Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1742

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
13/997005-11 en 20/004013-07 (tul) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/997005-11 en 20/004013-07 (tul) (Promis)

Datum uitspraak: 3 mei 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1962],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode] [plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 11 februari 2013, 4, 6, 13, 15, 18, 27 en 29 maart 2013 en 12 en 22 april 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie

mrs. J. Plooij en J.J. Beliën en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.P.M.A. Laeyendecker, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Cuijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 28.230 gram hennep (in perceel [adres 1]) en/of een hoeveelheid van ongeveer 721 gram hennep (in perceel [adres 2]), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Cuijk voorhanden heeft gehad een busje met vloeistof (met als opschrift Protect Pfeffer spray anti-dog), zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met (een) verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen), in elk geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6;

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Cuijk voorhanden heeft gehad een wapen van categorie I onder 7°, te weten een houten vilmes, zijnde een voorwerp vermeld in artikel 3 onder g van de Regeling Wapens en Munitie;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

hij op of omstreeks 20 maart 2012 te Cuijk voorhanden heeft gehad een wapen van categorie I, te weten een boksbeugel;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3. Voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding en de bevoegdheid van de rechtbank

De dagvaarding is geldig en deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

3.2 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte ten tijde van de aanhouding onterecht als verdachte is aangemerkt waardoor de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Subsidiair dient dit als gevolg te hebben dat hetgeen is aangetroffen wordt uitgesloten van het bewijs en verdachte wordt vrijgesproken.

Verdachte is maanden nadat [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) belastende verklaringen heeft afgelegd aangehouden en in verzekering gesteld ter zake van twee brandstichtingen, terwijl de verklaringen van [persoon 1] niet door enig ander bewijsmiddel zijn bevestigd. Dit, terwijl er extra kritisch naar de verklaring van [persoon 1] moet worden gekeken, aangezien hij beschuldigend verklaart, selectief open kaart speelt en niet eerlijk is.

De verdediging stelt als tweede grond voor de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dat er doelbewust en met veronachtzaming van de belangen van verdachte is gehandeld. Een duidelijke omschrijving van de plaats waar de goederen tijdens de doorzoekingen zijn aangetroffen ontbreekt in het geheel en het Openbaar Ministerie had de meerderjarige personen die ook hun hoofdverblijf hebben in de desbetreffende woning op zijn minst daarover moeten bevragen. Door dit onderzoek niet te doen en de goederen automatisch toe te schrijven aan verdachte, maakt dat er sprake is van willekeur en een ongelijke behandeling. Het duidt op het doelbewust trachten toe te schijven van de goederen aan verdachte. Concluderend is er sprake van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde.

3.2.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat het verweer verworpen dient te worden. Ten eerste verzet het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich tegen een (hernieuwde) toetsing van de gegrondheid van de verdenking in dit stadium. Ten tweede, indien de rechtbank inhoudelijk aandacht aan het verweer schenkt, stelt het Openbaar Ministerie zich op het standpunt dat de verklaringen van [persoon 1] volledig bij de bevindingen van destijds pasten. Er was sprake van brandstichting, dat staat buiten elke twijfel, en verdachte is op voldoende gronden aangehouden.

Ten derde was en is er gelet op de resultaten van het vooronderzoek voldoende aanleiding om de broers [familienaam verdachte] gezamenlijk (al dan niet met nog één of meer anderen), verantwoordelijk te houden voor de aanwezigheid van de aangetroffen hennep, en elk van hen zelf verantwoordelijk te houden voor het voorhanden hebben van wapens. Daargelaten dat het Openbaar Ministerie geen illusies heeft over de verklaringsbereidheid van de vrouwen en de dochters van de broers - aan hen komt een verschoningsrecht toe - is uit niets aannemelijk dat één of meer van hen de aangetroffen voorwerpen voorhanden of aanwezig heeft gehad. Mede gelet op de documentatie van de beide broers is van willekeur bij de vervolgingsbeslissing geen sprake geweest.

3.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Op 1 maart 2012 wordt door het Openbaar Ministerie in de aanvragen doorzoeking ter inbeslagneming ten aanzien van drie adressen gemotiveerd waarom verdachte en zijn broer (medeverdachte [persoon 2]) verdacht werden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie op basis van deze omstandigheden terecht een redelijk vermoeden van schuld kunnen aannemen. De rechter-commissaris heeft ook op 15 maart 2012 de beslissing gegeven, naar aanleiding van de informatie in de aanvraag, om tot doorzoeking van de drie panden over te gaan. Dat achteraf de desbetreffende feiten (MECC en Zaandam) de tenlastelegging niet hebben gehaald, maakt de situatie op dat moment niet anders. Met de aanwezigheid van een redelijk vermoeden van schuld, is de rechtmatigheid van de aanhouding en de daarop volgende doorzoeking gegeven.

Ten aanzien van de tweede grond voor niet-ontvankelijkheid is de rechtbank, anders dan de verdediging, van oordeel dat geen sprake is van willekeur. In artikel 167, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is het opportuniteitsbeginsel verwoord. Dit houdt in dat het Openbaar Ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten, de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het Openbaar Ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard. Het is de rechtbank niet gebleken dat in de onderhavige zaak van een dergelijke situatie sprake is. Het verweer wordt verworpen.

3.3 Schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. De afspraak tussen de Staat der Nederlanden en [persoon 1]

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de op artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering gebaseerde afspraak tussen de Staat der Nederlanden en [persoon 1], door of namens partijen ondertekend op tijdstippen in juni 2011 - hierna: de afspraaki - binnen de grenzen van het recht is gebleven.

De rechtbank dient de rechtmatigheid van de afspraak te beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden op het moment dat de afspraak tussen partijen tot stand kwam. Feiten en omstandigheden die na de totstandkoming van de afspraak hebben plaatsgevonden, kunnen de rechtmatigheid van de afspraak niet aantasten.

De afspraak

[persoon 1] heeft zich verbonden om (als getuige) onvoorwaardelijk, zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid zijn medewerking te verlenen aan het afleggen van verklaringen over een zevental in de afspraak aangeduide gepleegde strafbare feiten, te weten:

- het (mede)plegen van het teweegbrengen van een ontploffing met gemeen gevaar voor goederen in Amsterdam;

- het (mede)plegen van poging tot moord, subsidiair het plegen van voorbereiding tot moord op [persoon 3] (hierna: [persoon 3]);

- het (mede)plegen van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen in een loods in Zaandam;

- het (mede)plegen van brandstichting met gemeen gevaar voor goederen in een expositiehal in Maastricht;

- met betrekking tot het eerste feit: het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een handgranaat en een gestolen auto;

- met betrekking tot het tweede feit: het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en een gestolen auto;

- het (mede)plegen van diefstal met braak en oplichting.

De Staat der Nederlanden heeft zich verbonden om [persoon 1] door de officier van justitie te laten vervolgen voor genoemde feiten en [persoon 1] de toezegging te doen dat bij onverkorte nakoming van de afspraak door [persoon 1] voor diens aandeel in die feiten een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren zal worden geëist, uitgaande van een basis strafeis van twaalf jaren cel. Bovendien is afgesproken dat de officier van justitie positief zal adviseren indien [persoon 1] een verzoek tot gratie indient van een nog openstaande taakstraf van 200 uren en een geldboete van € 900,-.

Rechtmatigheid van de afspraak

De rechtbank toetst of de afspraak in dit geval rechtmatig was en zal daarnaast ingaan op gevoerde verweren met betrekking tot de afspraak. Ofschoon de afspraak niet in een gerechtelijk vooronderzoek tegen alle verdachten is gemaakt en niet alle raadslieden zich achter de nader te noemen verweren hebben geschaard, acht de rechtbank het aangewezen dat in elk vonnis, dat dit proces [X] voortbrengt, de gevoerde verweren met betrekking tot de rechtmatigheid van de afspraak worden besproken.

Het standpunt van de verdediging over de afspraak

Namens enkele verdachten is naar voren gebracht dat de route naar de afspraak en de bereidheid tot het afleggen van verklaringen niet geheel te toetsen is in het voorliggende dossier, dat er geen dringende noodzaak voor de afspraak was, dat niet is voldaan aan de proportionaliteitseis en dat de basis strafeis te laag is gesteld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie over de afspraak

Het Openbaar Ministerie heeft naar voren gebracht dat het volledige openheid van zaken heeft gegeven over de onderhandelingen met [persoon 1], over zijn kluisverklaringen en over wat aan hem toegezegd is in ruil voor zijn verklaringen. Uit het dossier blijkt niet van bemoeienissen van [persoon 1]s broer of van John van de Heuvel bij wat [persoon 1] met het Openbaar Ministerie en de politie heeft besproken. De noodzakelijkheid van de - toen nog te maken - afspraak is getoetst door de rechter-commissaris en die heeft de voorgenomen afspraak rechtmatig geoordeeld. De afspraak was nodig voor een succesvolle vervolging van [persoon 4] (hierna: [persoon 4]) en [persoon 5]. Tot slot is de strafeis tegen [persoon 1] door het Openbaar Ministerie uitgelegd. Die is passend en het Openbaar Ministerie blijft daarbij.

Beoordeling door de rechtbank

De beoordeling houdt in of de afspraak met [persoon 1] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van strafbare feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de afspraak ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.

Naast de wettelijke regels waaraan de afspraak van artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering moet voldoen, dient de officier van justitie zich te houden aan de regels, neergelegd in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: Aanwijzing), in werking getreden op 1 april 2006. Hierin heeft het College van procureurs-generaal beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g en volgende van het Wetboek van Strafvordering. De Aanwijzing schrijft voor dat de officier van justitie bij het doen van de toezegging rekening dient te houden met de vereisten van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en interne openbaarheid. De Aanwijzing voorziet in duidelijke procedurele waarborgen doordat de Centrale Toetsingscommissie, het College van procureurs-generaal en zo nodig de Minister van Justitie de voorgenomen afspraak toetsen alvorens deze tot stand komt. De wet en de Aanwijzing voorzien in transparantie over de (totstandkoming van de) gemaakte afspraken naar de rechter en de verdediging en in toetsing van de uiteindelijke afspraak door de rechter-commissaris en de zittingsrechter aan de eisen van onder meer proportionaliteit en subsidiariteit.

Gelet op de wetsgeschiedenis is het maken van een afspraak als de onderhavige alleen toelaatbaar als uiterste redmiddel in zaken van georganiseerde criminaliteit of in zaken van leven en dood. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [persoon 1] over het teweegbrengen van een ontploffing, (de voorbereiding van) een poging tot moord op [persoon 3] en de brandstichtingen in Zaandam en Maastricht betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank komt tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een afspraak met [persoon 1] te komen. [persoon 1] kon immers verklaren over een aantal ernstige tot zeer ernstige strafbare feiten waarvan aannemelijk was dat zonder die verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot inhoudelijk relevante opsporing en vervolging van verdachten kon worden overgegaan. Zo was - ten tijde van de totstandkoming van de afspraak - met betrekking tot de aanslag op [persoon 3] in Gouda uitsluitend [persoon 1] in beeld en dan alleen voor wat betreft bedreiging. Voor de aanslag met de handgranaat was zelfs nog niemand in beeld van politie en justitie. Verder betroffen de verklaringen van [persoon 1] niet alleen vermeende uitvoerders en vermeende tussenpersonen, maar ook vermeende opdrachtgevers.

[persoon 1] heeft verklaard zelf de uitvoerende rol te hebben gespeeld in het zwaarste delict dat het dossier [X] kent: de poging tot moord op [persoon 3]. [persoon 1] heeft ook verklaard betrokken te zijn geweest bij de in zwaarte opvolgende delicten in dit dossier. De rechtbank overweegt ambtshalve dat deze omstandigheid geen overschrijding van de grenzen van juiste proporties meebrengt, nu [persoon 1] kon verklaren over vermeende opdrachtgevers van dit feit die eerder geheel buiten beeld van politie en justitie waren gebleven. Het spreekt voor zich dat een getuige die vanuit het criminele circuit zo uitgebreid kan verklaren over een reeks van strafbare feiten over een reeks van jaren, zelf veelal ook ernstige strafbare feiten zal hebben begaan. De wetgever heeft de mogelijkheid van een afspraak met een criminele getuige echter juist met het oog op de bestrijding van zeer ernstige criminaliteit in het leven geroepen.

Onder deze omstandigheden heeft het Openbaar Ministerie zonder overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit een afspraak met [persoon 1] kunnen sluiten waarbij hem de maximaal mogelijke strafkorting werd toegezegd.

Het verweer van de verdediging dat zij zich geen goed beeld kan vormen over de route naar de afspraak, is expliciet gevoerd met het oog op bewijsuitsluiting. Voor zover ook is beoogd te betogen dat mogelijk sprake is geweest van een rechtens onaanvaardbare externe beïnvloeding van [persoon 1] bij het maken van de afspraak, vindt dat betoog geen steun in het dossier in het algemeen en de resultaten van de verhoren van de broer van [persoon 1] en [persoon 6] in het bijzonder. Met betrekking tot het verhoor van de broer van [persoon 1] zij hier tot slot nog opgemerkt dat door diverse raadslieden is nagelaten om gebruik te maken van de door de rechter-commissaris geboden gelegenheid om vragen op te geven voor het verhoor, dat om medische redenen buiten aanwezigheid van het Openbaar Ministerie en de verdediging moest plaatsvinden.

De verdediging heeft gesteld dat de tegen [persoon 1] geformuleerde basis strafeis van twaalf jaren niet in verhouding is met de door hem gepleegde feiten of de tegen medeverdachte Zegerius geëiste straf en dat feitelijk sprake is van 'een toezegging van een kwart van de in die lijn te eisen straf'. De verdediging stelt zich hier kennelijk op het standpunt dat de basis strafeis verhoudingsgewijs zo laag is dat sprake is van een verkapte toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank overweegt op dit punt als volgt.

Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basis strafeis geldt dat het Openbaar Ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft, welke de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basis strafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basis strafeis heeft kunnen komen.

Bij de vaststelling van de basis strafeis heeft het Openbaar Ministerie bij requisitoir in de zaak tegen [persoon 1] in de eerste plaats de ernst van de feiten in aanmerking genomen, met de volgende opbouw van deze strafeis: voor de twee gevallen van brandstichting twee jaar cel, voor de diefstal met braak drie maanden cel, voor de granaataanslag één jaar en negen maanden cel en voor de poging tot moord acht jaar cel. Daarnaast is rekening gehouden met het feit dat [persoon 1] een zelfmelder was en eigener beweging een groot aantal strafbare feiten heeft opgebiecht, de opsporing waarnaar hij niet alleen heeft geholpen maar die hij ook heeft geïnitieerd, omdat voor bijna alle strafbare feiten geen daderindicatie bestond. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie overwogen dat [persoon 1] onder druk en dreiging tot het plegen van de strafbare feiten is overgegaan, er financieel nauwelijks wijzer van is geworden, en dat met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening diende te worden gehouden.

Dit overziende acht de rechtbank de basis strafeis van twaalf jaren niet zo onverklaarbaar laag dat kennelijk sprake zou zijn van een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Derhalve acht de rechtbank de afspraak met [persoon 1] ook op dit punt niet onrechtmatig. De verweren worden verworpen.

Samenvatting en conclusie

De afspraak met [persoon 1] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het Openbaar Ministerie heeft het maken van de afspraak op goede gronden dringend noodzakelijk geacht en heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Uit de omvang van de vervolging noch uit de strafeis kan worden afgeleid dat aan [persoon 1] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank concludeert dat zij geen redenen ziet om aan te nemen dat de officier van justitie zich niet aan de wet of de Aanwijzing zou hebben gehouden. De afspraak is rechtmatig.

5. De verklaringen van kroongetuige [persoon 1]

Het onderwerp van de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1] is door zowel het Openbaar Ministerie als de verdediging aan de orde gesteld. Een kritische benadering van de verklaringen van een kroongetuige ligt voor de hand nu hij van het Openbaar Ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen. Deze bijzondere positie maakt dat de verklaringen van [persoon 1] met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd.

Bruikbaarheid van de verklaringen van [persoon 1]

Artikel 360, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat de rechter een bijzondere motiveringsplicht heeft indien de verklaringen van de kroongetuige voor het bewijs worden gebruikt. De enige begrenzing die de wetgever geeft aan het gebruik van de verklaring van een kroongetuige tot het bewijs, ligt besloten in artikel 344a, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering. Dit voorschrift houdt in dat de ondersteuning van de verklaring van een kroongetuige niet mag worden gevonden in de verklaring van een andere kroongetuige. Voor het overige gelden voor het gebruik van de verklaringen van een kroongetuige de gebruikelijke regels van het bewijsminimum zoals vastgelegd in artikel 342, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering. Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat de verklaringen van [persoon 1] minder bruikbaar zijn en hooguit als steunbewijs kunnen dienen, wordt dat, gelet op het voorgaande, door de rechtbank niet onderschreven. Waar het de de auditu-verklaringen van [persoon 1] betreft, zijn deze in beginsel bruikbaar voor bewijs, indien de verdediging de gelegenheid heeft gehad om [persoon 1] te bevragen. Dat heeft zij, zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting. Het zou dan ook te ver gaan om in het algemeen aan de verklaringen van [persoon 1] reeds daarom op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, temeer daar de belangrijkste beweerde bron van de de auditu-verklaringen, [persoon 4], zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het enkel ontkennen van de beweringen van [persoon 1].

Betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 1]

Op de rechtbank is [persoon 1], in zijn wijze van verklaren bij de politie en bij de rechter-commissaris maar ook ter terechtzitting, zelfverzekerd, helder en in grote lijnen consistent overgekomen. Aan deze algemene positieve indruk draagt bij dat [persoon 1] zichzelf heeft belast in zaken waarin hij tot op dat moment bij politie en justitie in het geheel niet in beeld was gekomen en dat zijn, op punten gedetailleerde, verklaringen grotendeels bevestiging krijgen in overige onderzoeksbevindingen. Dat dat niet voor alle onderzoeksbevindingen geldt, is niet verwonderlijk nu [persoon 1] over vele feiten heeft verklaard, die soms flink in het verleden lagen.

6. Vrijspraak ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

6.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht het medeplegen bewezen van het voorhanden hebben van de (ruim) 28 kilogram hennep die op 20 maart 2012 tijdens een doorzoeking in beslag is genomen op de Irenestraat. Er is voldaan aan de drie vereisten die aan het voorhanden hebben worden gesteld: aanwezigheid, bewustheid van die aanwezigheid en een zekere machtsrelatie tot de aangetroffen hennep.

Het Openbaar Ministerie komt tot een bewezenverklaring op grond van de volgende feiten en omstandigheden. Uit de informatie van de politie en de verklaring van [persoon 1] blijkt dat medeverdachte [persoon 2] frequent verblijft op het adres [adres 1] waar zijn vriendin [persoon 7] (hierna: [persoon 7]) woont en dat [persoon 7] zich bezighield met het bewaren van hennep voor de broers [familienaam verdachte]. Voorts heeft medeverdachte [persoon 2] erkend dat hij meerdere adressen heeft om te verblijven en is in de woning [adres 1] een door verdachte en medeverdachte [persoon 2] ingesproken instructie voor de hennepkweek aangetroffen. Het moge zo zijn dat niet vaststaat dat wat daar besproken wordt direct is te relateren aan precies deze partij hennep, maar wat er wel overduidelijk uit blijkt is dat de beide heren [familienaam verdachte] kennelijk directe bemoeienis hebben met de hennepproductie en - verwerking door [persoon 7]. Tot slot hebben verdachte en medeverdachte [persoon 2] niets willen verklaren, terwijl de aangetroffen situatie wel om een uitleg vraagt.

Verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde voorhanden hebben van 721 gram hennep.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van het ten laste gelegde aanwezig hebben van hennep dient te worden vrijgesproken nu wettig bewijs hiervoor ontbreekt.

Ten eerste is de hennep aangetroffen in de woningen van twee vrouwen met wie de broer van verdachte een relatie zou hebben (gehad), en niet is gebleken dat de hennep zich in de machtssfeer van verdachte heeft bevonden. Daarnaast kan de geluidsopname van een uitleg over een hennepkwekerij niet voor het bewijs gebruikt worden, nu onduidelijk is waarop de herkenning van de stem van verdachte is gebaseerd en niet duidelijk is wanneer de opname is gemaakt. Daarnaast staat op de telefoon van verdachte geen foto van een schakelbord, zoals het Openbaar Ministerie stelt, maar van een printplaat uit de papierpers van verdachte. Voorts betekent het aantreffen van foto's op de mobiele telefoon van een hennepkwekerij nog niet dat dit in verband is te brengen met de aangetroffen hennep. Immers, niet is duidelijk wanneer en waarmee de foto's zijn gemaakt. Voorts is niet gebleken van een relatie tussen het aangetroffen hennepafval op het perceel van verdachte en de in de tenlastelegging genoemde hennep. Het feit dat verdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, kan een rol spelen in de overtuiging, maar kan niet worden gebruikt als zelfstandig bewijsmiddel. Tot slot bevat het dossier geen bewijs voor het medeplegen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, al dan niet als medepleger, moet zijn voldaan aan de criteria aanwezigheid, machtsrelatie en bewustheid. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte de hoofdzakelijk in de schuur van de woning aan de [adres 2] aangetroffen hennep (totaal 721 gram) opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Over de ruim 28 kilo hennep, die op de zolder van de woning aan de [adres 1] is aangetroffen, overweegt de rechtbank dat de door het Openbaar Ministerie aangevoerde bewijsmiddelen - dat de broer van verdachte deze woning frequenteert, dat de vriendin van de broer van verdachte zich zou bezighouden met het bewaren van hennep voor de broers en dat op dit adres een geluidsbestand is aangetroffen waarop verdachte spreekt over hennepteelt - niet tot de conclusie kunnen leiden dat verdachte een machtsrelatie heeft gehad ten aanzien van de hennep op de [adres 1]. De vondst van knipresten hennep in een container achter de woning van verdachte maakt dit niet anders. Verdachtes zwijgen leidt in dit geval ook niet tot een andere conclusie. Verdachte dient dus ook van dit onderdeel van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

7. Vrijspraak ten aanzien van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde

7.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht het ten laste gelegde voorhanden hebben van een pepperspray, een vilmes en een boksbeugel bewezen.

Op 20 maart 2012 is tijdens een doorzoeking op het adres [adres 3] te [plaats] een busje pepperspray (in de keuken), een houten vilmes (op een plank boven het bed in de slaapkamer) en een boksbeugel (op een plank boven het nachtkastje in de slaapkamer) in beslag genomen. Verdachte stond ingeschreven en woonde op dit adres. Er is voldaan aan de drie vereisten voor het 'voorhanden hebben' in de betekenis van artikel 26 van de Wet wapens en munitie. In de woning waren ook de partner en de kinderen van verdachte aanwezig, maar dat één van hen of iemand anders verantwoordelijk is voor de aanwezigheid van de wapens in de woning van verdachte is niet gesteld noch aannemelijk gemaakt. Onder de geschetste omstandigheden mag ervan worden uitgegaan dat verdachte zich bewust is geweest van die aanwezigheid en over de wapens kon beschikken, mede gelet op zijn eigen verklaring ('misschien heb ik de spullen wel gevonden en binnen gelegd, maar nu kan ik mij er niks van herinneren'), het feit dat hij de hoofdbewoner was en zijn statuur als doorgewinterde klant van justitie. Verdachte weigert om ook maar enige verklaring af te leggen over de aangetroffen spullen, terwijl de vondst wel vraagt om een inhoudelijke reactie. In een dergelijk geval kan en mag een verweer zich niet beperken tot wedervragen over de precieze toestand waarin de wapens werden aangetroffen.

Door de verdediging wordt betwist dat het om pepperspray gaat, maar dat is niet ten laste gelegd. Het gaat om een busje met een vloeistof die voldoet aan de omschrijving van categorie II onder 6 van de Wet wapens en munitie.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich ten eerste op het standpunt dat geen sprake is van pepperspray, aangezien het dossier geen duidelijkheid geeft over de samenstelling van de aangetroffen stof en aldus op basis van het dossier niet is vast te stellen of het pepperspray betreft. Voorts blijkt uit het dossier niet afdoende dat het gaat om een verstikkende weerloosmakende en/of traanverwekkende stof.

Daarnaast is er geen sprake geweest van beschikkingsmacht. Zowel de boksbeugel als het vilmes zijn aangetroffen in de slaapkamer van de meerderjarige dochters van verdachte en de pepperspray is in de keuken, niet het domein van verdachte, in beslag genomen. Verdachte heeft deze voorwerpen niet voorhanden gehad, nu er geen relatie is tussen hem, de plaats waar de voorwerpen zijn aangetroffen en de voorwerpen zelf. Dat verdachte verklaart 'misschien wel de spullen gevonden te hebben en binnen gelegd maar zich er niets meer van te kunnen herinneren', betekent nog niet dat hij (a) wetenschap had van deze zaken, (b) deze zich in zijn machtssfeer bevonden en (c) hij zich bewust was van de aanwezigheid van deze spullen. Verdachte dient daarom vrijgesproken te worden van het ten laste gelegde, aldus de verdediging.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. Op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat de boksbeugel en het vilmes niet zijn aangetroffen in de slaapkamer van verdachte maar in die van zijn dochters. Het standpunt van het Openbaar Ministerie dat verdachte deze wapens dus voorhanden heeft gehad, is te kort door de bocht. De dochters van verdachte waren ten tijde van de doorzoeking meerderjarig en het door de verdediging geschetste scenario dat deze dochters de wapens buiten medeweten van verdachte op hun slaapkamer hebben bewaard, kan dus niet zo maar worden gepasseerd. De opmerking van het Openbaar Ministerie dat deze dochters zich bij een verhoor toch wel op hun zwijg- of verschoningsrecht zouden hebben beroepen, is speculatief en kan niet vergoeden dat is nagelaten hen hierover te verhoren. De rechtbank komt tot de slotsom dat niet is komen vast te staan dat ten aanzien van verdachte is voldaan aan de criteria van machtsrelatie en bewustheid. Hij moet worden vrijgesproken.

Daarnaast is uit de op de doorzoeking betrekking hebbende stukken en voorhanden zijnde stukken niet geheel duidelijk waar de pepperspray is aangetroffen. Weliswaar vermeldt de 'Legenda zoeking' onder het betreffende item HE02R.02.01 'keuken, doorgang keuken'ii, maar onduidelijk is gebleven hoe en waar precies het busje lag, bijvoorbeeld of het in het zicht lag of niet. Op basis van dit onderzoek kan niet boven redelijke twijfel worden vastgesteld dat ten aanzien van verdachte aan alle drie voornoemde criteria is voldaan, reden waarom verdachte ook van dit onderdeel dient te worden vrijgesproken. Om die reden behoeven de overige door de verdediging gevoerde verweren geen bespreking meer.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verdachte van alle hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

8. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 6 maart 2013 ter terechtzitting van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie van het Landelijk Parket te Schiphol in de zaak met parketnummer 20/004013-07, betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 8 september 2008 van het gerechtshof Den Bosch en het arrest van 25 januari 2011 van de Hoge Raad, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden en één week, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot vier maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een brief waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte per post is verzonden.

Gebleken is dat verdachte niet veroordeeld wordt voor enig strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank zal derhalve de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling afwijzen.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

WIJST AF de vordering tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 20/004013-07.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J. Diemer, voorzitter,

mrs. H.A. van Eijk en J.O. Rutten, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. J.E. van Bruggen en I. Verkaik, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2013.

i De rechtbank doelt hier op de "Overeenkomst als bedoeld in de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken", door [persoon 1] ondertekend op 22 juni 2011 en namens de Staat der Nederlanden ondertekend op 23 en 27 juni 2011.

ii Pag. 808 / Beslagdossier (een geschrift, te weten een legenda zoeking van 20 maart 2012).

??

??

??

??

Vonnis d.d. 3 mei 2013 inzake [verdachte]

Parketnummers: 13/977005-11 en 20/004013-07 (tul)

2

12