Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1664

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
03-06-2013
Zaaknummer
C/13/539582 / KG ZA 13-432 SR/EB
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Hema bootst sfeerlichthouders van eisetres niet slaafs na. Van slaafse nabootsing is bijvoorbeeld sprake als het publiek het later in de markt geplaatste product voor het origineel kan houden, of wanneer de producten wel verschillen, maar toch zodanige overeenstemmende kenmerken vertonen dat het publiek kan menen dat beide producten door dezelfde producent zijn vervaardigd. Hema houdt door het gebruikte materiaal en model voldoende afstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/539582 / KG ZA 13-432 SR/EB

Vonnis in kort geding van 28 mei 2013

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] B.V.,

gevestigd te Duivendrecht,

eiseres bij dagvaarding van 26 april 2013,

advocaat mr. J.S. Hofhuis te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEMA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Odink te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [X] en Hema worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 14 mei 2013 heeft [X] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Hema heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter zitting waren aan de zijde van [X] aanwezig [A] en [B], directeuren, met mr. Hofhuis. Aan de zijde van Hema waren aanwezig [C], [functie], en [D], [functie], met mr. Odink.

2. De feiten

2.1. [X] is een Amsterdamse groothandel die zich bezighoudt met het ontwerpen en verkopen van interieurartikelen en –accessoires. De producten van [X] worden onder meer verkocht in twee winkels in Amsterdam en via internet.

2.2. Sinds begin 2011 brengt [X] tulpvormige sfeerlichthouders op de markt, die gemaakt zijn van dun ongeglazuurd porselein, spierwit van buiten en met een contrasterende kleur aan de binnenzijde. Het porselein is zo dun dat wanneer er een kaarsje in wordt gebrand, het licht daarvan door het porselein heen schijnt. De sfeerlichthouders worden in twee maten en in 26 kleuren gevoerd, waaronder de kleuren geel, roze, blauw, groen en grijs. Twee voorbeelden van deze sfeerlichthouders (in de grote maat) worden hieronder afgebeeld.

2.3. Recent heeft [X] geconstateerd dat Hema in haar filialen en op haar website tulpvormige bakjes verkoopt die van dun metaal zijn vervaardigd, spierwit van buiten en met een contrasterende kleur aan de binnenzijde. Het metaal is niet lichtdoorlatend. Deze bakjes worden eveneens verkocht in twee maten, in de kleuren geel, roze, blauw, groen en grijs, en kosten ongeveer de helft van de sfeerlichthouders van [X]. Twee voorbeelden van de door Hema aangeboden bakjes (in de grote maat) zijn hieronder afgebeeld.

In haar filialen prijst Hema de bakjes als volgt aan:

“Of je er nu borrelnootjes of een waxinelichtje in doet, met deze vrolijke metalen bakjes maak je er op tafel een feestje van.”

3. Het geschil

3.1. [X] vordert, kort gezegd:

A) Hema te gebieden elk gebruik van de onder 2.3 beschreven sfeerlichthouders of andere daarop gelijkende producten waarmee nodeloos verwarring wordt gewekt met de sfeerlichthouders van [X] te staken;

B) Hema te gebieden de onder A) bedoelde sfeerlichthouders terug te nemen bij alle opslagadressen en verkooppunten;

C) Hema te gebieden haar gehele voorraad van de onder A) bedoelde sfeerlichthouders te vernietigen;

D) Hema te gebieden opgave te doen van de gegevens die [X] nodig heeft voor het berekenen van de door haar geleden schade en de door Hema gemaakte winst;

E) al het voorgaande op straffe van dwangsommen;

F) Hema te veroordelen in de proceskosten.

3.2. Aan haar vordering legt [X] ten grondslag, samengevat weergegeven, dat Hema de door [X] ontworpen sfeerlichthouder slaafs heeft nagebootst, waardoor gevaar voor verwarring bij het publiek is ontstaan. Daarmee bedrijft Hema volgens [X] ongeoorloofde concurrentie.

3.3. Hema voert verweer, waarop voor zover van belang hierna, bij de beoordeling, zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De vordering van [X] is in kort geding alleen toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter het standpunt van [X] zal volgen en indien van haar niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.2. [X] heeft er om haar moverende redenen voor gekozen om haar vordering niet (tevens) te gronden op auteursrechtinbreuk, maar alleen op slaafse nabootsing. Voor slaafse nabootsing geldt als uitgangspunt dat profijt trekken van de aantrekkelijkheid van het product van een ander op zichzelf niet in strijd is met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt, ook dan niet als dit profijt trekken de ander concurrentie aandoet en hem daardoor nadeel toebrengt. Van slaafse nabootsing is zelfs geen sprake wanneer bij het publiek verwarring kan ontstaan tussen beide producten. Het nabootsen is alleen dan ongeoorloofd, wanneer de navolger zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van zijn product afbreuk te doen op bepaalde punten net zo goed een andere weg had kunnen inslaan en hij door dit na te laten onnodig verwarring sticht. Van slaafse nabootsing is bijvoorbeeld sprake als het publiek het later in de markt geplaatste product voor het origineel kan houden, of wanneer de producten wel verschillen, maar toch zodanige overeenstemmende kenmerken vertonen dat het publiek kan menen dat beide producten door dezelfde producent zijn vervaardigd. Bij het voorgaande dient in het oog te worden gehouden dat stijlen, of kenmerken daarvan, in beginsel niet onder de bescherming van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek vallen. De vordering is dan ook alleen toewijsbaar indien Hema de sfeerlichthouders van [X] min of meer heeft gekopieerd.

4.3. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om eerst het subsidiaire verweer van Hema, dat er geen sprake is van onnodig verwarringsgevaar, te bespreken. Daartoe zullen beide producten met elkaar worden vergeleken. De sfeerlichthouders van [X] zijn gemaakt van mat, ongeglazuurd biscuitporselein, zo dun dat het licht doorlaat wanneer er een kaarsje in wordt gebrand. De sfeerlichthouders ogen daardoor teer. De bakjes van Hema daarentegen zijn gemaakt van glanzend metaal, waardoor zij geen licht doorlaten. Dat metaal geen licht doorlaat, wordt bij een gemiddelde consument bekend verondersteld. De bakjes van Hema ogen onbreekbaar. Hierdoor, in combinatie met het feit dat zij iets lager en wijder zijn dan de sfeerlichthouders van [X], zijn de bakjes van Hema ook geschikt om bijvoorbeeld borrelnootjes in te serveren, iets waarvoor de sfeerlichthouders van [X] niet gemaakt lijken te zijn. Het materiaal van de sfeerlichthouders is daarvoor immers te kwetsbaar, ongeglazuurd porselein is niet geschikt voor ‘food’ producten en het model is daarvoor te nauw. Deze verschillen zijn ook waarneembaar wanneer de producten los van elkaar worden bekeken. Dat beide producten in twee maten worden gemaakt en in meerdere kleuren verkrijgbaar zijn, is – afgezet tegen het verschil in uiterlijk en uitstraling tussen beide producten – onvoldoende om bij de gemiddelde consument de indruk te wekken dat hij met een bakje van Hema een sfeerlichthouder van [X] in handen heeft, of dat beide producten dezelfde herkomst hebben. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Hema het nodige gedaan om het gevaar dat beide producten onnodig met elkaar worden verward, te voorkomen. Vooralsnog is dan ook onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat sprake is van slaafse nabootsing. Het primaire verweer van Hema, dat de sfeerlichthouders van [X] geen eigen plaats in de markt hebben, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking meer. De slotsom is dat de vordering zal worden afgewezen.

4.4. [X] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Hema worden begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.405,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [X] in de proceskosten, aan de zijde van Hema tot op heden begroot op € 1.405,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sj.A. Rullmann, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2013.