Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA2128

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
18-06-2013
Zaaknummer
AWB 11-4564 BELEI
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:2825, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nadeelcompensatie Noord-Zuidlijn. De schadecommissie heeft voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom er voor de door haar gehanteerde referentieperiode is gekozen. De Stab heeft ook de overige uitgangspunten van de schadecommissie houdbaar geacht en de conclusies van de schadecommissie onderschreven. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een ander oordeel te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4564 BELEI

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], h.o.d.n. [naam1]

gevestigd te [woonplaats 1],

eiseres,

gemachtigde mr. P. Nicolaï,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. B.P.M. van Ravels.

Procesverloop

Op 8 juni 2007 heeft eiseres verweerder in verband met de aanleg van de Noord-Zuidlijn verzocht om schadevergoeding vanwege winstderving over de jaren 2005 en 2006.

Bij besluit van 21 september 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 15 augustus 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2012. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Als deskundige namens eiseres is aanwezig [betrokkene 1]. Namens eiseres zijn aanwezig [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Eveneens aanwezig namens verweerder is mr. H.M. van Velsen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek heropent, omdat er ter zitting niet voldoende tijd resteerde om de behandeling van de zaak te voltooien. Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke ronde naar aanleiding van vragen van de rechtbank en worden in de gelegenheid gesteld te reageren op de ter zitting aan elkaar overgelegde pleitnota’s.

De rechtbank heeft na nadere beraadslaging geconcludeerd dat een advies van een deskundige diende te worden ingewonnen en heeft daarop de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (Stab) benoemd tot deskundige en deze verzocht een advies uit te brengen over de schadeberekeningen.

De Stab heeft bij rapportage van 29 november 2012 advies uitgebracht. Eiseres heeft op

18 januari 2013 en op 21 januari 2013 schriftelijk gereageerd op het advies van de Stab.

De rechtbank heeft de behandeling van de zaak hervat in de stand waarin zij zich bevond op de zitting van 1 februari 2013. Namens eiseres waren aanwezig [betrokkene 2] en [betrokkene 3]l, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Als deskundige was namens eiseres aanwezig [betrokkene 1]. Verweerder was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder waren eveneens mr. H.M. van Velzen en B. Ramaker aanwezig. Namens de Stab was P.A.H.M. Willems ter zitting aanwezig. De rechtbank heeft de zaak wederom behandeld en daarna het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1 Eiseres exploiteert sinds 15 maart 1996 het bedrijf “[naam 1] op [adres 1]. Bij brief van 8 juni 2007 heeft eiseres op grond van de Verordening Nadeelcompensatie en Planschade Noord-Zuidlijn (hierna: de Verordening) verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens winstderving over de jaren 2005 en 2006. Eiseres heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij schade lijdt ten gevolge van de aanleg van de Noord-Zuidlijn en de daaruit voortkomende wisselende en ongunstige haltering van de treinen en de telkens wisselende reizigersstromen.

1.2 Op 25 augustus 2010 heeft de Schadecommissie Noord-Zuidlijn (hierna: de schadecommissie) verweerder geadviseerd geen schadevergoeding toe te kennen voor de jaren 2005 en 2006. In het advies overweegt de schadecommissie dat het mogelijk is dat eiseres als gevolg van de verplaatsing van de reizigersstromen naar [locatie 1] omzetschade heeft ondervonden in de exploitatie van het aan [locatie 2] gesitueerde bedrijf. De schadecommissie heeft voor het schadejaar 2005 de jaren 2000 t/m 2004 en voor het schadejaar 2006 de jaren 2001 t/m 2005 als referentieperiode gehanteerd, waarbij de omzet van de dan in de referentieperiode vallende schadejaren 2001 t/m 2005 wordt gecorrigeerd met (voor zover daarvan sprake is) de gemiste omzet van die schadejaren. De schadecommissie heeft middels de branchecorrectie de berekende gemiddelde en voor inflatie gecorrigeerde omzet uit de referentieperiode (de referentieomzet) omgerekend naar een omzetniveau dat beschouwd kan worden als de omzet die naar redelijke verwachting behaald had kunnen worden indien de schade-ingreep niet had plaatsgevonden. De schadecommissie heeft bij de berekening van de normomzet gebruik gemaakt van de branchegegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (branchegegevens). Uit de door de schadecommissie verrichte berekeningen volgt dat het inkomen van eiseres zowel in het schadejaar 2005 als in het schadejaar 2006 hoger is dan het norminkomen dat op grond van de cijfers uit de referentiejaren kan worden verwacht, zodat er geen sprake is van vergoedbare schade.

1.3 Bij primair besluit heeft verweerder in navolging van het advies van de schadecommissie het verzoek van eiseres afgewezen. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Naar aanleiding van de gronden van bezwaar heeft de schadecommissie op 29 juni 2011 een nader advies opgesteld.

1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe het advies van de Bezwaarschriftencommissie van 5 augustus 2011 overgenomen.

2. Juridisch kader

2.1 Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt voor 1 januari 2013.

2.2 Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening kent de gemeenteraad de verzoeker die als gevolg van de aanleg van de Noord-Zuidlijn nadeel ondervindt, voor zover het nadeel redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk II, nadeelcompensatie toe, indien voldaan is aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en voor zover de compensatie van dat nadeel niet of niet voldoende anderszins is gewaarborgd.

2.3 Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening brengt de adviescommissie met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 advies uit over de omvang van het nadeel en de hoogte van de nadeelcompensatie.

Op grond van het tweede lid wordt, voor zover de omvang van het nadeel kan worden vastgesteld op basis van de winstderving van de verzoeker, de tijdens de aanleg van de Noord-Zuidlijn door de verzoeker behaalde winst (inkomsten) vergeleken met de door hem vóór de aanleg van de Noord-Zuidlijn behaalde gemiddelde winst (gemiddelde inkomsten) in de daarvoor in aanmerking komende, in beginsel vijf jaren. Het aldus verkregen resultaat zal worden gecorrigeerd met een inflatiecorrectie en, voor zover aanwezig, gecorrigeerd met een toepasbare branchecorrectie.

3. Standpunten van partijen

3.1 De vraag die partijen verdeeld houdt is of de door de schadecommissie gemaakte berekening van het nadeel– waaruit volgt dat er geen sprake is van (vergoedbare) schade – door verweerder aan de besluitvorming ten grondslag mocht worden gelegd.

3.1.1 Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het advies van de schadecommissie wat betreft onderzoek en motivering niet deugdelijk is. De schadeberekening van de schadecommissie geeft geen juist beeld van de daadwerkelijk door eiseres geleden schade. Er bestaat wel degelijk een causaal verband tussen de wijzigingen in de loopstromen en het halteren van de treinen enerzijds en het aantal bezoekers aan de inrichting van eiseres anderzijds, waardoor de omzet fluctueert. De schadecommissie heeft gelet op de trendmatige omzetstijging die het bedrijf van eiseres vertoonde voor de start van de werkzaamheden aan de Noord-Zuidlijn naar het inzicht van eiseres ten onrechte een gemiddelde omzet in een (opschuivende) referentieperiode als uitgangspunt genomen. Bij het berekenen van de daadwerkelijk geleden schade had verweerder niet de omzet-kostenstructuur uit het verleden (referentieperiode) als uitgangspunt mogen nemen, maar de omzet-kostenstructuur uitgaande van de situatie waarin er geen bouwwerkzaamheden hadden plaats gevonden, moeten gebruiken.

Daarnaast heeft verweerder ten onrechte bij de berekening van de normomzet een branchecorrectie toegepast waarbij het bedrijf van eiseres is vergeleken met de ontwikkeling in de branche van ‘[branchegegevens]’. Verweerder had een correctie moeten toepassen uitgaande van de branche ‘[branche 1]’ van het [branche 2], een onafhankelijk kennisinstituut. Onder deze categorie vallen [categorie 1] De inrichtingen die gericht zijn op ‘[branche 1]’ zijn meer dan andere inrichtingen afhankelijk van de ‘loop’ en aanwezigheid van potentiële bezoekers in de directe omgeving van de [categorie 2].

Verweerder heeft voorts geen rekening gehouden met de specifieke omstandigheden waaronder de exploitatie van het bedrijf van eiseres plaatsvindt. De inrichting is bestemd voor bezoekers die van het [adres 1] gebruik maken. Er dient te worden gewerkt met een personele bezetting die is ingesteld op ‘topdrukte’. Het hanteren van een normpercentage met betrekking tot de over de referentieperiode gemiddelde personeelskosten – wat de schadecommissie doet – is dus niet passend. Daarnaast is de inrichting gevestigd in een monumentaal pand waardoor ‘normale’ ingrepen met het oog op een efficiënte bedrijfsvoering niet konden worden toegepast. Een flexibele – met de omzet variërende – personele bezetting is geen realistisch uitgangspunt.

3.1.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek van de schadecommissie op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat het advies aan het besluit tot afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie ten grondslag kan worden gelegd. Verweerder heeft er in dit kader op gewezen dat in de toelichting bij artikel 2 van de Verordening tot uitdrukking is gebracht dat de schadecommissie bij haar advisering over de omvang van het nadeel in beginsel vrij is in de wijze waarop zij deze vaststelt. De Verordening schrijft voor dat de omvang van het nadeel wordt berekend door de winst vóór de aanleg van de Noord-Zuidlijn te vergelijken met de winst tijdens de aanleg.

De schadecommissie heeft in de rapportage van 25 augustus 2010 aangegeven dat deze vergelijking ook kan worden bereikt via een omzetbenadering, waarbij de gederfde omzet wordt vermenigvuldigd met een representatief brutowinstpercentage. De schadecommissie heeft uiteen gezet waarom de periode van vijf jaren voorafgaand aan de werkzaamheden is opgeschoven, waarmee wordt afgeweken van de Verordening. De huidige berekening is gebaseerd op een inschatting van de omzet in de voorafgaande jaren. De schadecommissie heeft niet de feitelijke omzet gehanteerd, maar de gecorrigeerde omzet die behaald had kunnen worden. Bij het bepalen van de normomzet is wel degelijk uitgegaan van de situatie waarin de aanleg van de Noord-Zuidlijn niet zou hebben plaatsgevonden. In de schadeberekening zijn de omzetten in de referentieperioden gecorrigeerd met de gederfde omzetten. De schadecommissie is wel degelijk uitgegaan van een stijgende lijn in de omzet.

Ten aanzien van hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de branchecorrectie wijst verweerder er op dat eiseres eerst in beroep tegen de door de schadecommissie gehanteerde branchecorrectie gronden heeft gericht. Noch in haar reactie op het concept advies noch in bezwaar heeft eiseres tegen de gehanteerde branchecorrectie geageerd. Verweerder acht deze wijze van procederen niet efficiënt, aangezien de schadecommissie en de bezwarenadviescommissie zich nu niet nader over deze gronden hebben kunnen uit laten. De door eiseres voorgestelde categorie ‘[branche 1]’ is niet de categorie waar het bedrijf van eiseres in past. Die categorie is gericht op een [categorie 3], waaronder bedrijven vallen als [bedrijfsnamen]. Het bedrijf van eiseres is een ander type [branche 3] met een ander type [werk 1].

Hetgeen door eiseres is aangevoerd omtrent de specifieke omstandigheden waarmee verweerder rekening had moeten houden, heeft verweerder opgevat als een grond die gericht is op de wijze waarop de schadecommissie de omvang van de personeelskosten heeft bepaald en heeft betrokken bij de inschatting van de omvang van de gestelde schade. Bij de inschatting van de bespaarde personeelskosten over de jaren 2005 en 2006 is de commissie reeds uitgegaan van de werkelijke personeelskosten over deze jaren. Het bezwaar dat niet zover bespaard kan worden dat een bepaald minimum aan bezetting wordt onderschreden kan reeds daarom niet opgaan.

4. Beoordeling van het geschil

Tijdigheid gronden en stukken

4.1.1 De rechtbank stelt voorop dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat eiseres voor het eerst in beroep gronden heeft gericht tegen de door de schadecommissie gehanteerde branchecorrectie. Dit betekent echter nog niet dat eiseres hiermee haar recht heeft verspeeld om deze grond in beroep alsnog aan te voeren. Noch uit de wet noch uit enig rechtsbeginsel vloeit voort dat gronden die niet reeds in bezwaar worden aangevoerd vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling in beroep zouden moeten blijven. De rechtbank zal hierna deze grond dan ook bij de beoordeling betrekken.

4.1.2 Verweerder heeft er ter zitting van 1 februari 2013 op gewezen dat de reacties van eiseres op de rapportage van de Stab van 29 november 2012 dermate kort voor de zitting zijn overgelegd dat het voor verweerder niet meer mogelijk was hierop te reageren en heeft bezwaar gemaakt tegen deze wijze van procederen. De rechtbank stelt vast dat de stukken van eiseres respectievelijk op 18 januari 2013 en op 21 januari 2013 door de rechtbank zijn ontvangen. De stukken zijn dan ook binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb genoemde termijn ingediend. Gelet hierop acht de rechtbank het niet in strijd met de goede procesorde om deze stukken bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

T.a.v. de schadeberekening

4.2 Ten aanzien van hetgeen is aangevoerd omtrent de rapportage van de schadecommissie overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.1 De schadecommissie is een op grond van de Verordening samengestelde commissie bestaande uit onafhankelijke deskundigen die verweerder adviseert over verzoeken tot het toekennen van nadeelcompensatie. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat verweerder bij zijn besluit op een verzoek om nadeelcompensatie in beginsel van het advies van de deskundige mag uitgaan, indien uit dat advies op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 december 2009, LJ-nummer BK7998).

4.2.2 Eiseres heeft middels het advies van [betrokkene 1] van ‘[categorie 3]’ van 19 oktober 2011, aangevuld met de adviezen van 7 februari 2012, 9 februari 2012, 10 april 2012 en 5 juni 2012, gemotiveerd aangegeven waarom er redenen zouden bestaan om te twijfelen aan de door de schadecommissie gehanteerde berekeningsmethodes die in het geval van eiseres, gelet op de specifieke omstandigheden waaronder de exploitatie van het bedrijf van eiseres plaatsvindt, nadelig uitwerken. De rechtbank heeft hierin aanleiding gezien de Stab te benoemen tot deskundige en een advies uit te laten brengen.

4.2.3 Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij betwijfelt of het Stab wel over de specifieke deskundigheid beschikt voor de beoordeling van de branche waarbinnen de [categorie 2] wordt geëxploiteerd. Eiseres heeft voorts ter zitting van 1 februari 2013 betoogd dat het advies van het Stab onzorgvuldig tot stand is gekomen, onder andere doordat de opstellers van het advies onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de bedrijfsspecifieke omstandigheden en geen contact hebben opgenomen met FSIN teneinde te onderzoeken hoe de categorie ‘[branche 1]’ wordt ingedeeld en wat de criteria zijn om deze categorie te hanteren. De motivering van de rapportage van de Stab is ondeugdelijk en innerlijk tegenstrijdig. Ondanks dat de Stab de locatie van het [categorie 1] van eiseres wel bepalend acht, hanteren zij toch de indeling van het CBS ‘[branchegegevens]’ waarvoor de locatie niet bepalend is. Voor de categorie ‘[branche 1]’ is uitsluitend van belang de vraag of het gaat om een [categorie 1] die is gesitueerd op een vervoerslocatie. De Stab heeft in strijd met wetenschappelijke uitgangspunten het bedrijf van eiseres niet op basis van feitelijke gegevens ingedeeld in de juiste branche. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres gewezen op een memo van 17 januari 2013 van [betrokkene 4] en een nader advies van [betrokkene 1] van 21 januari 2013.

4.2.4 De rechtbank stelt voorop dat de Stab is te beschouwen als een onafhankelijke deskundige en dat de rechtbank in beginsel op het door de Stab uitgebrachte deskundigenrapport af mag gaan. Dit is slechts anders indien het deskundigenbericht onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelvorming ten grondslag mag worden gelegd, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011, LJ-nummer BR6373.

4.2.5 De Stab heeft voor het advies van 29 november 2012 kennis genomen van het volledige beroepsdossier. Ter zitting heeft P.A.H.M. Willems toegelicht dat de Stab zich heeft gebaseerd op de informatie van partijen en eigen onderzoek. Uit het advies blijkt dat dit eigen onderzoek onder meer heeft bestaan uit een bezoek aan de locatie in kwestie. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op het concept-verslag. Willems heeft ter zitting aangegeven dat er gelet op voorgaande onderzoekshandelingen geen aanleiding bestond om contact op te nemen met het FSIN en dat dit ook niet de gebruikelijke werkwijze is.

4.2.6 De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de wijze van totstandkoming van het advies van de Stab geen aanleiding om dit advies te passeren. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de enkele stelling dat de Stab de specifieke deskundigheid mist onvoldoende is om twijfel aan die deskundigheid aannemelijk te maken. De Stab onderschrijft de conclusies van de schadecommissie. Uit het advies van [betrokkene 1] van 21 januari 2013 blijkt dat [betrokkene 1] een andere mening is toegedaan dan de schadecommissie en de Stab. Dit betekent op zichzelf nog niet dat het advies van de Stab onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of andere gebreken bevat, en als gevolg daarvan niet aan de oordeelvorming van de rechtbank ten grondslag zou mogen worden gelegd. Daar komt bij dat de Stab de visie en stellingen van [betrokkene 1] zoals die blijken uit eerdere adviezen, heeft betrokken bij het opstellen van het advies. Eiseres heeft bovendien naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de Stab tot andere conclusies zou zijn gekomen indien zij contact zouden hebben opgenomen met het FSIN. Deze stelling van eiseres slaagt niet.

4.2.7 Ten aanzien van de inhoudelijke gronden die zien op de door de schadecommissie gehanteerde berekeningsmethode verwijst de rechtbank naar eerdere uitspraken van deze rechtbank, waaronder de uitspraak van 6 december 2011, LJ-nummer BV0300. Daarin is geoordeeld dat artikel 3 van de Verordening niet dwingend een bepaalde berekeningsmethode voorschrijft, gelet op de woorden “voor zover de omvang van het nadeel kan worden vastgesteld op basis van winstderving…”, alsook gelet op de toelichting op artikel 2 van de Verordening, inhoudende dat uitgangspunt is dat de adviescommissie in beginsel vrij is in de wijze waarop zij de omvang van de schade en de hoogte van de nadeelcompensatie vaststelt. Van belang daarbij is of de berekening een goed beeld geeft van de omvang van de schade.

4.2.8 Ten aanzien van de gehanteerde referentieperiode heeft de schadecommissie in de rapportage van 25 augustus 2010 het volgende overwogen:

“De Schadecommissie is van oordeel dat wanneer er alleen de aan de eerste schadeperiode voorafgaande jaren als referentiejaren worden gebruikt, een steeds minder realistisch beeld van de in een schadejaar te verwachten omzet ontstaat naarmate het tijdsverloop tussen de “oude” (aan de start van de aanlegwerkzaamheden voorafgaande) omzetjaren en een schadejaar groter wordt. Daarbij is mede van belang dat hij het vaststellen van de (fictieve) omzet in eerdere schadejaren allerlei gegevens, zoals bijvoorbeeld de brancheontwikkelingen, wijzigingen in de bedrijfsspecifieke omstandigheden en concurrentieverhoudingen, worden geanalyseerd. De Schadecommissie acht het niet juist dat deze gegevens – wanneer deze aan de dag treden in een aan een schadejaar voorafgaande schadejaren – zouden moeten worden genegeerd bij de beoordeling van een volgend schadejaar. (…) omdat de Schadecommissie de schade per schadejaar beoordeelt en de schade vele jaren kan voortduren, acht de Schadecommissie het redelijk de bepaling in de Verordening aldus te interpreteren dat de in het betrokken schadejaar behaalde winst (inkomsten) wordt vergeleken met de behaalde winst (inkomsten) in de vijf aan het schadejaar voorafgaande jaren.”

4.2.9 De Stab heeft in zijn deskundigenbericht gemotiveerd aangegeven dat naar zijn oordeel de schadecommissie geen onjuiste referentieperiode heeft gekozen. In eerste instantie lijkt er wel aanleiding voor twijfel aan de keuze van de schadecommissie voor de gemiddelde omzet in de referentieperiode als basis voor de berekening van de normomzet, ook al is die keuze in het algemeen gebruikelijk en juist. De Stab heeft aangegeven dat het bedrijf van eiseres alleen in de jaren 1996-1998 een omzet heeft gerealiseerd onder normale omstandigheden. Daarbij was weliswaar over de gehele driejaarsperiode sprake van een groei, maar de omzetstijging per jaar was sterk fluctuerend. Door deze fluctuatie in een korte periode kan geen ‘omzettrend’ worden geconstateerd. Dit pleit tegen het gebruiken van de omzetontwikkeling als basis voor de berekening van de normomzet. Volgens de Stab geeft de door de schadecommissie gehanteerde (opschuivende) referentieperiode een goed beeld van de winstontwikkeling respectievelijk de winstderving van het bedrijf van eiseres.

4.2.10 De rechtbank is van oordeel dat de schadecommissie voldoende inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom er voor de door haar gehanteerde referentieperiode is gekozen. De rechtbank is van oordeel dat de interpretatie van de schadecommissie ten aanzien van de referentieperiode niet in strijd is met de Verordening. Hetgeen eiseres hieromtrent heeft aangevoerd kan derhalve niet slagen.

4.2.11 Ten aanzien van de door de schadecommissie gehanteerde branchecorrectie stelt de rechtbank voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de keuze voor de branche belangrijk is voor de vraag of er sprake is van nadeel.

4.2.12 De Stab heeft beoordeeld of de schadecommissie niet ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de CBS-branche [branchegegevens]. De Stab onderschrijft de keuze van de schadecommissie op de inhoudelijke beoordeling van de typering van het bedrijf als [naam 1] en heeft onder andere overwogen dat de ontwikkeling van het bedrijf van eiseres in de periode 1996 – 1988 (de enige periode waarin een omzet is gerealiseerd onder normale omstandigheden) in grote lijnen overeenkwam met de ontwikkeling in de [branche 3] zoals gehanteerd door het CBS (branchegegevens) en in het geheel niet met de branche ‘[branche 1]’. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Eiseres heeft een memo overgelegd van 17 januari 2013 van de door haar ingeroepen voormalig hoogleraar Vianen. Vianen concludeert dat het bedrijf van eiseres kenmerken heeft van zowel de [branche 3] als de ‘[branche 1] ' en dat nadere gegevens meer inzicht kunnen verschaffen over de beste aansluiting bij één van de geduide branches. De rechtbank oordeelt dat aan het memo van Vianen geen steekhoudende argumenten kunnen worden ontleend om het oordeel van de Stab op dit punt niet te volgen.

4.2.13 De Stab heeft de ook overige uitgangspunten van de schadecommissie houdbaar geacht en de conclusies van de schadecommissie onderschreven. De rechtbank overweegt verder dat uit het nadere advies van [betrokkene 1] van 21 januari 2013 geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gekomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de inhoud van het advies van de Stab.

4.3 De rechtbank is concluderend van oordeel dat zowel het advies van de schadecommissie als het advies van de Stab zijn gebaseerd op zorgvuldig onderzoek en uitvoerig, zorgvuldig en begrijpelijk zijn gemotiveerd. Nu niet is gebleken van een onjuist beeld uit de gemiddelde cijfers, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres te volgen in haar stelling dat verweerder gelet hierop toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule van artikel 7 van de Verordening.

4.4. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het advies van

de schadecommissie van 25 augustus 2010 aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen. De schadecommissie heeft in dat advies geconcludeerd dat het (gecorrigeerde) inkomen van eiseres in de schadejaren 2005 en 2006 hoger lag dan het norminkomen dat op grond van de cijfers uit de referentiejaren kan worden verwacht en dat er dus geen sprake is van vergoedbare schade. De vraag naar causaal verband komt pas aan de orde als er wel sprake is van vergoedbare schade. Nu dat hier niet het geval is behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van het causale verband met de aanleg van de Noord-Zuidlijn geen bespreking meer.

Niet tijdig beslissen op bezwaar

4.5.1 Eiseres richt zich in het beroep ook nog tegen de omstandigheid dat in het bestreden besluit niet de verschuldigdheid en de hoogte van een dwangsom wegens niet tijdig beslissen als bedoeld in artikel 4:17 e.v. van de Awb is vastgesteld. Eiseres heeft verweerder bij brief van 31 mei 3011 in gebreke gesteld. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de verbeurde dwangsom vast te stellen.

4.5.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser met de brief van 31 mei 2011 een ander bestuursorgaan dan verweerder, namelijk de bezwaarschriftencommissie, heeft aangeschreven en dat daardoor niet aan de voorwaarde is voldaan dat verweerder van eiseres een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Daarnaast wijst verweerder er op dat de datum voor de hoorzitting herhaaldelijk met instemming van eiseres is uitgesteld. Eiseres heeft pro forma bezwaar gemaakt op 2 november 2010 en heeft daarna meerdere malen de gronden van het bezwaar uiteen gezet, laatstelijk bij nadere memorie van 10 juli 2011. Er was nader uitstel nodig om een nader advies van de schadecommissie te verkrijgen. Eiseres kan verweerder in redelijkheid niet tegenwerpen dat deze te laat is geweest met het nemen van een beslissing op bezwaar.

4.5.3 De rechtbank constateert dat verweerder in strijd met artikel 4:18 van de Awb geen beschikking heeft genomen naar aanleiding van de ingebrekestelling. Eiseres heeft geen nadere reactie gegeven op het hierboven weergegeven standpunt van verweerder. Het is (eerst) aan verweerder, en niet aan de rechtbank, om de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij besluit vast te stellen.

5. Conclusie

5.1 Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, voorzitter,

mrs. A.D. Reiling en L.C. Bachrach, leden, in aanwezigheid van

mr. R.M. Wiersma, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

de griffier de voorzitter

Bij ontstentenis van de voorzitter is

deze uitspraak ondertekend door

de oudste rechter.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB