Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA1382

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
531035 / HA ZA 12-1427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incident tot zekerheidstelling. Tussen partijen is in geschil of eiser sub 1 in de hoofdzaak enkel woonachtig is in de Verenigde Staten of ook in het Verenigd Koninkrijk. Op grond van artikel 17 van het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering kan aan een onderdaan van het Verenigd Koninkrijk geen verplichting tot zekerheidstelling worden opgelegd. Ook aan een natuurlijk persoon woonachtig in de Verenigde Staten kan geen verplichting tot zekerheidstelling worden opgelegd. Uit artikel V lid 1 van het tussen Nederland en de Verenigde Staten gesloten Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart van 27 maart 1956 (Trb 1956/40) in verbinding met artikel 5 van het bij het verdrag behorend protocol vloeit immers voort dat onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten in Nederland vrijgesteld zullen zijn van het storten van een waarborgsom voor proceskosten (JPBR 2008, 46). Incidentele vordering tot zekerheidstelling wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/531035 / HA ZA 12-1427

Vonnis in incident van 17 april 2013

in de zaak van

1. [A],

wonende te --,

2. [B],

wonende te --,

eisers in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat mr. H.M. Punt,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

O'DONNELLS IRISH PUB (UTRECHT) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [C],

wonende te --,

gedaagde,

eiser in het incident,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer.

Eiser in het incident zal hierna [C] genoemd worden. Voor zover [C] en O’Donnell’s gezamenlijk worden aangeduid, zullen zij O’Donnell’s c.s. genoemd worden.

Gedaagden in het incident zullen hierna gezamenlijk [A] c.s. genoemd worden en ieder afzonderlijk [A] en [B].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 oktober 2012, met producties,

- de incidentele conclusie strekkende tot het stellen van zekerheid van [C], met producties,

- de conclusie van antwoord in het incident van [A] c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. Het geschil in het incident

2.1. [C] vordert [A] c.s. te veroordelen tot het stellen van zekerheid tot een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het incident.

2.2. [C] legt daaraan het volgende ten grondslag. [A] is woonachtig in New York (Verenigde Staten). Hoewel Nederland en de Verenigde Staten het Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart van 27 maart 1956 (Trb 1956/40) hebben gesloten, dat ondermeer ziet op wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken, is dit verdrag alleen van toepassing op onderdanen van de verdragsluitende partijen. [A] is geen onderdaan van de Verenigde Staten en is daarom op grond van het in artikel 224 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalde verplicht om zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij kan worden veroordeeld. Ten aanzien van [B] geldt dat hij niet woonachtig is in Belfast (Verenigd Koninkrijk) maar in Stockton on Tees (Verenigd Koninkrijk). Nu [B] verwarring heeft veroorzaakt over zijn woonplaats is hij op grond van het in artikel 224 lid 1 Rv bepaalde verplicht om zekerheid te stellen voor de proceskosten waarin hij kan worden veroordeeld, aldus steeds [C].

2.3. [A] c.s. voert verweer. [A] verblijft regelmatig in New York, maar is mede woonachtig in Bedfordshire (Verenigd Koninkrijk). [B] is woonachtig in Belfast. Stockton on Tees is zijn geboorteplaats. Zowel Belfast als Stockton on Tees zijn gelegen in het Verenigd Koninkrijk. Nu het de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in artikel 17 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1957 niet is toegestaan om zekerheidsstelling op te leggen aan onderdanen van het Verenigd Koninkrijk, dient de incidentele vordering te worden afgewezen, aldus steeds [A] c.s.

2.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3. De beoordeling in het incident

3.1. Op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv is een in het buitenland woonachtige eisende partij op vordering van de wederpartij verplicht zekerheid te stellen voor de proceskosten. Die verplichting bestaat op grond van artikel 224 lid 2 Rv niet, indien dit voortvloeit uit een verdrag of een EG-verordening.

3.2. Zowel Nederland als het Verenigd Koninkrijk zijn partij bij het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering (1954). Krachtens artikel 17 van dit verdrag kan geen zekerheidstelling worden opgelegd aan onderdanen van één van de verdragsluitende staten, die in één van die staten hun verblijfplaats hebben.

3.3. Partijen zijn het erover eens dat [B] woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk. Gelet op voorgaande betekent dat, dat aan hem geen zekerheidsstelling kan worden opgelegd. Er bestaat geen rechtsregel op grond waarvan dit anders is als er verwarring bestaat over de vraag in welke woonplaats van het Verenigd Koninkrijk de onderdaan verblijft.

3.4. De rechtbank is van oordeel dat aan [A] evenmin zekerheidsstelling kan worden opgelegd en overweegt daartoe het volgende. Partijen twisten over de vraag of [A] in New York woonachtig is, zoals [C] heeft gesteld, of dat hij zowel in New York als in Bedfordshire woonachtig is, zoals [A] heeft aangevoerd. Zoals hiervoor reeds is overwogen zijn Nederland en het Verenigd Koninkrijk partij bij het Verdrag betreffende de burgerlijke rechtsvordering. Indien vast zou komen te staan dat [A] (tevens) woonachtig is in Bedfordshire, dan geldt dat aan hem op grond van dit verdrag geen zekerheidsstelling mag worden opgelegd. Indien vast zou komen te staan dat [A] enkel woonachtig is in New York, dan moet aansluiting worden gezocht bij het tussen Nederland en de Verenigde Staten gesloten Verdrag van Vriendschap, Handel en Scheepvaart van 27 maart 1956 (Trb 1956/40). Uit artikel V lid 1 van dit verdrag in verbinding met artikel 5 van het bij het verdrag behorend protocol vloeit voort dat onderdanen en vennootschappen van de Verenigde Staten in Nederland vrijgesteld zullen zijn van het storten van een waarborgsom voor proceskosten. Op grond van dit verdrag is het derhalve niet mogelijk om aan een natuurlijk persoon woonachtig in de Verenigde Staten een zekerheidsstelling op te leggen (JPBR 2008, 46).

3.5. Voorgaande betekent dat de incidentele vordering zal worden afgewezen. [C] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

4. De beslissing

De rechtbank

in het incident

4.1. wijst het gevorderde af,

4.2. veroordeelt [C] in de kosten van het incident, aan de zijde van [A] c.s. tot op heden begroot op € 452,00,

4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

4.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 mei 2013 voor conclusie van antwoord aan de zijde van O’Donnell’s c.s.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.B.M. Wijnveldt en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2013.?