Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ9857

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2013
Datum publicatie
10-05-2013
Zaaknummer
Parketnummer 13-708116-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat er sprake is van: mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, en; medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

De rechtbank acht verdachte hiervoor strafbaar en veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/708116-11 (Promis)

Datum uitspraak: 23 april 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1979],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 5, 8 en 9 april 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.J. Cnossen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.J.M. Janssen, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

2.1.

Aan verdachte is – na wijzigingen op de zittingen van 15 maart 2012 en 5 april 2013, kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. medeplegen mensenhandel, de uitbuiting van een viertal slachtoffers in de periode van 6 oktober 2007 tot en met 27 september 2011.

2. medeplegen witwassen van de opbrengsten van genoemde uitbuiting.

2.2.

De tekst van de integrale tenlastelegging, alsmede de wijzigingen hiervan, is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs

4.1 Inleiding.

Op 19 juni 2011 melden [persoon 1] en [persoon 2] zich bij de politie en verklaren dat zij door het echtpaar [familienaam] onder valse voorwendselen naar Nederland zijn gehaald om in de prostitutie te werken en door hen zijn uitgebuit. Zij verklaren tevens over betrokkenheid van verdachte. Bij onderzoek is ook de identiteit van een eerder slachtoffer achterhaald, te weten [persoon 3]. Deze doet op 30 augustus 2011 aangifte van mensenhandel tegen de verdachten. Na eerst als verdachte te zijn aangemerkt doet een vierde vrouw, [persoon 4], eveneens aangifte.

4.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij heeft daarbij verwezen naar de aangiftes, die volgens haar worden ondersteund door zich in het dossier bevindende gegevens betreffende verhuur van peeskamers en transacties via Western Union, alsmede door aan het dossier toegevoegde tapgesprekken uit een eerder onderzoek, [A]. Daarbij vertonen de aangiftes in grote mate overeenkomsten, terwijl aangeefster [persoon 3] en de aangeefsters [persoon 1] en [persoon 2] elkaar niet kenden, aldus de officier van justitie.

Naar aanleiding van verweer van de raadsvrouw voegt de officier van justitie daaraan nog toe dat verdachte gedurende langere perioden de enige toezichthouder was, een en ander controleerde en de medeverdachten informeerde. Ook begeleidde verdachte de slachtoffers van en naar hun werkplek. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte op de hoogte was van de positie waarin de slachtoffers zich bevonden.

4.3 Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het plegen van het ten laste gelegde, nu uit de verklaringen niet blijkt dat verdachte zelfstandig dwang, geweld of een van de andere in 273f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) genoemde middelen heeft gebruikt om de aangeefsters in de prostitutie te brengen of te houden, dan wel opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de vrouwen.

Voorts stelt de raadsvrouw dat geen sprake is van medeplegen, omdat niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking. Uit de verklaringen blijkt dat de belangrijkste taak van verdachte was het aannemen van de verdiensten van de vrouwen om dit vervolgens aan medeverdachte [persoon 5] af te staan. Dit is onvoldoende om nauwe en bewuste samenwerking ter zake van het ten laste gelegde te bewijzen. De raadsvrouw refereert hierbij aan een uitspraak van de rechtbank Leeuwarden.

Subsidiair heeft de raadsvrouw partieel vrijspraak bepleit van de volgende onderdelen van de tenlastelegging. Ten eerste van de ten laste gelegde periode 6 oktober 2007 tot maart 2008, nu verdachte pas in maart 2008 in beeld komt. Voorts blijkt niet dat verdachte bemoeienis had met het aanwerven van de aangeefsters als bedoeld in artikel 273f, eerste lid sub 3 Sr. Het enkele gegeven dat verdachte twee vrouwen van het vliegveld heeft gehaald is daarvoor onvoldoende, aldus de raadsvrouw. Verder heeft de verdediging verzocht verdachte vanwege het ontbreken van voldoende (steun)bewijs vrij te spreken van een aantal feitelijkheden met betrekking tot de ten laste gelegde mensenhandel: [persoon 1] 14e en 15e gedachtestreepje; [persoon 2] 12e en 13e gedachtestreepje; [persoon 3] 12e en 13e gedachtestreepje; [persoon 4] 14e gedachtestreepje.

De raadsvrouw heeft voorts vrijspraak bepleit met betrekking tot het voordeel trekken als bedoeld in artikel 273f, eerste lid sub 6 en/of 9 Sr. Zij heeft aangevoerd dat verdachte geen voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de slachtoffers.

4.4 Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het toetsingskader overweegt de rechtbank het volgende.

Aan de verdachte is onder feit 1 ten laste gelegd het medeplegen van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, eerste lid onder 1, 3, 4, 6 en 9. Van het eerste lid onder 1, 4 en 9 strafbaar gestelde is dwang een bestandsdeel. Naar de onder 1 beschreven dwangmiddelen wordt verwezen onder 4 en 9.

In de tenlastelegging is onder de beschuldigingen die relateren aan verschillende subonderdelen van artikel 273f, eerste lid Sr een nadere omschrijving van een aantal feitelijkheden opgenomen. De rechtbank leest in de tenlastelegging na het woord “bestaande” dat het de bedoeling van het Openbaar Ministerie is geweest om die feitelijkheden te onderscheiden in een aantal feitelijkheden dat terugslaat op dwangmiddelen en feitelijkheden die zien op het opzettelijk voordeel trekken, terwijl de handelingen tezamen en in vereniging worden gepleegd.

De feitelijkheden zijn in één reeks, van elkaar gescheiden door middel van gedachtestreepjes, opgesomd door het Openbaar Ministerie. Er is dus geen scheiding aangebracht tussen de verschillende onderdelen van 273f, eerste lid Sr. Dit brengt mee dat de rechtbank zich dient te verdiepen in de bedoelingen van de steller van de tenlastelegging en de tenlastelegging zal moeten interpreteren.

De rechtbank leest de reeks feitelijkheden zó, dat deze begint met de in artikel 273f, eerste lid onder 1 Sr strafbaar gestelde handelingen waardoor de betreffende vrouwen er toe zijn gebracht zich beschikbaar te stellen voor prostitutie.

Vanaf de zinsnede over het door hen laten opbouwen van schuld zien de feitelijkheden – zo begrijpt de rechtbank – op het gebruik van de betreffende vrouwen door middel van dwang – waaronder manipulatieve dwang - zoals strafbaar gesteld in 273f, eerste lid onder 4 Sr.

De feitelijkheid omschreven als het afpakken of afnemen, dan wel laten afstaan van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden duidt de rechtbank als – tevens – ziende op het in 273f, eerste lid onder 9 Sr strafbaar gestelde.

De zinsnede dat verdachte de aanbouw van een huis heeft gefinancierd met de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden leest de rechtbank als verfeitelijking van opzettelijk voordeel trekken.

De rechtbank komt tot het navolgende oordeel.

De feitelijkheden, zoals die na de gedachtestreepjes zijn weergegeven, volgen de verklaringen van de aangeefsters. Anders dan de verdediging stelt, is de rechtbank van oordeel dat deze feitelijkheden daarnaast voor een belangrijk deel steun vinden in andere bewijsmiddelen, zoals blijkt uit de weergave van die bewijsmiddelen in de bijlage bij dit vonnis. Waar de feitelijkheden geen steun vinden in ander bewijsmateriaal, zal de rechtbank van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte het ten laste gelegde niet heeft begaan, Niet als pleger, maar ook niet als medepleger.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Aan verdachte is medeplegen van mensenhandel en witwassen ten laste gelegd. Alle slachtoffers hebben de rollen van de verdachten als volgt omschreven: [persoon 5] was de baas, [persoon 6] nam voor hem waar en [verdachte] voerde de opdrachten uit van [persoon 5] en [persoon 6]: hij inde dagelijks de verdiensten van de slachtoffers, controleerde de slachtoffers op diverse manieren en had hierover veelvuldig contact met [persoon 5]. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze verklaringen voldoende duidelijk van een bewuste en nauwe samenwerking. Uit deze verklaringen en moneytransfers die door [verdachte] naar Hongarije zijn verzonden, blijkt tevens medeplegen van witwassen. Door te stellen dat de belangrijkste taak van verdachte was het aannemen van de verdiensten van de slachtoffers om deze vervolgens aan medeverdachte [persoon 5] af te staan, bagatelliseert de raadsvrouw de rol van verdachte. Verdachte was gedurende langere perioden de enig aanwezige toezichthouder en mede daardoor was zijn rol substantieel. Voorts blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte betrokken was bij het opleggen van boetes en het verzenden van geld naar Hongarije, zoals hiervoor reeds vermeld.

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde periode van 6 oktober 2007 tot maart 2008.

De rechtbank is voorts van oordeel dat geen bewijs voorhanden is ten aanzien van verdachte dat hij het door misleiding werven en huisvesten met het oogmerk van uitbuiting ten aanzien van [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], of [persoon 4] heeft medegepleegd, omdat nauwe en bewuste samenwerking ontbreekt ten aanzien van het bij de medeverdachten bewezen verklaarde dwangmiddel van misleiding, zoals dat is verfeitelijkt in de tenlastelegging.

De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat niet blijkt dat verdachte bemoeienis had met het aanwerven van de aangeefsters als bedoeld in artikel 273f, eerste lid sub 3 Sr.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte dit deel van het ten laste gelegde heeft medegepleegd.

Met betrekking tot [persoon 1] op grond van de aangifte dat zij door medeverdachte [persoon 5] en zijn vrouw in Hongarije ertoe is gebracht om in Nederland in de prostitutie te gaan werken, de verklaring van [persoon 5] dat hij met [persoon 1] in Hongarije heeft gesproken en dat [persoon 1] bij zijn vrouw in Amsterdam zou gaan wonen en daar zou gaan werken; de verklaring van mevrouw [persoon 6] dat [persoon 1] in de prostitutie zou gaan werken, alsmede de verklaring van verdachte zelf dat hij haar van Schiphol heeft gebracht naar de woning van mevrouw [persoon 6].

Met betrekking tot [persoon 2] op grond van de aangifte dat medeverdachte [persoon 5] zou zorgen dat zij in Amsterdam zou komen waar zij geld zou kunnen verdienen als prostituee, de verklaring van mevrouw [persoon 6] dat [persoon 2] in het buitenland wilde werken, verhuisde naar haar woning in Amsterdam en door verdachte werd opgevangen, alsmede de verklaring van [persoon 5] waarin hij de verklaring van zijn vrouw bevestigt.

Ten aanzien van de rol van verdachte overweegt de rechtbank nog het volgende. [persoon 1] en [persoon 2] arriveerden in september en oktober 2010 vanuit Hongarije in Nederland. Verdachte heeft [persoon 1] en [persoon 2] van Schiphol opgehaald en naar het woonadres in Amsterdam gebracht. Verdachte heeft verklaard dat het contact daarover via verdachte [persoon 6] liep en dat hij wist dat deze meisjes in de prostitutie gingen werken. Op het moment van de komst van deze twee meisjes in Nederland moet verdachte de werkwijze hebben gekend, immers [persoon 3] was op dat moment al gevlucht. Verdachte was op dat moment de enige van de verdachten die in Nederland verbleef. Het ophalen van de meisjes van Schiphol en hen in de woning brengen, was een dusdanig belangrijke handeling om het ertoe te leiden de meisjes in Nederland in de prostitutie te laten werken, dat dit als medeplegen van aanwerven in de zin van artikel 273f, eerste lid sub 3, dient te worden aangemerkt.

Ten aanzien van [persoon 3] en [persoon 4] bevat het dossier geen bewijs dat verdachte hen heeft aangeworven of meegenomen. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de verfeitelijking van 273f, eerste lid onder 4, 6 en 9 is de rechtbank met de raadsvrouw van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorschieten van geld voor plastische chirurgie van [persoon 1] en [persoon 2].

Het ten laste gelegde geweld, de verkrachtingen en de ten laste gelegde bedreigingen met geweld acht de rechtbank evenmin bewezen. Niet of niet genoegzaam is gebleken dat verdachte deze (seksuele) geweldshandelingen zelf heeft verricht of deze bedreigingen met geweld heeft geuit. Evenmin is gebleken is dat tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) expliciete of stilzwijgende afspraken zijn gemaakt over het plegen van dit (seksuele) geweld of over het uiten van deze bedreigingen met geweld, zodat enig bewijs voor een bewuste- en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) hiervoor ontbreekt. De rechtbank zal verdachte voor wat betreft deze onderdelen dan ook vrijspreken.

Met de raadsvrouw is de rechtbank verder van oordeel dat verdachte geen voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van voornoemde vrouwen in die zin, dat de aanbouw van een huis voor hem en zijn mededaders is gefinancierd. Derhalve zal verdachte worden vrijgesproken van het in artikel 273f eerste lid onder 6 strafbaar gestelde.

Wel acht de rechtbank bewezen het medeplegen van afpakken dan wel laten afstaan van de verdiensten uit de prostitutie waardoor verdachte samen met zijn medeverdachten voornoemde vrouwen heeft gedwongen hem te bevoordelen uit de opbrengst van de prostitutie van voornoemde vrouwen, zoals strafbaar gesteld in artikel 273f eerste lid onder 9.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de aan dit vonnis als bijlage 2 gehechte en daarvan deel uitmakende bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

in de periode van 1 maart 2008 tot en met 27 september 2011 te Amsterdam en/of Hongarije, tezamen en in vereniging met anderen,

anderen, te weten [persoon 1] en [persoon 2],

heeft aangeworven met het oogmerk die [persoon 1] en [persoon 2] in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

anderen, te weten [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4]

door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden,

en

die [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en een andere vrouw door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft bewogen hem, verdachte en zijn mededaders te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [persoon 1] en die [persoon 2] en die [persoon 3] en een andere vrouw met een derde,

bestaande dat misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en dat opzettelijk voordeel trekken hierin dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader(s)

- die [persoon 1] meermalen onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en heeft gebracht om in de prostitutie te werken en te blijven werken, door haar een schuld bij hem, verdachte en zijn mededaders te laten opbouwen en die [persoon 1] voor te houden dat zij boetes aan verdachte en zijn mededaders moest betalen en dat zij kleding van verdachte en zijn mededaders moest kopen en dat zij nieuwe schulden bij verdachte en zijn mededaders had opgebouwd en

- die [persoon 1] heeft geholpen bij het regelen van een prostitutiekamer en de prostitutiekamer voor die [persoon 1] heeft betaald en

- die [persoon 1] werkinstructies heeft laten geven en

- terwijl die [persoon 1] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch en in persoon die [persoon 1] heeft gecontroleerd en laten controleren en

- de tas van die [persoon 1] heeft doorzocht en

- dagelijks alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 1] door die [persoon 1] heeft laten afstaan en

- die [persoon 2] onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en heeft gebracht om in de prostitutie te werken en te blijven werken, door haar een schuld bij hem, verdachte, en zijn mededaders te laten opbouwen en

- die [persoon 2] aanvankelijk voor te houden dat zij een grote schuld (€ 7.000,-) bij verdachte en zijn mededaders had en die [persoon 2] vervolgens voor te houden dat zij nieuwe schulden

(€ 30.000,- en € 4.000,- per maand) en boetes aan verdachte en zijn mededaders moest afbetalen en

- die [persoon 2] werkinstructies heeft laten geven en

- terwijl die [persoon 2] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch en in persoon die [persoon 2] heeft gecontroleerd en laten controleren en

- de tas van die [persoon 2] heeft doorzocht en

- dagelijks alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 2] door die [persoon 2] heeft laten afstaan en

- die [persoon 3] onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en heeft gebracht om in de prostitutie te werken en te blijven werken door haar een schuld bij hem, verdachte, en zijn mededaders te laten opbouwen en

- die [persoon 3] heeft voorgehouden dat zij een grote schuld (van ongeveer € 30.000,-) bij hem, verdachte, en zijn mededaders had en die [persoon 3] vervolgens nieuwe schulden en boetes aan hem, verdachte, en zijn mededaders moest afbetalen en

- terwijl die [persoon 3] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch en in persoon die [persoon 3] heeft gecontroleerd en laten controleren en

- dagelijks alle, althans een groot deel van de verdiensten uit de verrichte prostitutiewerkzaamheden van die [persoon 3] door die [persoon 3] heeft laten afstaan en

- die [persoon 4] onder druk heeft gezet en er zodoende toe heeft aangezet en heeft gebracht om in de prostitutie te werken en te blijven werken door haar een schuld bij hem, verdachte, en zijn mededaders te laten opbouwen en die [persoon 4] voor te houden dat zij een grote schuld bij verdachte en zijn mededaders had en vervolgens die [persoon 4] voorgehouden dat zij nieuwe schulden bij verdachte en zijn mededaders had opgebouwd en boetes aan verdachte en zijn mededaders moest betalen en

- terwijl die [persoon 4] prostitutiewerkzaamheden verrichtte telefonisch en in persoon die [persoon 4] heeft gecontroleerd en

- dagelijks alle dan wel een groot deel van de verdiensten uit de verrichte

prostitutiewerkzaamheden door die [persoon 4] heeft laten afstaan;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

in de periode van 1 maart 2008 tot en met 27 september 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders in genoemde periode bij wijze van gewoonte van geldbedragen, te weten een groot deel van de verdiensten uit de door [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [persoon 4] verrichte prostitutiewerkzaamheden de werkelijke herkomst verhuld, terwijl zij wisten dat die geldbedragen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

7.1 Het standpunt van de verdediging.

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw een beroep gedaan op psychische overmacht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte werd bedreigd, geslagen en seksueel geïntimideerd door medeverdachte [persoon 5]. De raadsvrouw heeft ter ondersteuning daarvan gedeelten uit verschillende verklaringen in haar pleitnotities opgenomen. Verdachte heeft onder invloed van deze extreme omstandigheden gehandeld, aldus de raadsvrouw, zodat weerstand tegen deze psychische drang redelijkerwijs niet kon worden gevergd en anders handelen niet tot de mogelijkheden behoorde. Nederland was immers voor verdachte een vreemd land, waarvan hij de taal niet machtig was en waar hij zijn weg niet kon vinden. Hij werd, evenals de aangeefsters, geïsoleerd. Verdachte was ondergeschikt aan en afhankelijk van [persoon 5]. De raadsvrouw concludeert dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Naar aanleiding van de reactie van de officier van justitie voegt de raadsvrouw daar nog aan toe dat verdachte bang was door de politie alleen als dader te worden beschouwd, zijn geloofwaardigheid zou niet worden bevorderd door het feit dat hij een man is.

7.2 Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie acht het niet aannemelijk dat verdachte zich niet aan de situatie kon onttrekken. De slachtoffers hebben uiteindelijk ook de moed gevonden om naar de politie te gaan en verdachte was vrij om te gaan en te staan waar hij wilde.

7.3 Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte in een toestand van zodanige psychische drang verkeerde ten tijde van het ten laste gelegde dat weerstand van hem redelijkerwijs niet kon worden gevergd. Uit het strafdossier blijkt – zoals de verdediging en de officier van justitie beiden ook hebben betoogd – dat verdachte onder druk stond. Dat ander handelen van hem niet kon worden gevergd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Daarbij speelt een rol dat de rechtbank verdachte niet heeft kunnen bevragen over het effect van de druk waaronder hij stond, nu hij zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en een deskundigenrapport over de psychische gesteldheid van verdachte eveneens ontbreekt.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen tot een door de rechtbank in redelijkheid te bepalen bedrag met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2. Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van verdachte een beroep gedaan op het non punishment beginsel uit het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel, volgens welk beginsel de mogelijkheid bestaat om slachtoffers van mensenhandel die zijn gedwongen tot illegale activiteiten niet te straffen. De raadsvrouw heeft in dat kader gepleit voor schuldig verklaring zonder oplegging van straf of maatregel op basis van de ondergeschikte rol die verdachte onder druk vervulde.

In haar pleitnotities heeft de raadsvrouw berekeningen opgenomen die resulteren in lagere schadevergoedingen voor de benadeelde partijen. Zij heeft er voorts voor gepleit om aan verdachte niet de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu dit gezien het inkomen van verdachte zo goed als zeker zal leiden tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank komt verdachte geen beroep toe op het non punishment beginsel, omdat dit niet ziet op de situatie van verdachte. Niet is komen vast te staan dat hij tot de hem in het kader van mensenhandel verweten handelingen is gedwongen. Mede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor onder 7.3 reeds heeft overwogen, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om het beroep op het non punishment beginsel te honoreren.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tezamen met anderen gedurende een periode van drie en een half jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel. Vier jonge Hongaarse vrouwen zijn door verdachte en zijn mededaders in de prostitutie gebracht en/of gehouden door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Voorts zijn de slachtoffers financieel uitgebuit doordat zij de opbrengsten uit de prostitutie geheel of grotendeels moesten afstaan. Zij verkeerden in een situatie waarin zij niet in vrijheid, zoals een mondige prostituee, konden beslissen om door te gaan met het verrichten van de werkzaamheden of om daarmee te stoppen. Zij werden gehuisvest bij verdachte en zijn mededaders en waren van hen afhankelijk, aangezien hun geld hen werd ontnomen, zij de Nederlandse taal niet machtig waren en in Nederland niemand kenden.

Verdachte heeft de persoonlijke vrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van de slachtoffers ernstig beperkt.

Hoe groot het persoonlijk leed dat door toedoen van verdachte en zijn mededaders werd teweeggebracht is, blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaringen.

[persoon 2] geeft in haar verklaring aan dat zij op den duur door alles wat haar werd aangedaan zich geen mens meer voelde. Zij leeft vandaag de dag nog altijd in angst en durft zelfs niet terug naar haar thuisland Hongarije, uit angst voor de wraak van familie en vrienden van de medeverdachten. Zij heeft het vertrouwen in mensen verloren en zal de rest van haar leven verdrietige herinneringen als een zware last met zich meedragen.

[persoon 1] relateert in haar verklaring dat zij in een hel heeft geleefd. Hoewel bevrijd voelt zij zich nog gevangen in diepe sporen die alles heeft nagelaten. Geen dag gaat voorbij zonder gedachten aan het gebeurde. Zij is psychisch nog altijd niet in orde, soms gaat het beter en soms helemaal niet. Zij heeft een jaar lang slecht geslapen, in haar dromen bleef zij in die vreselijke situatie verkeren. Haar jeugd is zij voorgoed kwijt. Het voelt voor haar nog altijd raar om te kunnen gaan en staan waar zij wil.

[persoon 3] zet in haar verklaring uiteen dat zij zich vies, vernederd en intens eenzaam heeft gevoeld. Zij kan niet begrijpen hoe zij het zo lang heeft weten vol te houden. Zij is zichzelf verloren en zou er alles voor over hebben om de klok terug te draaien. Zij is alles kwijt, niet in de laatste plaats haar identiteit. Zij kan niet van zichzelf houden en vraagt zich af hoe zij kan geloven dat haar vriend dat wel kan. Zij heeft het gevoel niets waard te zijn, is snel in paniek en heeft nog regelmatig nachtmerries. Zij probeert een normaal leven te leiden, maar van binnen is het nog een wirwar van emoties. Zij is niet echt gelukkig, schaamt zich en voelt zich nog altijd besmeurd. Zij vraagt zich af of er ooit een dag komt dat zij niet meer huilt om wat er is gebeurd.

[persoon 4] ten slotte laat in haar verklaring weten dat de jaren dat zij in de uitbuitingspositie verkeerde haar hard hebben aangegrepen. Zij heeft last van nachtmerries en wordt huilend wakker. Het lukt haar niet het te vergeten of om zich er overheen te zetten. Zij is bang dat zij nooit meer wordt zoals zij was. Zij is doodsbenauwd en teleurgesteld in het leven. Alles wat menselijk is heeft men haar afgepakt. Ze voelt zich gebroken, vernederd. Haar leven is kapotgemaakt. Zij wil niet meer bang zijn, niet meer op straat steeds om zich heen kijken of zich zorgen maken om haar familie.

Verdachte heeft zich door het afnemen van de verdiensten van de vrouwen en deze over te dragen aan zijn medeverdachten gedurende een lange periode tevens schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de integriteit van het financiële en economische verkeer. Het zorgt ervoor dat criminelen met hun illegaal en dus oneerlijk verdiende geld een maatschappelijke en financiële status kunnen verwerven die zij niet behoren te hebben.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2013 betreffende verdachte, blijkt dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de rol van verdachte een ondergeschikte is geweest.

Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[persoon 2] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de materiële schade op

€ 65.400,--, waarbij de rechtbank uitgaat van 218 gewerkte dagen en van € 300,-- verdienste per dag. De gewerkte dagen na de datum waarop [persoon 2] is gevlucht – 19 juni 2011 – zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. De immateriële schade schat de rechtbank met inachtneming van de jurisprudentie op € 5.000,-- . De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Voor het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van

[persoon 1] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op

€ 69.972,-- materiële schade, waarbij de rechtbank uitgaat van 196 gewerkte dagen en van

€ 357,-- verdienste per dag. De gewerkte dagen na de datum waarop [persoon 1] is gevlucht – 19 juni 2011 – zijn daarbij buiten beschouwing gelaten. De immateriële schade waardeert de rechtbank op € 5.000,--. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Voor het overige deel van de vordering is de benadeelde partij niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [persoon 3] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert dit deel op

€ 114.600,-- (honderd en veertienduizend en zeshonderd euro), zijnde € 107.100,-- materiële schade, waarbij de rechtbank uitgaat van 51 gewerkte weken van 6 werkdagen en van € 350,-- verdienste per dag, en € 7.500,-- immateriële schade. Dat van een hogere dagopbrengst sprake is, is betwist. Voor een hogere opbrengst biedt het dossier ook onvoldoende aanknopingspunten en beantwoording van de vraag of die hogere opbrengst er desalniettemin is geweest, levert een onevenredig belasting van het strafgeding op. De vordering kan dan ook slechts tot het hiervoor genoemde bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat slechts de behandeling van een deel van de vordering van [persoon 4] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor onder 1 bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert de materiële schade op € 446.950,--, waarbij de rechtbank uitgaat van 1.277 gewerkte dagen en van € 350,- verdienste per dag. Dat van een hogere dagopbrengst sprake is, is betwist. Voor een hogere opbrengst biedt het dossier ook onvoldoende aanknopingspunten en beantwoording van de vraag of die hogere opbrengst er desalniettemin is geweest, levert een onevenredig belasting van het strafgeding op. Het reeds teruggegeven bedrag van € 7.110,-- wordt op het hiervoor genoemde schadebedrag in mindering gebracht. Daarnaast gaat de rechtbank uit van € 5.000,- immateriële schade. De vordering kan dan ook slechts tot een bedrag van € 444.840,-- (vierhonderd en vierenveertigduizend en achthonderd en veertig euro) worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal in het belang van [persoon 2], [persoon 1], [persoon 3] en [persoon 4] voornoemd als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opleggen. Dat dit onherroepelijk zal leiden tot vervangende hechtenis, zoals door de raadsvrouw van verdachte betoogd, is naar het oordeel van de rechtbank niet komen vast te staan.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 273f en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde:

medeplegen van van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [persoon 2], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsman op het adres Postbus 76076, 1070 EB Amsterdam, toe tot € 70.400,-- (zeventigduizend en vierhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2], € 70.400,-- (zeventigduizend en vierhonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 353 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 1], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsman op het adres Postbus 76076, 1070 EB Amsterdam, toe tot € 74.972,-- (vierenzeventigduizend en negenhonderd en tweeënzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1], € 74.972,-- (vierenzeventigduizend en negenhonderd en tweeënzeventig euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van een jaar. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 3], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsman op het adres Amsterdamseweg 374sous, 1182 HS Amstelveen, toe tot € 114.600,-- (honderd en veertienduizend en zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3], € 114.600,-- (honderd en veertienduizend en zeshonderd euro) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van een jaar. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 4], domicilie kiezende ten kantore van haar raadsvrouw op het adres Leliegracht 10a, 1015 DE Amsterdam, toe tot € 444.840,-- (vierhonderd en vierenveertigduizend en achthonderd en veertig euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 4] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander of anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op 820 euro.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 4], € 444.840,-- (vierhonderd en vierenveertigduizend en achthonderd en veertig euro) aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van een jaar. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen-van Alphen, voorzitter,

mrs. N.J. Koene en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 april 2013.