waarop het bloedspoor op zijn pet is gekomen. Bij deze stand van zaken moet aan het bloedspoor de conclusie worden verbonden dat verdachte betrokken was bij het ombrengen van het slachtoffer.

Voorts volgt zijn betrokkenheid uit het feit dat verdachte het slachtoffer bij de enkels heeft vastgepakt om hem te slepen, zoals uit het DNA-bewijs blijkt. Aangenomen moet worden dat het slachtoffer toen al dood of in elk geval bewusteloos was. Zonder nadere uitleg is het immers niet goed denkbaar is dat verdachte een zware man als het slachtoffer die bij kennis is door de kamer sleept.

Verdachte heeft zich verder bediend van een vals alibi voor de middag waarin het slachtoffer werd gedood, want hij heeft verklaard dat bij Blaka Watra was maar daar heeft men hem niet gezien of geregistreerd. De rechtbank acht zijn verklaring dat hij niet in de woning aanwezig was ten tijde van het ten laste gelegde ook daarom niet geloofwaardig

Uit de verklaring van verdachte bij zijn eerste verhoor blijkt dat verdachte wist dat het slachtoffer een plastic zak over zijn hoofd had en een snoer om de hals. Deze wetenschap merkt de rechtbank als daderkennis aan.

De rechtbank wordt verder nog gesterkt in haar overtuiging van verdachtes betrokkenheid door de wisselende antwoorden die verdachte heeft gegeven op de vraag of hij het slachtoffer eerder heeft ontmoet. Verdachte houdt aanvankelijk vol dat hij het slachtoffer op de avond voor de moord heeft ontmoet en de hand heeft gedrukt. Het slachtoffer zou voetbal hebben gekeken in de woning van medeverdachte [medeverdachte]. Hier komt verdachte pas op terug als hij ter terechtzitting wordt geconfronteerd met feit dat het slachtoffer die avond in Almere was.

5.3 Medeplegen

Hoewel de verklaringen van verdachte en zijn medeverdachte niet eenduidig zijn en zij ieder voor zich stellig ontkennen het slachtoffer daadwerkelijk van het leven te hebben beroofd en de schuld daaraan bij een ander neerleggen, staat vast dat het slachtoffer tengevolge van veelsoortig letsel om het leven is gekomen en dat beide verdachten ten tijde van de levensberoving in de woning van verdachte aanwezig waren. Van beide verdachten zijn voorts DNA-sporen op het weerloze lichaam van het slachtoffer aangetroffen. Gezien de gedeeltelijk afgestroopte sokken en de gedeeltelijk opgestroopte broekspijpen is het stoffelijk overschot zeer waarschijnlijk versleept. Nu het lichaam is aangetroffen tussen een dubbelgeslagen tapijt, duidt dit op voorbereidingen voor transport van het lijk. De broekzakken van het slachtoffer waren binnenste buiten gekeerd, waaruit blijkt dat deze zakken zeer waarschijnlijk zijn doorzocht of leeggehaald.

Uit het hiervoor omschreven handelen van verdachte en medeverdachte en het tijdsverloop blijkt naar het oordeel van de rechtbank tevens dat verdachte en medeverdachte zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt om het slachtoffer van het leven te beroven, dat er sprake is geweest van medeplegen. Dit wordt ondersteund door de omstandigheid dat zowel verdachte als medeverdachte het overlijden van het slachtoffer hebben geprobeerd te verdoezelen. Dat het niet duidelijk is geworden wie uiteindelijk de fatale verwondingen heeft toegebracht, doet aan dit oordeel niets af.

5.4. DNA.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting gesteld dat het niet het celmateriaal van verdachte is dat is aangetroffen in de onderzochte sporen. Er is telkens sprake van een mengprofiel en de hoeveelheid materiaal is zeer klein. Zowel statistisch als verbaal kan geen uitspraak worden gedaan over het persoonsonderscheidend vermogen.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat uit een mengprofiel wel degelijk een betrouwbaar profiel kan worden afgeleid. Zoals de deskundige [F] ter terechtzitting heeft toegelicht, heeft in het onderhavige geval op basis van het afgeleide profiel een volledige match plaatsgevonden, hetgeen betekent dat de pieken in het afgeleide profiel op alle loci kunnen worden verklaard door het DNA-profiel van verdachte. Een statistische onderbouwing kan niet worden gegeven als niet bekend is hoeveel personen aan het mengprofiel hebben bijgedragen, maar dat doet aan het feit dat er een volledige match is niet af.

Dat de match heeft plaatsgevonden op basis van een relatief geringe hoeveelheid aangetroffen DNA doet daar evenmin aan af, te meer nu sprake is van vier verschillende matches, te weten driemaal op de sokken van het slachtoffer en eenmaal op diens broek, en het telkens een volledige match betreft.

Nu voorts vaststaat dat verdachte in de woning aanwezig was, moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat op bronniveau verdachte de donor van het met zijn profiel matchende celmateriaal was. De overige bekende aanwezigen kunnen de gevonden pieken niet verklaren en de rechtbank acht het uitgesloten dat zich naast verdachte nog een of meer andere personen in de woning hebben bevonden die - al dan niet in combinatie -

het afgeleide profiel kunnen verklaren. Dat zou wellicht anders zijn indien familieleden van verdachte in beeld waren, maar daarvan is in het geheel niet gebleken.

Het standpunt dat de bewijsmiddelen ruimte laten voor twijfel gelet op de door het NFI gehanteerde formuleringen en aannames zoals "afkomstig kan zijn" en "passen binnen dit mengprofiel", deelt de rechtbank niet. Dergelijke formuleringen brengen niet mee dat de rechtbank aan de DNA-match geen of een geringe bewijswaarde zou moeten toekennen. Het NFI doet nu eenmaal op het onderhavige vlak geen absolute uitspraken. De omstandigheid dat een DNA-profiel extreem zeldzaam is, betekent immers niet dat het uniek is, terwijl bovendien de mogelijkheid van bloedverwantschap of van een gemaakte (analyse)fout niet altijd volledig valt uit te sluiten. Enkel wanneer het DNA-profiel van een verdachte en dat van het spoor niet met elkaar matchen, is een absolute uitspraak wetenschappelijk verantwoord en dus wél mogelijk. Het in andere gevallen ontbreken van dergelijke absolute uitspraken door het NFI over de herkomst van een spoor, laat echter onverlet dat een onderlinge full match van volledige DNA-profielen een sterke indicatie is voor die herkomst. In het algemeen kan worden gezegd dat in de praktijk bij gelijke volledige DNA-profielen van een spoor en van een persoon, het zeer waarschijnlijk is dat het spoor afkomstig is van juist déze persoon.

Vervolgens heeft een evaluatie op activiteitenniveau plaatsgevonden. De rechtbank volgt de conclusie van het NFI op activiteitenniveau, dat de onderzoeksbevindingen zeer veel waarschijnlijker zijn als verdachte het slachtoffer heeft gesleept. Daarbij is van belang dat op diverse plaatsen op het kleed geen sporen van verdachte zijn aangetroffen, zodat het niet aannemelijk is dat het DNA van verdachte via het kleed op de sokken van het slachtoffer is gekomen. Dat het kleed op de verkeerde plekken zou zijn bemonsterd, zoals de raadsman heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Voor indirecte overdracht moet immers een relatief grote hoeveelheid celmateriaal van verdachte op het kleed hebben gelegen. Niet valt in de zien waarom dat dan niet op de rand van het kleed, die voor een groot deel is bemonsterd, kan worden aangetroffen. Verder is de mogelijkheid van indirecte overdracht moeilijk verenigbaar met het feit dat wel op de sokken maar niet op de onderkant van de broekspijpen van het slachtoffer DNA van verdachte is aangetroffen.

5.5 Overweging ten aanzien van de voorbedachten rade.

Voor bewezenverklaring van de voor moord vereiste voorbedachten rade is voldoende dat vaststaat dat de verdachte tijd heeft gehad om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op de aard en hoeveelheid van de toegebrachte letsels moet worden aangenomen dat de handelingen van de verdachte en zijn medeverdachte geruime tijd in beslag hebben genomen. De datering van het letsel aan het hoofd van het slachtoffer past bij een interval van circa 30 minuten tot circa een uur voor het intreden van de dood.

Zoals blijkt uit het hiervoor genoemde rapport van de patholoog, is het slachtoffer acht maal met een scherp voorwerp op het hoofd is geslagen. Vervolgens is er een vuilniszak strak over het hoofd gedaan en is er een elektriciteitssnoer om de hals gebonden, hetgeen verstikkingsverschijnselen heeft veroorzaakt die kunnen hebben bijgedragen aan het overlijden. Uit het rapport van de patholoog blijkt dat het aannemelijk is dat juist voor het intreden van de dood sprake is geweest van samendrukkend of omsnoerend geweld op de hals. Er is aldus sprake geweest van een serie opeenvolgende handelingen die een half uur tot een uur in beslag genomen moet hebben.

Gezien dit tijdsverloop en de opeenvolgende handelingen daarin zijn er momenten te onderscheiden waarop de verdachte had kunnen afzien van verder handelen dan wel had kunnen optreden om erger te voorkomen, bijvoorbeeld voordat er een snoer om de hals werd gebonden. Nu daarentegen aan het slachtoffer, terwijl hij nog in leven was, verder letsel is toegebracht staat voor de rechtbank vast dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade.

De rechtbank heeft noch uit het dossier noch uit hetgeen ter terechtzitting is verhandeld enige aanwijzing gekregen dat het handelen door de verdachte het gevolg is geweest van enige ogenblikkelijke gemoedsbeweging, hetgeen tegen het bewezen verklaren van voorbedachten rade zou pleiten. Dat daarvan sprake zou zijn is ook van de zijde van de verdediging niet aangevoerd.

De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van voorbedachten rade.

5.6 Overweging ten aanzien van beweerdelijke 'confirmation bias'.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat in deze strafzaak sprake is van 'confirmation bias', een term in de literatuur voor het vasthouden aan een overtuiging ondanks nieuw bewijs in een andere richting, waarvan verdachte slachtoffer zou zijn.

De rechtbank volgt de raadsman niet in dit standpunt en overweegt als volgt.

Het slachtoffer is op 12 maart 2011 door geweld om het leven gebracht. De verklaring van medeverdachte [medeverdachte] duidt op een rechtstreekse betrokkenheid van verdachte. Het is dan ook begrijpelijk dat het opsporingsonderzoek op intensieve wijze op verdachte gericht is geweest. De rechtbank heeft zich de vraag gesteld of in het onderzoek sprake is geweest van verkokering in het onderzoek in de richting van verdachte. De rechtbank acht daarvan echter geen sprake. De politie heeft, zo blijkt uit het dossier, ook andere mogelijkheden onderzocht, met name ook gericht op eventuele betrokkenheid van anderen. Zo heeft zij onderzoek ingesteld naar de mogelijke betrokkenheid van [persoon 1] en [persoon 2], maar dat heeft geen aanwijzing in die richting opgeleverd. Verwantschapsonderzoek heeft wel geleid tot een verdenking jegens [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], zij het dat het Openbaar Ministerie vrijspraak heeft gevorderd in hun zaken. Tegen verdachte echter zijn gedurende het onderzoek steeds meer bezwarende feiten en omstandigheden aan het licht gekomen. De rechtbank acht dan ook de uitgebreide opsporinghandelingen in de richting van verdachte niet eenzijdig of vooringenomen.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

De officieren van justitie hebben bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hen bewezen geachte primaire feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren, met aftrek van voorarrest, en dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen voor zover het de gevorderde materiële schade betreft met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het ernstigste delict dat het Wetboek van Strafrecht kent, te weten moord. Hij heeft samen met zijn mededader het slachtoffer op brute wijze van het leven beroofd. Uit het dossier blijkt dat aan het slachtoffer meerdere ernstige verwondingen zijn toegebracht en dat het enige tijd geduurd heeft voordat het slachtoffer is overleden. Verdachte heeft door deze daad tevens bijgedragen aan de ontwikkeling van gevoelens van angst en onveiligheid in de buurt en in de samenleving in het algemeen. Door de dood van het slachtoffer, de wijze waarop dat is gebeurd, en de omstandigheid dat daarvoor geen duidelijke reden of motief aanwijsbaar is geworden, heeft verdachte met zijn mededader de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan. Ter terechtzitting was duidelijk waarneembaar dat de nabestaanden, meer dan twee jaren na het overlijden van het slachtoffer, nog altijd zeer aangeslagen waren. Uit ter terechtzitting voorgedragen en aan het dossier toegevoegde slachtofferverklaringen blijkt temeer welk leed verdachte de nabestaanden heeft berokkend. In die verklaringen beschrijven de kinderen van het slachtoffer dat zij hun vader niet meer zullen zien en hun kinderen ook hun opa niet meer zullen zien, dan wel nooit zullen kennen, en uiten zij hun onbegrip. De wijze waarop verdachte op de laatste zittingsdag de nabestaanden bestempelde als op winst beluste huichelaars, was naar het oordeel van de rechtbank erg ongepast.

Over verdachte zijn meerdere rapporten met betrekking tot zijn persoon uitgebracht. In het rapport van het NIFP van 5 september 2012, locatie Pieter Baan Centrum, waar verdachte van 16 mei tot 4 juli 2012 heeft verbleven, wordt geconcludeerd dat verdachte een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft met narcistische, theatrale en borderline trekken en een intelligentie die zich bevindt in het gebied van zwakbegaafd tot normaalbegaafd. Doordat verdachte het ten laste gelegde ontkent, kunnen de deskundigen echter geen uitspraken doen over de toerekenbaarheid van verdachte. Dit aspect zal de rechtbank dan ook niet betrekken bij het bepalen van de strafmaat.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 26 april 2013 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte in het verleden meermalen is veroordeeld. Dit betrof echter telkens andersoortige delicten. Veroordelingen ter zake geweldsdelicten zijn zodanig gedateerd dat de rechtbank deze, anders dan de officieren van justitie, niet zal meewegen in de thans te bepalen strafmaat. De rechtbank is van oordeel dat, gelet daarop, aanleiding bestaat om bij de straftoemeting in matigende zin af te wijken van hetgeen door de officieren van justitie is gevorderd.

9. De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

De vordering tot vergoeding van immateriële schade

De benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben ieder een bedrag van € 4.500,00 terzake van immateriële schade gevorderd. Tevens is de wettelijke rente vanaf 13 maart 2011 gevorderd en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ter toelichting op de vordering tot vergoeding van immateriële schade is door de raadsman van de benadeelde partijen, mr. R.A. Korver, - kort samengevat - het volgende naar voren gebracht.

Het bedrag van € 4.500,- aan immateriële schade wordt uitdrukkelijk niet als affectieschade gevorderd, maar op grond van artikel 8 EVRM. Door het strafbare feit zijn fundamentele mensenrechten geschonden, te weten het recht op eerbiediging van het familie - en gezinsleven. De benadeelde partijen leunden zwaar op hun vader en zij lijden schade door de vanwege het strafbare feit afgedwongen afwezigheid van hun vader.

Op grond van artikel 13 EVRM moet in het nationale recht voor een partij een effectief rechtsmiddel bestaan om de fundamentele rechten uit het EVRM af te dwingen. Indien de vordering tot vergoeding van de immateriële schade wordt toegewezen, wordt aan de benadeelde partij een effectief rechtsmiddel geboden.

Dat de implementatietermijn van de Europese Richtlijn 2012/29/EU nog niet verstreken is, doet niet ter zake, nu de rechter - wetende dat dit wet zal worden - op de inhoud van die richtlijn al vooruit kan lopen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de immateriële schade heeft het Openbaar Ministerie zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van dat deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat dat deel van de vordering niet ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het oordeel van de rechtbank

Vooropgesteld wordt dat het de rechtbank is gebleken, mede door de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen, dat de benadeelde partijen door de moord op hun vader ernstig leed is toegebracht.

Krachtens artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.

De nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] zijn naar het oordeel van de rechtbank niet aan te merken als rechtstreeks benadeelden in de zin van artikel 51f Sv. Los van de vraag of implementatie van de Europese Richtlijn 2012/29/EU er in de toekomst toe zal leiden dat nabestaanden in het strafproces als benadeelde partij een vordering tot vergoeding van immateriële schade in kunnen dienen, waarbij opgemerkt wordt dat lidstaten bij die implementatie het aantal familieleden dat aanspraak kan maken op de in de richtlijn opgenomen rechten kunnen beperken, stelt de rechtbank vast dat de termijn waarbinnen de richtlijn in het nationale recht geïmplementeerd dient te worden pas op 16 november 2015 verstrijkt. Nu pas na het verstrijken van een implementatietermijn een particulier onder omstandigheden een rechtstreeks beroep op een richtlijn kan doen, kunnen de benadeelde partijen op dit moment geen beroep doen op deze richtlijn.

De beoordeling van de vraag of de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de nabestaanden toewijsbaar is op grond van artikel 8 EVRM vergt veel onderzoek. Immers dient dan te worden beoordeeld of door het strafbare feit inbreuk is gemaakt op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op familie- en gezinsleven, of hierdoor schade is geleden en wat de omvang van die schade is. De behandeling van dit deel van de vordering levert dan ook een onevenredige belasting van het strafgeding op. Dit betekent dat de benadeelde partijen in hun vordering voor zover het betreft de immateriële schade niet-ontvankelijk verklaard zullen worden.

Weliswaar is door deze rechtbank bij vonnis van 29 november 2012 (BY4509) een bedrag van € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding aan een nabestaande van een slachtoffer van een geweldsmisdrijf toegekend, op welke uitspraak door de raadsman van de benadeelde partijen ook een beroep is gedaan, maar dit betrof een niet-betwiste vordering, waarbij de verdediging zich ten aanzien van die vordering uitdrukkelijk had gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De benadeelde partijen kunnen het immateriële deel van hun vordering bij de civiele rechter aanbrengen. Deze civielrechtelijke procedure is een voldoende effectieve rechtsgang voor de behandeling van vorderingen die zien op immateriële schade voor nabestaanden. Voor zover de raadsman van de nabestaanden zich, verwijzend naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 13 maart 2012, Reynolds v. The United Kingdom, op het standpunt heeft willen stellen dat sprake is van schending van artikel 13 jo. 2 van het EVRM indien zij als benadeelde partij hun vordering tot vergoeding van immateriële schade niet in het strafproces kunnen indienen, treft dit derhalve, gelet op de toegang tot de civiele rechter, geen doel.

De vordering tot vergoeding van reis- en telefoonkosten

De benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben ieder een bedrag van € 100,00 ter zake van reis- en telefoonkosten gevorderd. Daartoe is door de raadsman van de benadeelde partijen naar voren gebracht dat de benadeelde partijen als gevolg van het misdrijf reiskosten hebben moeten maken in verband met het bezoeken van strafzittingen, hun advocaat en slachtoffergesprekken, en telefoonkosten hebben gemaakt.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gerequireerd tot toewijzing van de vordering tot vergoeding van € 100,00 aan alle benadeelde partijen.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat dit deel van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Vast is komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade hebben geleden, die ziet op de reis- en telefoonkosten. Het daarvoor gevorderde bedrag van € 100,00 per benadeelde partij acht de rechtbank redelijk en derhalve toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De vordering tot vergoeding van materiële schade en kosten juridische bijstand van

[benadeelde 1]

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft een bedrag van € 11.738,33xxxvii ter zake van materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft tevens een bedrag van € 8.058,15 gevorderd ter zake van kosten juridische bijstand.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gerequireerd tot toewijzing van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij ter hoogte van € 11.738,33 alsmede tot toewijzing van de gevorderde kosten ter zake van juridische bijstand.

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1], niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. Het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 11.738,33 ter zake van materiële schade, acht de rechtbank voldoende onderbouwd en komt de rechtbank redelijk voor en is derhalve toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag van € 8.058,15 ter zake van kosten juridische bijstand in de onderhavige zaak redelijk en zal dat deel van de vordering toewijzen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partijen wordt, als extra waarborg voor betaling de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd met dien verstande deze schadevergoedingsmaatregel geen betrekking kan hebben op de toegewezen kosten voor juridische bijstand.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair ten laste gelegde:

medeplegen van moord.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3], domicilie kiezende ten kantore van hun raadsman op het adres Herengracht 462, 1017 CA Amsterdam toe tot een bedrag van € 100,-- (honderd euro) ieder, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] de toegewezen bedragen te betalen, behoudens voorzover deze vorderingen reeds door of namens een ander zijn betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen zijn.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 2] en [benadeelde 3], te betalen de som van € 100,-- (honderd euro) ieder, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van telkens 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1], domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman op het adres Herengracht 462, 1017 CA Amsterdam, toe tot een bedrag van € 19.896,48 (negentienduizend achthonderd en zesennegentig euro en achtenveertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde 1] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, behoudens voorzover deze vordering reeds door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1], te betalen de som van € 11.838,33 (elfduizendachthonderdachtendertig euro en drieëndertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 94 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. A.E.J.M. Gielen en J.O. Rutten, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 juni 2013.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii Een proces-verbaal met nummer 2011036441 van 17 maart 2011, opgemaakt door verbalisant T276, p. 10099 en een proces-verbaal met nummer 2011036441 van 9 januari 2012, opgemaakt door verbalisant [J], p. 11314.

iii Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 22 maart 2011, opgemaakt door verbalisant T276, p 10111 en 10112

iv Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 mei 2013

v Een proces-verbaal met nummer 201160344 van 26 mei 2011, opgemaakt door verbalisant T-152, p 10868-10870

vi Een proces-verbaal met nummer 2011063441 van 24 maart 2011, opgemaakt door verbalisanten T-152 en T039, p 20049

vii Proces-verbaal met nummer 2011063441-5 van 13 maart 2011, opgemaakt door [L] en [E], p 10005 en 10007

viii Een geschrift zijnde een schrijven van [M], forensisch arts GGD Amsterdam van 15 mei 2013.

ix Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 20 mei 2011, opgemaakt door [N], arts en patholoog, p 11061 en 11062.

x Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 8 februari 2012, opgemaakt door Ing. [O], p 11533

xi Proces verbaal met nummer 2011063441-67 van 1 april 2011, opgemaakt door [P], p. 10375

xii Proces verbaal met nummer 2011063441 van 14 april 2011, opgemaakt door [Q] en verbalisant T-271, p 20084 en 20085

xiii Proces verbaal met nummer 2011063441 van 15 april 2011, opgemaakt door [Y] en verbalisant T.039, p 10615

xiv Proces verbaal van verhoor van getuige [G] bij de rechter commissaris op 16 mei 2013, ongenummerd

xv Proces verbaal en kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011063441-86 van 15 april 2011, opgemaakt door T.039 en [Y].

xvi Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 april 2011, opgemaakt door drs. [R], p. 10705 en 10706

xvii Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 mei 2013

xviii Een kennisgeving van inbeslagname, proces-verbaal nummer 2011063441-51 van 28 maart 2011, opgemaakt door verbalisant [A], volgnummer 1: 1 paar slippers, zwarte zool.

xix Een proces-verbaal met nummer 2011063441-59 van 1 april 2011,opgemaakt door [H] en [Z], p. 11183

xx Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 april 2011, opgemaakt door drs. [R], p 10821

xxi Proces-verbaal met nummer 2011063441-104 van 27 mei 2011, opgemaakt door [S], [T] en [U], p. 10944

xxii Proces-verbaal met nummer 2011026339-11 van 17 augustus 2011, opgemaakt door [V] en [W], p. 11251-11253

xxiii Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 10 oktober 2012 met nummer 2011063441, opgemaakt door verbalisant T012, p 30610

xxiv Een geschrift[0], zijnde een rapport (Interdisciplinair Forensisch Onderzoek) van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 februari 2012, opgemaakt door drs. Ing. [X], pag. 11620 ( = 11235)

xxv 11622

xxvi Proces verbaal van de terechtzitting van 22 mei 2013, houdende de deskundigenverklaring van drs. [F].

xxvii Een geschrift[0], zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 24 februari 2012, opgemaakt door drs. Ing. [X], doorgenummerde bladzijden 11601 tot en met 11634.

xxviii idem, pag 11632

xxix idem, pag. 11633

xxx Idem, pag. 11633

xxxi Een geschrift, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 6 mei 2013 (Criminalistische evaluatie), opgemaakt door drs. [F], pag. 12360

xxxii idem, pag. 12367

xxxiii idem, pag. 12368.

xxxiv Een proces verbaal met nummer 2011063441-48 van 26 maart 2011, opgemaakt door [I], p. 10286

xxxv Een proces-verbaal van verhoor van getuige [D] d.d. 4 december 2012 bij de rechter-commissaris, p 20503

xxxvi Proces verbaal met nummer 2011063441 van 2 juni 2011, opgemaakt door T-152.

xxxvii Dit bedrag is als volgt opgebouwd: € 155,00 overlijdensberichten, € 717,50 bloemen, € 701,23 boodschappen gebedsdiensten, € 1.335, 00 bazuinkoor en kerkdiensten, € 1.124,90 notariskosten, € 7.704,70 uitvaartverzorging