Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0001

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/5999 WOB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepschrift tegen het uitblijven van een beslissing op een verzoek op grond van de Wob. Tussen partijen is in geschil of het schrijven van eiser een ingebrekestelling is als bedoeld in art. 4:17, lid 3 Awb. De brief vermeldt als onderwerp: “Betreft: Voortgang” en bevat de volgende mededeling:

“Met dit schrijven wil ik u verzoeken aan te geven wanneer u verwacht een beslissing te nemen op een brief die u reeds enige tijd in uw bezit heeft. Op 26 september 2012 stuurde ik u een brief met als kenmerk 15843, betreffende een verzoek, namens [eiser 1]. Daar ik tot op heden nog niets van u heb vernomen, verzoek ik u hierin voortvarend te werk te gaan en mij te laten weten wanneer u verwacht een beslissing te nemen.” (…) De Rb. stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis valt te herleiden dat een belangrijk uitgangspunt bij het formuleren van de dwangsomregeling laagdrempeligheid voor de burger is geweest. De vormvrijheid van de ingebrekestelling wordt in de MvT benadrukt (Kamerstukken II 2004/2005, 29 934, p. 3). De Rb. is van oordeel dat in de brief van eiser voldoende duidelijk is aangegeven op welk nog te nemen besluit het ziet. Eiser heeft daarin immers het kenmerk van de brief genoemd waar hij op doelt, alsook de datum waarop de brief is verzonden. Verweerder kon dan ook eenvoudig uit het dossier afleiden dat het een Wob-verzoek betrof en dat de beslistermijn was overschreden. In zoverre verschilt deze zaak dan ook van het geval in de uitspraak van de ABRS van 5 juli 2012 (LJN: BQ3604), waarbij sprake was van een groot aantal aanvragen dat op onoverzichtelijke wijze was ingediend. De Rb. overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraak van 5 december 2012 (LJN: BY5083) niet nadrukkelijk afstand heeft genomen van de bij uitspraak van 6 mei 2010 (LJN: BM4185) ingezette lijn. Vooralsnog is de Rb. evenmin gebleken dat deze uitspraak heeft geleid tot een wijziging in de bestendige rechtspraak over de vormvrijheid van de ingebrekestelling. In dat verband wijst de Rb. op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2012 (LJN: BY6581). De Rb. volgt het standpunt van verweerder dan ook niet en is van oordeel dat sprake is van een geldige ingebrekestelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5999 WOB

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. H.P. Olthof,

en

de minister van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. S. Bolte.

Procesverloop

Eiser heeft op 30 november 2012 een beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 26 september 2012 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Daarbij is tevens verzocht verbeurde dwangsommen vast te stellen.

Bij besluit van 17 december 2012 heeft de hoofdofficier/directeur van de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) 2] namens verweerder alsnog beslist op het verzoek van eiser op grond van de Wob. Daarbij is aan eiser een zaaksoverzicht toegezonden en besloten het verzoek voor het overige door te zenden naar de politie Amsterdam Amstelland RICO, omdat de gevraagde documenten niet in het bezit zijn van CVOM.

Verweerder heeft op 19 december 2012 een verweerschrift ingediend, waarin verweerder zich op het standpunt stelt dat hij niet in gebreke is geweest tijdig te beslissen op de aanvraag en dat hij daarom ook geen dwangsommen heeft verbeurd.

Bij brieven van 21 december 2012 en 4 januari 2013 heeft eiser de gronden van beroep nader aangevuld. Verweerder heeft hierop bij schrijven van 8 februari 2013 gereageerd.

Overwegingen

1. Wettelijk kader

1.1. Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

1.2. Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

1.3. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

1.4. Artikel 8:54, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de rechtbank, totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting te verschijnen, het onderzoek kan sluiten indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat zij kennelijk onbevoegd is dan wel het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is.

1.5. Artikel 8:55c van de Awb bepaalt dat de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge artikel 4:17 van de Awb verbeurde dwangsom vaststelt.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Het beroep van eiser richt zich tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek om toezending van documenten. Eiser stelt zich in reactie op het alsnog genomen besluit van 17 december 2012 op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft besloten een deel van het verzoek door te zenden aan de politie Amsterdam Amstelland. Voor zover het beroep gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde lid, van de Awb moet worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 17 december 2012, verklaart rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk, nu dit een primair besluit betreft. Gelet op het bepaalde in artikel 6:20, derde en vierde lid, van de Awb, zal de rechtbank dit beroep doorsturen naar verweerder ter behandeling als bezwaarschrift.

3.2. Ten aanzien van de vraag of verweerder tijdig op de aanvraag van eiser heeft beslist overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 6, eerste lid, van de Wob in elk geval binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag van 26 september 2012 een besluit diende te nemen. De beslistermijn liep derhalve af op 24 oktober 2012.

3.3. Tussen partijen is in geschil of het schrijven van eiser van 25 oktober 2012 een ingebrekestelling is als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

3.4. De brief vermeldt als onderwerp: “Betreft: Voortgang” en bevat de volgende mededeling:

“Met dit schrijven wil ik u verzoeken aan te geven wanneer u verwacht een beslissing te nemen op een brief die u reeds enige tijd in uw bezit heeft.

Op 26 september 2012 stuurde ik u een brief met als kenmerk 15843, betreffende een verzoek, namens [eiser 1]. Daar ik tot op heden nog niets van u heb vernomen, verzoek ik u hierin voortvarend te werk te gaan en mij te laten weten wanneer u verwacht een beslissing te nemen.”

3.5. Eiser heeft aangevoerd dat voldoende duidelijk is gemaakt dat er nog niet beslist is. De ingebrekestelling is volgens de Memorie van Toelichting op de Wet Dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen vormvrij. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling ) van 5 december 2012 (LJN: BY5083), waarnaar verweerder in het verweerschrift heeft verwezen strookt niet met de jurisprudentie, de wet en de parlementaire geschiedenis, terwijl de Afdeling niet heeft overwogen dat zij van haar vaste lijn afstapt.

3.6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 25 oktober 2012 niet kan worden aangemerkt als ingebrekestelling. De uitspraak van 5 december 2012 en ook een uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2012 (LJN: BX2564) bevestigen het standpunt van verweerder dat eisen mogen worden gesteld aan een ingebrekestelling. Verweerder heeft na de uitspraak van deze rechtbank van 23 maart 2011 (LJN: BQ3604) een grote toename gezien van brieven waarin enkel nog wordt verzocht voortvarend te beslissen. Ook in die zaak was echter duidelijk sprake van een ingebrekestelling omdat de betrokkene in zijn brief ook had aangegeven dat de beslistermijn was verstreken.

3.7. De rechtbank stelt voorop dat uit de wetsgeschiedenis valt te herleiden dat een belangrijk uitgangspunt bij het formuleren van de dwangsomregeling laagdrempeligheid voor de burger is geweest. De vormvrijheid van de ingebrekestelling wordt in de Memorie van Toelichting benadrukt (Kamerstukken II 2004/2005, 29 934, p. 3). De rechtbank is van oordeel dat in de brief van 25 oktober 2012 voldoende duidelijk is aangegeven op welk nog te nemen besluit het ziet. Eiser heeft daarin immers het kenmerk van de brief genoemd waar hij op doelt, alsook de datum waarop de brief is verzonden. Verweerder kon dan ook eenvoudig uit het dossier afleiden dat het een Wob-verzoek betrof en dat de beslistermijn was overschreden. In zoverre verschilt deze zaak dan ook van het geval in de uitspraak van 5 juli 2012, waarbij sprake was van een groot aantal aanvragen dat op onoverzichtelijke wijze was ingediend. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraak van 5 december 2012 niet nadrukkelijk afstand heeft genomen van de bij uitspraak van 6 mei 2010 (LJN: BM4185) ingezette lijn. Vooralsnog is de rechtbank evenmin gebleken dat deze uitspraak heeft geleid tot een wijziging in de bestendige rechtspraak over de vormvrijheid van de ingebrekestelling. In dat verband wijst de rechtbank op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2012 (LJN: BY6581). De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dan ook niet en is van oordeel dat sprake is van een geldige ingebrekestelling.

3.8. Nu eiser verweerder op 25 oktober 2012 in gebreke heeft gesteld en daarna twee weken zijn verstreken voordat eiser het onderhavige beroepschrift heeft ingediend, is het beroep van eiser gegrond.

3.9. Nu verweerder ook nadat twee weken zijn verstreken na de ingebrekestelling niet tijdig een besluit heeft genomen, heeft hij een dwangsom verbeurd. Na de ontvangst van de ingebrekestelling kon verweerder nog gedurende twee weken, dat wil zeggen tot en met 8 november 2012, een besluit nemen zonder een dwangsom te verbeuren. Vanaf 9 november 2012 is verweerder een dwangsom verschuldigd. De verschuldigde dwangsom wordt op grond van artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb vastgesteld op € 1.100,- (14 x € 20,- per dag gedurende de periode van 9 november 2012 tot en met 22 november 2012, 14 x

€ 30,- per dag gedurende de periode van 23 november 2012 tot en met 6 december 2012 en 10 x € 40,- per dag gedurende de periode van 7 december 2012 tot en met 16 december 2012).

3.10 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken in verband met het niet tijdig nemen van het besluit. De rechtbank ziet, anders dan verzocht, geen aanleiding om bij de toekenning van proceskosten een zwaardere weging dan gemiddeld bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit toe te kennen. De zaak is niet complexer dan een gemiddelde zaak betrekking tot niet-tijdig beslissen. De rechtbank begroot die kosten dan ook forfaitair op een bedrag van € 118,- (0,25 punt voor het beroepschrift, waarde per punt € 472,-; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, gegrond;

- stelt de hoogte van de door verweerder verschuldigde dwangsom vast op € 1.100,--(zegge: elfhonderd euro);

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 17 december 2012 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat het beroepschrift voor zover gericht tegen het besluit van 17 december 2012 wordt doorgezonden aan verweerder ter behandeling als bezwaarschrift;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 156,-- (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 118,-- (zegge: honderdachttien euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Singeling, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2013.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 8:55, eerste lid, van de Awb kan tegen deze uitspraak binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Afschrift verzonden op:

Conc.: JV

Coll.: RG

D: C

SB