Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0301

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
29-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/4952 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of van een gezagsverhouding sprake is moet worden beantwoord op basis van alle omstandigheden, waaronder de feitelijke gang van zaken waarop de betrokkenen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst, (CRvB 26 oktober 2011, LJN: BU1899).

Weliswaar was eiseres volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel vanaf 1 oktober 2011 naar buiten toe nog steeds alleen en zelfstandig bevoegd om de Stichting te vertegenwoordigen, maar intern had zij geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid meer. De andere bestuursleden konden eiseres in een stemming overrulen. Ook was in die periode feitelijk sprake van een gezagsverhouding tussen de overige bestuursleden en eiseres en dus van werknemerschap. Eiseres voldoet aan de wekeneis. Verweerder heeft geen onderzoek gedaan naar de feitelijke gang van zaken binnen de Stichting na 10 oktober 2011. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-1469

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/4952 WW

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. F. Penders,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde R. Hopster.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) afgewezen.

Bij besluit van 27 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eiseres is sinds 1 oktober 2007 werkzaam geweest voor de [werkgever] en de [werkgever1], ten behoeve van het project (project). De naam van de stichting is nadien gewijzigd in de [werkgever2] (hierna: de Stichting). Met ingang van 1 januari 2009 is eiseres voor 4 dagen per week in dienst getreden van de Stichting voor de duur van één jaar. Eiseres heeft na 2009 haar werkzaamheden voor de Stichting voortgezet.

1.2. Per 9 augustus 2011 zijn alle toenmalige bestuursleden van de Stichting afgetreden. Per 9 augustus 2011 is eiseres enig bestuurder geworden van de Stichting. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel is vermeld dat eiseres alleen en zelfstandig bevoegd is om de Stichting te vertegenwoordigen. Vanaf 11 oktober 2011 zijn – naast eiseres – [betrokkene] en [betrokkene1] [lees: [betrokkene1]] (hierna respectievelijk [betrokkene] en [betrokkene1]) als bestuurslid van de Stichting bij de Kamer van Koophandel ingeschreven. In het uittreksel is vermeld dat [betrokkene] en [betrokkene1] gezamenlijk bevoegd zijn met andere bestuurders de Stichting te vertegenwoordigen.

1.3. Eiseres en de Stichting zijn overeengekomen dat het dienstverband van eiseres met de Stichting per 1 april 2012 met wederzijds goedvinden is ontbonden. Vervolgens heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd.

1.4. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de WW afgewezen, omdat eiseres in de 36 weken voordat zij werkloos is geworden minder dan 26 weken als werknemer heeft gewerkt.

1.5. Verweerder heeft aan het bestreden besluit – samengevat – ten grondslag gelegd dat eiseres vanaf 9 augustus 2011 niet als werknemer kan worden aangemerkt, omdat geen sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en de Stichting. Het bestuur is het hoogste orgaan binnen de Stichting en als lid van het bestuur had eiseres invloed op het beleid van de Stichting, dat eiseres, als directeur, moest uitvoeren. Het feit dat een ex-bestuurslid, naast het bestuur, optrad als toezichthouder en het feit dat eiseres geen toegang had tot de betaalrekeningen doen daaraan niet af. Er bestond ook geen arbeidsverhouding die kan worden gelijkgesteld met een dienstbetrekking. Dit betekent volgens verweerder dat eiseres in de 36 weken voordat zij werkloos werd op 1 april 2012 niet 26 weken als werknemer gewerkt, zodat eiseres geen recht heeft op WW.

1.6. Eiseres heeft in beroep het bestreden besluit gemotiveerd betwist en – samengevat – aangevoerd dat er wel sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en de Stichting, gelet op de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan de overeenkomst.

2. Inhoudelijke beoordeling

2.1. Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2. De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet heeft betwist dat eiseres tot en met 9 augustus 2011 werknemer is geweest van de Stichting. Het geschil tussen partijen betreft de vraag of eiseres in de periode van 9 augustus 2011 tot 1 april 2012 kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Dit artikel bepaalt, voor zover van belang, dat werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting van de werknemer om de bedongen arbeid persoonlijk te verrichten, de verplichting van de werkgever om de werknemer loon te betalen en de bevoegdheid van de werkgever om aanwijzingen te geven ter zake van de te verrichten arbeid, die de werknemer verplicht is op te volgen (de gezagsverhouding). Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Partijen verschillen van mening over de vraag of eiseres in een gezagsverhouding tot de Stichting heeft gestaan.

2.3. De rechtbank stelt voorop dat op basis van alle omstandigheden, waaronder de feitelijke gang van zaken waarop de betrokkenen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst, moet worden vastgesteld of van een gezagsverhouding sprake is (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 oktober 2011, LJN: BU1899).

In de periode van 9 augustus 2011 tot 10 oktober 2011 was eiseres het enige bestuurslid van de stichting. Het bestuur was het enige orgaan van de Stichting. De rechtbank is onder die omstandigheden van oordeel dat in die periode geen sprake was van een gezagsverhouding tussen de Stichting en eiseres. Ook de feitelijke situatie was zo dat eiseres als directeur het dagelijks bestuur van de Stichting vervulde en al het werk zelf plande en uitvoerde. De omstandigheid dat eiseres overleg voerde met voormalige bestuursleden, dat zij hen van haar handelen op de hoogte stelde en dat zij verantwoording diende af te leggen aan een voormalig bestuurslid, acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om te concluderen dat daadwerkelijk sprake was van een gezagsverhouding. Eiseres was hiertoe immers gelet op haar positie enig bestuurder en bij gebreke van bijvoorbeeld een Raad van Toezicht niet verplicht. In die periode kan zij naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden aangemerkt als werknemer als bedoeld in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.

2.4. Vanaf 10 oktober 2011 zijn [betrokkene] en [betrokkene1] – naast eiseres – bestuurslid van de Stichting. Weliswaar was eiseres volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel naar buiten toe nog steeds alleen en zelfstandig bevoegd om de Stichting te vertegenwoordigen, maar intern had zij vanaf 1 oktober 2011 geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid meer. De rechtbank wijst daartoe op de statuten van de stichting. In artikel 6 van de statuten is vermeld dat de besluiten bij meerderheid worden genomen. Dat betekent dat de andere bestuursleden ([betrokkene] en [betrokkene1]) eiseres in een stemming konden overstemmen. De rechtbank weegt verder mee dat volgens de verklaringen van eiseres en de bestuursleden ook feitelijk sprake is geweest van een gezagsverhouding tussen de overige bestuursleden en eiseres. Uit deze verklaringen volgt immers dat al het handelen van eiseres onderworpen is geweest aan goedkeuring van de andere bestuursleden. Eiseres had vanaf 10 oktober 2011 geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid omtrent bijvoorbeeld haar salaris of ontslag. Verweerder heeft echter geen onderzoek gedaan naar de feitelijke gang van zaken binnen de Stichting na 10 oktober 2011 en ook niet gewezen op gegevens die anderszins zijn standpunt onderbouwen. Daardoor is er onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van verweerder dat er vanaf 10 oktober 2011 geen sprake was van een gezagsverhouding. De beroepsgrond van eiseres slaagt dus, voor zover die betrekking heeft op de periode vanaf 10 oktober 2011.

2.5. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien in verband met het volgende. Op grond van artikel 17 van de WW ontstaat recht op uitkering voor de werknemer indien hij in de 36 weken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van de werkloosheid in ten minste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht gewerkt (de referte-eis). Gelet op wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat eiseres in de periode van 10 oktober 2011 tot 1 april 2012 werknemer was in de zin van artikel 3, eerste lid van de WW, zodat deze periode, evenals de niet in geschil zijnde periode vóór 9 augustus 2011, meetelt voor de referte-eis. Dit betekent dat eiseres in de periode van 36 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag van 1 april 2012 26 weken werkzaam is geweest als werknemer. Daarmee is echter nog niet duidelijk of eiseres voldoet aan de overige eisen van de WW om aanspraak te kunnen maken op een werkloosheidsuitkering.

2.6. De rechtbank zal verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij dient verweerder tevens te beslissen op het verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

2.7. De rechtbank ziet thans wel aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten van het beroep tot een bedrag van € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de behandeling ter zitting ad € 472,- per punt). Ook dient verweerder het griffierecht aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 944,- te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, voorzitter,

mrs. A.M.I. van der Does en C. Bakker, leden, in aanwezigheid van

mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2013.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB