Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0021

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-04-2013
Datum publicatie
14-05-2013
Zaaknummer
13-437559-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De officier van justitie vordert verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar. De rechtbank wijst deze vordering toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/437559-06

BESCHIKKING

op de op 27 februari 2013 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam d.d. 27 februari 2013 in de zaak tegen:

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [plaats] op [1959],

thans verpleegd in de [locatie 1] te [plaats],

die bij vonnis van deze rechtbank d.d. 27 maart 2007 ter beschikking gesteld werd, teneinde van overheidswege te worden verpleegd, welke terbeschikkingstelling laatstelijk bij beschikking van deze rechtbank d.d. 28 april 2011 voor de tijd van twee jaar werd verlengd.

De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van genoemde terbeschikkingstelling met twee jaar.

De procesgang

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

- het op 31 januari 2013 op grond van artikel 509o, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies, strekkende tot verlenging van deze terbeschikkingstelling met twee jaar, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;

- de op 27 januari 2013 en 16 december 2012 op grond van artikel 509o, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering opgemaakte rapporten van de psycholoog M.H. de Groot en de psychiater I. Maksimovic, beiden niet verbonden aan de inrichting waarin de terbeschikkinggestelde wordt verpleegd, strekkende tot verlenging van deze terbeschikkingstelling met twee jaar.

De rechtbank heeft op 22 maart 2013 de officier van justitie mr. S. de Klerk, de terbeschikkinggestelde en diens raadsman mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige [A], verbonden aan de [locatie 1] te [plaats], in openbare raadkamer gehoord. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

De beoordeling

Aan genoemd advies van de [locatie 1] d.d. 31 januari 2013 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Kernproblematiek

Bij betrokkene is sprake van schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Dit uit zich onder andere in akoestische hallucinaties, paranoïde, verhoogd associatief denken, neologismen, inadequaat affect, oordeels- en kritiekstoornissen en opstartproblemen.

Tevens is er sprake van een frontaalsyndroom (frontaal hersenletsel), gekenmerkt door (cognitieve) executieve functiestoornissen, zoals overzichtsverlies en verlies van planningsvaardigheid en verlies van impulscontrole.

Daarnaast is sprake van afhankelijkheid van meerdere middelen, zich uitend in zeer zuchtig gedrag, en is er sprake van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken.

Er is sprake van een snel agressief ontremde man, met een gebrekkige zelfcontrole, een gebrek aan empathie en het onvermogen sociale omstandigheden in te schatten.

Tevens is betrokkene bekend met stemmingswisselingen. Samengevat is er sprake van een zeer complexe diagnose. Er is bij betrokkene wel sprake van enig ziektebesef, maar het ziekte-inzicht is nihil. Betrokkene heeft onvoldoende inzicht in eigen functioneren en behoeft frequente correcties, sturing en begrenzing.

Verloop behandeling

Betrokkene verblijft vanaf half mei 2011 op afdeling Behandeling 1, een zorggerichte afdeling voor patiënten met een psychotische stoornis.

De afgelopen behandelperiode heeft in het teken gestaan van verdere stabilisatie van betrokkenes conditie en het in kaart brengen van zijn mogelijkheden. De eerder voorgeschreven antipsychotische medicatie is gecontinueerd en heeft bijgedragen aan verdere stabilisatie van betrokkenes psychische conditie. Betrokkene is medicatietrouw.

Hoewel betrokkene duidelijk afhankelijk blijft van de geboden structuur en begeleiding, en frequente en actieve ondersteuning noodzakelijk is, is er toch sprake van enige vooruitgang op de probleemgebieden.

Betrokkene is de gehele behandelperiode drugsvrij gebleven.

Betrokkene neemt deel aan de arbeidstherapie en is zich gaandeweg steeds gemakkelijker gaan voelen bij het dagactiviteiten centrum en creatieve therapie. Van werken met enige mate van zelfstandigheid is geen sprake. Betrokkene heeft diverse trainingen gevolgd op het gebied van psycho-educatie, omgaan met antipsychotische medicatie en omgaan met verslaving. Tevens heeft hij, naar vermogen, meegewerkt aan het opstellen van zijn delictanalyse en heeft hij zijn medewerking verleend aan de afname van de PCL-R.

Contact met het netwerk van betrokkene (broer en zus) loopt goed.

Gezien de bereikte (toegenomen) stabiliteit in functioneren, naast de verbeterde begeleidbaarheid van betrokkene, is een aanvraag voor begeleid verlof verzonden naar het Ministerie.

Risicoanalyse

Binnen de gestructureerde kaders van de kliniek functioneert betrokkene redelijk. Hoewel er geen sprake lijkt van intrinsieke motivatie, ondergaat betrokkene de behandeling. Hij accepteert de opgelegde structuur grotendeels, maar is niet bereid zijn gedrag te veranderen.

Bij het wegvallen van het gedwongen kader moet worden verwacht dat betrokkene zijn medicatie inadequaat zal innemen of geheel zal staken, vanuit een gebrek aan ziekte-inzicht, waardoor recidief psychose te verwachten valt. Gezien de onverminderde aanwezigheid van drugsafhankelijkheid moet worden verwacht dat betrokkene opnieuw zal vervallen in druggebruik, waarvan bekend is dat dit kan bijdragen aan het opleven van psychotische symptomen en ontremming kan doen toenemen. Wanneer daarbij sprake is van een geringe maatschappelijke inbedding en er geen balans meer is tussen draagkracht en draaglast, zal bij een teveel aan ervaren stressbronnen, de kans op een agressief recidief dan op korte termijn hoog zijn.

Prognose

Betrokkene is te beschouwen als een chronisch psychotisch zeer kwetsbare man met beperkte mogelijkheden om zelfstandig diverse destabiliserende factoren het hoofd te bieden.

Zijn chronische complexe psychiatrische problematiek, in combinatie met zijn middelenafhankelijkheid, maakt hem blijvend afhankelijk van intensieve begeleiding, een structurerend zorgklimaat en een vorm van forensisch psychiatrisch toezicht. Gezien de ernstige pathologie van betrokkene is er op dit moment nog geen enkel zicht op eventuele uitstroommogelijkheden. In het begeleid verloftraject zal betrokkene oefenen met meer vrijheden. Ervaringen die hierbij worden opgedaan zijn van wezenlijk belang voor de vervolgstappen in zijn resocialisatie.

Advies

Geadviseerd wordt de maatregel van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging te verlengen met twee jaar.

De deskundige heeft dit advies ter zitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld. De deskundige heeft meegedeeld dat er inmiddels een verlofmachtiging is verleend door het Ministerie.

Aan genoemd rapport van psycholoog De Groot wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Betrokkene lijdt aan schizofrenie van het gedesorganiseerde type. Daarnaast is er sprake van afhankelijkheid van psychoactieve middelen. Verder is sprake van persoonlijkheidsveranderingen, vooral ten gevolge van een organisch-cerebrale beschadiging, met vooral antisociale kenmerken.

De behandeling die in het kader van de tbs-maatregel heeft plaatsgevonden, heeft voor een zekere stabilisatie van het psychiatrisch toestandsbeeld kunnen zorgen.

De kans op herhaling van ernstige agressieve delicten is op korte termijn, zolang de TBS-status voortduurt, niet groot. Betrokkene heeft evenwel antipsychotische en dempende medicatie nodig, als ook duidelijke structuur. Op wat langere termijn is het recidiverisico wel verhoogd, vooral op het moment dat betrokkene de structuur van de behandeling en zijn medicatie zou kwijtraken. Naar het oordeel van rapporteur dient de terbeschikkingstelling daarom dan ook verlengd te worden en dient de verpleging van overheidswege gecontinueerd te worden, bij voorkeur voor een periode van twee jaar. In die periode kan bevorderd worden dat er stappen worden gezet om betrokkene geschikt te maken voor overplaatsing naar een andere instelling, bij voorkeur een NAH-instelling (instelling waar patiënten met niet-aangeboren hersenletsel begeleid en/of behandeld worden). Een RIBW-voorziening lijkt momenteel te hoog gegrepen voor betrokkene.

Aan genoemd rapport van psychiater Maksimovic wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van schizofrenie van het ongedifferentieerde type, afhankelijkheid van diverse middelen in remissie onder toezicht, een cognitieve stoornis niet anderszins omschreven en een persoonlijkheidsverandering door organische schade.

Vanwege het feit dat betrokkenes schizofrenie wordt gekenmerkt door zowel verschijnselen als wanen en hallucinaties, als door desorganisatie van het denken en gedrag (die nu op de voorgrond staat), wordt zij geclassificeerd als zijnde van het ongedifferentieerde type. Het verschil in de classificatie van de schizofrenie is van academisch belang en heeft geen consequenties voor de behandeling van betrokkene.

Het recidiverisico is afhankelijk van de mate van de externe steun en structuur: als deze voldoende is, is het recidiverisico laag. Het recidiverisico zou hoog zijn bij het wegvallen van de structuur van de tbs-maatregel, omdat betrokkene zich in dat geval zou onttrekken aan de behandeling.

Vanwege zijn hersenbeschadiging, is betrokkene blijvend aangewezen op en afhankelijk blijven van een sterk gestructureerde omgeving, waarbij het beveiligingsniveau langzaam kan worden teruggebracht. Betrokkene zou ook binnen het onvrijwillige kader van de BOPZ de nodige structuur kunnen krijgen. Rapporteur is van oordeel dat er dient te worden toegewerkt aan de plaatsing van betrokkene in een klinische instelling voor mensen met niet aangeboren hersenletsel. Zulk soort instelling dient ook expertise te hebben op het gebied van het behandelen van schizofrenie. De verwachting is wel, dat betrokkene binnen een klinische setting zou moeten worden verpleegd. Een RIBW is te hoog gegrepen, gelet op zijn blijvende gebrek aan remmingen (door zijn frontaal syndroom), onder andere ten aanzien van het gebruik van drugs. Het beëindigen van de TBS en het vervolgens tot stand brengen van een BOPZ kader wordt in deze fase van de behandeling afgeraden. Dit vanwege het feit dat er nog niet werd geoefend met vrijheden buiten de kliniek. Dit is wel nodig, voordat men op zoek gaat naar een vervolgsetting voor mensen met niet aangeboren hersenletsel, om te kunnen bepalen welke vorm van vrijheden betrokkene aankan. Daarom wordt geadviseerd om de TBS te verlengen met twee jaar en de verpleging te continueren.

De raadsman heeft, onder verwijzing naar zijn pleitaantekeningen, primair verzocht de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk te beëindigen, nu ingevolge artikel 38 e, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), de duur van de opgelegde maatregel is beperkt tot vier jaar. In het veroordelend vonnis is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 359 lid 7 van het Wetboek van Strafvordering, waarin staat dat de opleggingsrechter in het vonnis tot uiting dient te brengen dat de maatregel ter zake van een geweldsmisdrijf is opgelegd. Evenmin kan die conclusie thans door de verlengingsrechter uit de overige inhoud van de einduitspraak worden afgeleid. De raadsman heeft in dit verband voorts gewezen op de uitspraak van het EHRM inzake Van der Velden en het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer als volgt.

De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest bepaald dat, of van een geweldsmisdrijf sprake is, ook kan worden afgeleid uit de – al dan niet in onderling verband en samenhang gelezen – overige inhoud van de einduitspraak van de opleggingsrechter, zoals bewezenverklaring, bewijsmiddelen, kwalificatie, motivering van de weerlegging van gevoerde verweren en motivering van de opgelegde sanctie(s). Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de verlengingsrechter mede op grond van andere dan de in de einduitspraak vermelde gegevens – bijvoorbeeld het verhandelde ter terechtzitting van de opleggingsrechter zoals daarvan blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal – door interpretatie van het oordeel van de opleggingsrechter tot het oordeel komt dat de TBS is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf, terwijl ook niet kan worden uitgesloten dat andere processtukken waarover de opleggingsrechter beschikte, daaromtrent uitsluitsel geven.

Anders dan de raadsman is de rechtbank in onderhavige zaak van oordeel dat uit het strafdossier voldoende volgt dat – gelet op alle feiten en omstandigheden die destijds bekend waren – de TBS is opgelegd ter zake van een geweldsmisdrijf als bedoeld in artikel 38 e, lid 1 Sr. In de bewezenverklaring is het bestanddeel bedreiging met geweld opgenomen op basis van het dreigend een mes in de richting van het slachtoffer houden en dreigend op het slachtoffer afstappen. Voorts blijkt uit de verklaring van het slachtoffer dat het mesje zich zeer plotseling in betrokkenes hand bevond, hij met de scherpe punt in de richting van het slachtoffer wees en het slachtoffer tot op een meter naderde. Nu de Hoge Raad opmerkt dat bij de inhoudelijke beoordeling alle relevante omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen, waaronder ook of destijds aannemelijk was dat de bedreiging zou worden uitgevoerd, is ook de navolgende verklaring van het slachtoffer van belang: ‘Ik zag dat hij mij duidelijk te kennen gaf dat hij door middel van het mesje wel zijn geld zou krijgen van mij.’ De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat in redelijkheid voorzienbaar was dat de TBS destijds is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

De raadsman heeft subsidiair verzocht de reclassering een maatregelrapport te laten opstellen, gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. In het bijzonder dient te worden onderzocht welke instelling of psychiatrisch ziekenhuis geschikt is betrokkene te behandelen op grond van een rechterlijke machtiging.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de tbs-maatregel met één jaar te verlengen.

Ten aanzien van deze verweren overweegt de rechtbank dat de deskundige in openbare raadkamer heeft verklaard dat voor betrokkene inmiddels een verlofmachtiging is afgegeven en dat hij op korte termijn zal starten met begeleid verlof. De rechtbank is van oordeel dat de tijd moet worden genomen voor de begeleide en onbegeleide verloven, zodat het verloop daarvan mede kan bijdragen aan een inschatting of betrokkene op termijn naar een andere voorziening kan worden overgeplaatst. Derhalve worden beide verzoeken van de raadsman afgewezen en zal de terbeschikkingstelling met twee jaar worden verlengd. De rechtbank geeft de kliniek wel in overweging om binnen deze komende periode te zoeken naar een vervolgvoorziening voor betrokkene binnen de reguliere GGZ, zodat daarover op een volgende verlengingszitting verslag kan worden gedaan.

Gelet op voormelde adviezen, het verhandelde in raadkamer en artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd.

Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [terbeschikkinggestelde] voornoemd met twee jaar.

Deze beschikking is gegeven in openbare raadkamer van deze rechtbank door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. C.S. Schoorl en M.J.F. van der Wolf, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.M. Noomen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2013.