Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8976

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2013
Datum publicatie
16-05-2013
Zaaknummer
AWB 12/2724 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van beheer van een persoonsgebonden budget door bewindvoerder. De Regeling subsidies ABWZ vormt geen voorliggende voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2724 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. S.G.C. Bocxe,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. R. Lo Fo Sang.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen.

Bij besluit van 25 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2013. Eiser is vertegenwoordigd door zijn toenmalige gemachtigde [gemachtigde 2], werkzaam bij [gemachtigde1] [gemachtigde 2]. Verweerder is vertegenwoordigd door H. van Golberdinge.

Bij beslissing van 17 januari 2013 heeft de enkelvoudige kamer van de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen ter behandeling door de meervoudige kamer op 21 februari 2013.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 21 februari 2013 voortgezet, gevoegd met de behandeling van de zaak met nummer AWB 12/2714 WWB. Eiser is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was namens eiser aanwezig [gemachtigde 2]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was namens verweerder aanwezig K. Nugter. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank van Amsterdam van 26 juli 2011 is [betrokkene 1] benoemd tot bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan eiser. Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 oktober 2011 is genoemde stichting met ingang van die dag ontslagen uit de functie van bewindvoerder en is met ingang van die dag [gemachtigde1] tot opvolgend bewindvoerder benoemd.

1.2. Op 8 februari 2012 is door [gemachtigde1] bijzondere bijstand aangevraagd ten behoeve van eiser voor het beheer van het aan hem ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) toegekende persoonsgebonden budget (pgb) voor het jaar 2012 tot een bedrag van € 490,87 per jaar. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

1.3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser een beroep kan doen op de Sociale verzekeringsbank (Svb) voor de taken die zij uitvoert. Het beheer van het pgb kan voor een deel gratis door het servicecentrum PGB van de Svb worden verricht. Voor de overige taken van beheer van het pgb kan eiser een verhoging van het pgb kan aanvragen. De kosten die deze taken meebrengen moeten worden betaald uit het pgb. Er zijn dus twee voorliggende voorzieningen die als toereikend en adequaat moeten worden beschouwd.

1.4. In beroep heeft eiser het standpunt van verweerder gemotiveerd betwist.

1.5. Ter zitting heeft verweerder naar voren gebracht dat niet in alle gevallen een beroep kan worden gedaan op de Svb voor beheer van het pgb. Dit is slechts mogelijk als het gaat om zorgverleners die werkzaam zijn in loondienst. In eisers geval gaat het om zelfstandigen zonder personeel en dan kan er geen beroep op de Svb worden gedaan. Desalniettemin blijft verweerder van mening dat sprake is van een voorliggende voorziening. Verweerder verwijst in dit verband naar het bepaalde in artikel 2.6.9, eerste lid, onder k en derde lid, van de Regeling subsidies AWBZ (de Regeling).

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wwb heeft, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

2.2. Op grond van artikel 15, eerste lid, van de Wwb bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

2.3. Op grond van artikel 5, aanhef en onder f, van de Wwb wordt onder een voorliggende voorziening verstaan elke voorziening buiten deze wet waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen ter bekostiging van specifieke uitgaven.

2.4. Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid en onder k, van de Regeling besteedt de verzekerde het persoonsgebonden budget uitsluitend aan bemiddelingkosten indien aan de verzekerde een persoonsgebonden budget is verleend voor een subsidieperiode die eindigde op 31 december 2011 en de organisatie waaraan de verzekerde bemiddelingskosten betaalt beschikt over een door het Keurmerkinstituut vastgesteld keurmerk voor bemiddelingsbureaus.

2.5. Op grond van artikel 2.6.9, derde lid, van de Regeling mag de verzekerde, in afwijking van het eerste lid, onderdelen a en e (deze artikelleden leggen de verzekerde diverse verplichtingen op) in een kalenderjaar maximaal 1,5% van het voor dat jaar beschikbare netto persoonsgebonden budget, maar ten minste € 250 en ten hoogste € 1.250, gebruiken voor andere betalingen dan betalingen bedoeld in onderdeel a, en geldt de verantwoordingsplicht, bedoeld in onderdeel e, niet voor dit deel van het budget.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat eiser een beroep kan doen op de Svb voor de taken die zij uitvoert en dat eiser voor de overige taken een verhoging van het pgb kan aanvragen en dat aldus sprake is van een wettelijk voorliggende voorziening. Nu verweerder de motivering van zijn standpunt dat sprake is van een voorliggende voorziening ter zitting heeft gewijzigd en daarmee het standpunt in het bestreden besluit is verlaten, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit reeds hierom berust op een motiveringsgebrek. De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

3.3. In het kader van finale geschilbeslechting zal de rechtbank bezien of er aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.4. Eiser heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de Regeling geen voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Wwb betreft. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de kosten waar eiser bijzondere bijstand voor heeft aangevraagd niet moeten worden aangemerkt als kosten die voortvloeien uit de omstandigheid dat eiser houder is van een pgb, maar als kosten die voortvloeien uit de omstandigheid dat eiser onder bewind is gesteld. Gelet daarop volgt de rechtbank verweerder niet in zijn standpunt dat de Regeling in dit geval een voorliggende voorziening vormt. De Regeling heeft immers betrekking op, kort gezegd, subsidies op grond van de AWBZ. De Regeling voorziet niet in kosten die gemoeid zijn met de omstandigheid dat een persoon onder bewind is gesteld. In de tekst of de toelichting van de Regeling is hiervoor geen steun te vinden. Voor zover op grond van de Regeling kosten worden vergoed, hebben deze kosten naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen betrekking op – zoals hier aan de orde – kosten die voortvloeien uit onderbewindstelling. Er is dan ook geen sprake van een voorziening die, gezien haar aard en doel, voor eiser toereikend en passend is. De beroepsgrond van eiser slaagt.

3.5. Vervolgens zal de rechtbank bezien of er aanleiding bestaat om zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.6. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad), zie onder meer de uitspraak van 27 januari 2009 (LJN: BH2282) volgt dat bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de Wwb eerst dient te worden beoordeeld of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.

3.7. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld, dat als eiser als gevolg van zijn onderbewindstelling of om andere redenen de kosten van het beheer van het pgb niet kan betalen uit het verantwoordingsvrije deel van het pgb, hij had moeten kiezen voor verlening van zorg in natura. De rechtbank begrijpt dat verweerder zich aldus op het standpunt stelt dat de kosten van beheer van het pgb van eiser niet zijn aan te merken als noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de Wwb en dat ook op die grond de bijzondere bijstand kon worden geweigerd. Ook hierin volgt de rechtbank verweerder niet. De wetgever heeft in het stelsel van de AWBZ degene die in aanmerking komt voor zorg op grond van die wet de keuze gelaten tussen of hij die zorg wil genieten in de vorm van een pgb of als zorg in natura. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de wetgever heeft beoogd deze keuzevrijheid voor personen die onder bewind zijn gesteld te beperken. De rechtbank acht de kosten waar eiser bijzondere bijstand voor heeft verzocht, mede in aanmerking genomen dat hij onderbewind is gesteld, dan ook noodzakelijk.

3.8. Niet in geschil is voorts dat deze kosten zich voordoen. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat gelet op eisers onderbewindstelling ook sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 9 november 2010 (LJN: BO4643).

3.9. Uit het voorgaande vloeit voort dat er geen aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Nu is voldaan aan de in artikel 35, eerste lid, van de Wwb genoemde voorwaarden voor verlening van de bijzondere bijstand kan een nader op bezwaar te nemen besluit slechts inhouden dat het primaire besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen gerichte bezwaar, wordt herroepen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door aan eiser voor het jaar 2012 de verzochte bijzondere bijstand toe te kennen tot een bedrag van € 490,87 en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3.10. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht van € 42,- te vergoeden.

3.11. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Besluit). Omdat eiser alleen op de nadere zitting werd vertegenwoordigd door een professionele rechtsbijstandverlener begroot de rechtbank deze kosten op € 236,- (een halve punt voor het punt voor het verschijnen ter nadere zitting, waarde per punt € 472,-), te betalen aan eiser.

[gemachtigde 2] heeft om vergoeding verzocht van zijn reiskosten. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit komen die kosten in aanmerking voor vergoeding en bedraagt het tarief voor vergoeding van reiskosten een tarief waarvan de hoogte gelijk is aan de kosten die gemaakt zijn per openbaar middel van vervoer, laagste klasse dan wel een kilometervergoeding van € 0,28 per kilometer indien openbaar vervoer niet of niet voldoende mogelijk is. Gesteld noch gebleken is dat het gebruik van openbaar vervoer voor [gemachtigde 2] niet of niet voldoende mogelijk was. Hij komt daarom voor een reiskostenvergoeding in aanmerking ter hoogte van € 18,20 voor een dagretour Lelystad – Amsterdam Zuid in verband met de zitting van 8 januari 2013. De kosten worden aldus in totaal begroot op € 254,20.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 24 februari 2012 en bepaalt dat aan eiser voor het jaar 2012 bijzondere bijstand wordt toegekend tot een bedrag van € 490,87;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 42,- (tweeënveertig euro) aan eiser dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eiser van deze procedure tot een bedrag van € 254,20 (tweehonderd en vierenvijftig euro en twintig eurocent), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, voorzitter, mrs. L.H. Waller en K. Oldekamp-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2013.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB