Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0389

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
17-05-2013
Zaaknummer
13/671017-12 (Promis), 23/003748-10 (TUL) & 12/656266-12 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing, schakelbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/671017-12 (Promis), 23/003748-10 (TUL) & 12/656266-12 (TUL)

Datum uitspraak: 3 april 2013

Tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1979],

niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, gedetineerd in het Huis van Bewaring "[locatie]" te [plaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 maart 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Noordzij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. L. Rinsma naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij

hij op of omstreeks 28 december 2012 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [A] heeft gedwongen tot de afgifte van 75 euro, in elk geval een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [A], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, voornoemde [A] eenmaal of meermalen dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Geef mij 50 euro, ik heb een vuurwapen" en/of "geef mij 100 euro", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking;

(Artikel 317 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 Feiten en omstandigheden

3.1.1 De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.i

3.1.2 Op 28 december 2012 loopt [A] (hierna: [A]) over de Herengracht te Amsterdam als hij wordt aangesproken door een man. Deze man voldoet volgens [A] , voor zover hier relevant, aan het volgende signalement:

- ongeveer 25 tot 30 jaar oud, lichtgetinte huidskleur, normaal postuur, ongeveer 1.75 meter lang, kort donker haar en donkere broek

- dikke borstelige wenkbrauwen

- donkerblauw sportjack met een witte of grijze letter "C" ter hoogte van het hart

- ziet eruit als een drugsgebruiker: zijn lippen zijn stuk en zijn tanden geel en vuil. ii

3.1.3 [A] negeert de man in de hoop dat deze hem verder met rust laat. De man komt echter achter [A] aan en vraagt hem waar hij vandaan komt. [A] antwoordt niet. De man vraagt [A] of hij cocaïne wil hebben. [A] antwoordt dat hij niets met drugs doet. Vervolgens zegt de man dat hij bij een streetgang hoort, die woont in het appartement waarvoor ze net langs zijn gelopen. [A] negeert hem nog steeds. Dan zegt de man dat hij een vuurwapen heeft en dat [A] hem € 50 moet geven. Als hij dat doet, zal hij geen probleem hebben, zegt de man. Als [A] zegt dat hij geen geld heeft, herhaalt de man dat hij een vuurwapen heeft en probeert hij [A] tegen te houden door zijn arm voor diens lichaam te houden. Omdat de man heel overtuigend overkomt geeft [A] hem dan € 50. Daar laat de man het niet bij. Hij zegt [A] dat hij aan hem € 100 moet geven. [A] geeft hem dan nog eens een biljet van € 20 en één van € 5. Dan draait de man zich om en loopt weg in de richting waar zij vandaan kwamen. iii

3.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Bewezen kan worden verklaard dat verdachte het slachtoffer [A] heeft afgeperst.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het signalement dat is opgegeven door de aangever op belangrijke punten niet overeenkomt met dat van verdachte, dat de elementen waarop verdachte wel aan het signalement voldoet niet onderscheidend zijn, dat de werkwijze van de feiten waarvoor verdachte eerder veroordeeld is voor de hand liggend is en geen specifiek patroon oplevert en dat sprake is van een enkelvoudige fotoconfrontatie, die naar zijn aard als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, temeer nu niet duidelijk is welke foto aan de aangever is getoond.

3.4 Het oordeel van de rechtbank

Op basis van de genoemde feiten en omstandigheden, gebaseerd op de verklaring van [A], acht de rechtbank bewezen dat [A] door een onbekende man is afgeperst. Dit is niet door de verdediging betwist.

3.4.1 Bewijsmiddelen

Vervolgens ligt de vraag voor of verdachte de onbekende man is geweest. Bij de beantwoording betrekt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen.

* Waarneming door verbalisant [B]:iv

Op donderdag 27 december 2012 reed ik op de Oudezijds Voorburgwal te Amsterdam. Aldaar zag ik een voor mij ambtshalve bekende nepdopeverkoper, te weten verdachte. Ik zag dat verdachte een donkerblauw sweaterjasje met een witte letter op zijn borst droeg.

* Waarneming verhorende verbalisanten:v

Tijdens het verhoor zagen wij, verbalisanten, dat er verschillende wondjes c.q. verkleuringen op zowel de boven- als de onderlip van verdachte zaten.

* Enkelvoudige fotoconfrontatie:vi

Op 29 december 2012 toonde ik een zogenaamde staande foto van verdachte aan [A]. [A] zei meteen en zonder aarzelen: "dit is zeker de man die mij beroofd heeft, ik herken hem voor 100 procent. Ik herken hem aan zijn jas, zijn gezicht en zijn borstelige wenkbrauwen".

* Aanhouding verdachte op 29 december 2012vii:

Ik verbalisant zag op 29 december 2012 de mij ambtshalve bekende, verdachte, lopen op de Prinsengracht. Ik zag dat hij een donkere jas droeg met een opvallende C erop.

3.4.2 Schakelbewijs

Voorts betrekt de rechtbank de volgende bewijsmiddelen als schakelbewijs in haar oordeel. Dit bewijs is immers redengevend voor het bewijs van het onderhavige ten laste gelegde feit en het ziet op bewezenverklaring van niet alleen soortgelijke maar ook in sterke mate daarop gelijkende strafbare feiten. Bovendien is de na te noemen bewezenverklaring, die hiermee wordt 'geschakeld', zelfstandig gefundeerd, gelet op het reeds hiervoor genoemde bewijs.

* Bevindingen verbalisant [C]:viii

Het is mij bekend dat in de periode van 11 januari 2012 tot 7 maart 2012 straatroven zijn gepleegd op of in de directe omgeving van de Herengracht gepleegd door een persoon die volledig voldeed aan het door [A] opgegeven signalement. De werkwijze van deze persoon bestond uit het afpersen van buitenlandse toeristen onder bedreiging van het feit, dat hij bij een streetgang zat, gangster was of dat de straat van hem was. Daarbij werd gedreigd met een vuurwapen. Voor deze feiten is verdachte op 13 maart 2012 aangehouden.

Verdachte is van de dag van de aanhouding tot 21 december 2012 gedetineerd geweest. In die tijd zijn op of in de directe nabijheid van de Herengracht geen straatroven met deze werkwijze gepleegd.

Bij de aanhouding op 13 maart 2012 droeg verdachte een jas die geheel voldeed aan de beschrijving die [A] gaf van de jas van de persoon die hem geld afperste.

* Vonnis rechtbank Amsterdam d.d. 2 augustus 2012 in de zaak tegen verdachte ix:

Dit vonnis houdt, voor zover hier relevant, in, dat de rechtbank - kort gezegd - bewezen acht dat verdachte

Feit 1:

op 7 maart 2012 te Amsterdam op het Singel een diefstal met bedreiging van geweld tegen [D] heeft gepleegd. De bedreiging met geweld bestond hierin dat verdachte tegen die [D] heeft gezegd "I have a Beretta 9mm, just give me 50 euro, you don't want to get shot you, I will shoot you if I don't get the money" en daarbij zijn, verdachte's hand onder zijn, verdachte's vest heeft gedaan als had hij, verdachte daar een vuurwapen en een voorwerp aan die [D] getoond en daarbij gezegd dat het een mes was.

De rechtbank heeft ten aanzien van dit feit vastgesteld dat de getuige de dader heeft horen zeggen dat er bendes waren, dat de straat waarin zij liepen van een bende was en dat de dader hen bescherming kon bieden.

Voorts heeft de rechtbank in dit vonnis - kort gezegd - bewezen geacht dat verdachte

Feit 3:

op 17 februari 2012 te Amsterdam op de Prinsengracht [E] onder bedreiging met geweld heeft afgeperst. De bedreiging met geweld bestond hierin dat verdachte in de Engelse taal tegen die [E] heeft gezegd: "ik ben een man van de straat, ik ben een gangster, geef me 50 euro of ik vermoord je" en in de Engelse taal tegen die [E] heeft gezegd dat hij een vuurwapen bij zich had.

3.4.3 Conclusie rechtbank

De rechtbank merkt ten aanzien van de enkelvoudige fotoconfrontatie op dat er in het dossier twee staande foto's zijn opgenomen met daarop een manspersoon met een jas met een letter C op de borst. Voorts wordt in het dossier melding gemaakt van het feit dat verdachte bij zowel zijn aanhouding op 13 maart 2012 als bij die op 29 december 2012 een jas droeg met een letter C erop. Hieruit leidt de rechtbank af dat deze foto's genomen zijn na de aanhouding in maart 2012 respectievelijk na de aanhouding in december 2012, en dat de persoon op de foto's telkens verdachte betreft. Welke van deze foto's aan [A] is getoond kan bij deze stand van zaken in het midden blijven.

Op grond van de weergegeven bewijsmiddelen, gezamenlijk en in onderlinge samenhang bezien, beantwoordt de rechtbank de vraag, of verdachte de dader is geweest bevestigend en acht zij de ten laste gelegde afpersing bewezen. De rechtbank tekent hierbij aan dat, zo al geoordeeld zou moeten worden dat bepaalde bewijsmiddelen een verminderde bewijswaarde hebben, dat niet tot een andere conclusie zou leiden, nu de bewijsmiddelen gezamenlijk en in onderlinge samenhang worden bezien.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

op december 2012 te Amsterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [A] heeft gedwongen tot de afgifte van 75 euro toebehorende aan [A], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte, voornoemde [A] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Geef mij 50 euro, ik heb een vuurwapen" en "geef mij 100 euro", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden die door de reclassering worden geadviseerd, met een proeftijd van 2 jaren, en voorts dat de beide vorderingen TUL worden toegewezen.

7.2. Het standpunt van de verdediging

Bij de strafmaat dient rekening te worden met de inhoud van het reclasseringsrapport, waaruit blijkt dat verdachte openstaat voor begeleiding om de problemen op de verschillende leefgebieden aan te pakken. Dat vormt aanleiding om een straf voor een groot deel voorwaardelijk op te leggen binnen een dwingend juridisch kader en maakt toewijzing van de vorderingen TUL niet langer opportuun. Daarom het verzoek om ten aanzien van die vorderingen de proeftijd te verlengen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij de strafoplegging wordt het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing door op klaarlichte dag in de binnenstad van Amsterdam een toerist te dwingen geld af te geven met de mededeling dat hij een vuurwapen bij zich zou hebben. Een beroving als deze is een heftige en beangstigende ervaring en het is een feit van algemene bekendheid dat een dergelijk feit langdurig nadelige psychische gevolgen kan veroorzaken bij de slachtoffers ervan. Bovendien dragen feiten als deze bij tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving als geheel en schaden zij de internationale reputatie van Amsterdam als aangename en veilige toeristische bestemming, zeker wanneer zoals hier het geval een toerist slachtoffer is.

In het bijzonder weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie reeds meermalen is veroordeeld voor soortgelijke, waaronder de hierna bij de vordering tenuitvoerlegging te bespreken veroordeling van 2 augustus 2012 van deze rechtbank.

Daar staat het volgende tegenover. Omtrent verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden is een reclasseringsrapport (d.d. 12 maart 2013) opgemaakt door reclasseringsmedewerker [F], welk rapport zij in haar verklaring als getuige ter terechtzitting heeft toegelicht. Daaruit blijkt dat verdachte op verschillende leefgebieden (werk & inkomen, huisvesting, relaties met familie en vrienden) aanzienlijke problemen ondervindt, die in de weg staan aan een stabiele levenssituatie zonder criminaliteit, en die mede maken dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Verdachte heeft echter, zoals ook de rechtbank op 2 augustus 2012 in haar vonnis heeft overwogen, niet eerder reclasseringscontact of andere hulpverlening gehad. Het reclasseringstoezicht dat in het vonnis van 2 augustus 2012 aan verdachte is opgelegd heeft slechts ruim een week geduurd, door de aanhouding in verband met de onderhavige zaak, te weten het bewezen verklaarde feit dat verdachte relatief kort na zijn vrijlating weer in oude criminele gewoontes is vervallen. Het contact van reclasseringsmedewerkster [F] met verdachte tijdens het kortstondige toezicht en daarna tijdens de totstandkoming van haar rapportage was echter zeer goed en daarin heeft verdachte motivatie getoond om aan toezicht deel te nemen. Verdachte heeft dit ter terechtzitting, zij het mondjesmaat, bevestigd. Of deze motivatie oprecht is en of verdachte deze kan vasthouden moet de tijd leren, zo concludeert de rapporteur.

Op grond van het voorgaande en in aanmerking genomen het grote belang van verdachte èn van de samenleving dat gepoogd wordt de problemen van verdachte het hoofd te bieden waardoor de kans dat hij opnieuw in criminaliteit zal vervallen kan worden gereduceerd, ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de in beginsel gepaste gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, zij het voor een kleiner deel dan geëist door de officier van justitie. Daaraan zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden gelasten overeenkomstig het advies van de rapporteur.

Tenuitvoerleggingen voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevinden zich twee vorderingen tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam.

Het gaat om de op 11 januari 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering in de zaak met parketnummer 13/656266-12, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 2 augustus 2012 van de rechtbank Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

De andere vordering betreft de op 9 januari 2013 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering in de zaak met parketnummer 23/003748-10, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 12 juni 2012 van het gerechtshof Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich ten aanzien van beide vorderingen bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, aan verdachte in persoon is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van beide voornoemde proeftijden aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke strafdelen en de voorwaardelijk straffen te gelasten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

1.

afpersing

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Tevens kan de tenuitvoerlegging worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Veroordeelde moet zich onmiddellijk onder toezicht en leiding van Reclassering Nederland stellen. Vervolgens moet hij gedurende de proeftijd onder toezicht en leiding van de Reclassering Nederland blijven en zich naar de door of namens die instelling te geven aanwijzingen gedragen, zolang deze instelling dat nodig vindt. Deze aanwijzingen betreffen in ieder geval dat veroordeelde gedurende de proeftijd:

- moet voldoen aan de plicht om zich op een door de Reclassering Nederland te bepalen frequentie bij deze instantie te melden;

- moet verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, of een soortgelijke instelling, en zich moet houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld;

- moet deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een behandeling bij De Waag, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan veroordeelde zullen worden gegeven en voorts dat hij moet deelnemen aan eventuele overige interventies betreffende het gedrag.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 2 augustus 2012, namelijk een gevangenisstraf van 4 maanden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij genoemd arrest van 12 juni 2012 opgelegde voorwaardelijke straf, namelijk een gevangenisstraf van twee weken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.A. Brunner, voorzitter,

mrs. W.A.J.P. van den Reek en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. P.C.N. van Gelderen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 april 2013.

De jongste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.

i Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

ii PV Aangifte [A], p. 001 e.v.

iii PV Aangifte [A], p. 001 e.v.

iv PV bev, p .006.

v PV bev, p. 008.

vi PV bev, p. 009.

vii PV aanhouding, pag. 014

viii PV bev, p. 004 e.v.

ix Vonnis rechtbank Amsterdam d.d. 2 augustus 2012, parketnummer (13/656266-12).

??

??

??

??

1

8

Parketnummers: 13/671017-12 (Promis), 23/003748-10 (TUL) & 12/656266-12 (TUL) inzake [verdachte]