Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ8064

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
19-04-2013
Zaaknummer
13/664161-12 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij vonnissen van 18 april legt de rechtbank Amsterdam geen straf op aan de eigenaar en medewerkers van twee coffeeshops voor het aanhouden buiten de coffeeshops op een geheime plaats van de voorraad wiet en hasj waarmee zij de verkoopvoorraad in de coffeeshops aanvullen. Weliswaar handelen de betrokkenen hiermee in strijd met het gedoogbeleid en mag de officier van justitie om die reden vervolgen, maar het gaat hier om de handelsvoorraad voor een week, terwijl voor het overige geen aanmerkingen te maken zijn op de bedrijfsvoering. Zo wordt onder meer een behoorlijke boekhouding gevoerd en wordt tegenover de fiscus op behoorlijke wijze verantwoording afgelegd. De rechtbank Amsterdam sluit zich hiermee aan bij een gelijk oordeel, gegeven door de rechtbank Den Haag op 21 december 2012 (LJN BY 7120).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/166

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/664161-12 (Promis)

Datum uitspraak: 18 april 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte A],

geboren te [plaats] op [datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 april 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Boheur en van wat verdachte en zijn raadsman mr dr H.K. ter Brake naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

[Medeverdachte B] op of omstreeks 11 april 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3760 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 4680 gram en/of 360 sigaretten met hasjiesj en/of hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, tot dat/die feit(en) opdracht heeft gegeven, althans feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedraging(en);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 april 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3760 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd en/of ongeveer 4680 gram en/of (ongeveer) 360 sigaretten met hasjiesj en/of hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hasjiesj en/of hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3. Voorvragen

3.1. De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft, zoals hieronder nader uiteen is gezet, een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep tegengesproken. Op het verweer zal hieronder nader worden ingegaan. De rechtbank zal allereerst een korte inleiding geven over de feiten die hebben geleid tot de vervolging van verdachte. Vervolgens zal de rechtbank het gedoogbeleid ten aanzien van softdrugs uiteenzetten, waarna aan de hand van de inhoud van het door de verdediging gevoerde verweer, de reactie daarop van de officier van justitie en het toetsingskader, de rechtbank haar oordeel zal geven.

3.2. Aanleiding vervolging verdachte

[medeverdachte B] (hierna: de vennootschap) exploiteerde ten tijde van het ten laste gelegde twee coffeeshops. [Verdachte A] (hierna: verdachte) was enig aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap. De gemeente Amsterdam heeft volgens de 'gedoogverklaring behorende bij exploitatievergunning coffeeshop' aan verdachte de gedoogverklaring verleend tot het verkopen van softdrugs vanuit twee coffeeshops, één gevestigd aan de [adres A] en één aan de [adres B]. Volgens niet weersproken opgave van het hoofd personeel en organisatie van de vennootschap, en tevens medeverdachte in deze zaak, medeverdachte C had de coffeeshop in [adres A] 500 tot 800 klanten per dag en de coffeeshop in [adres B] 100 tot 120 klanten per dag, in de periode waarin het ten laste gelegde plaats vond.

Op 11 april 2011 werd door de politie een zogenaamde stash, een externe voorraadopslag, aangetroffen op de [adres C]. Aldaar werd een hoeveelheid van ongeveer 8440 gram hennep en hasjproducten aangetroffen en ongeveer 360 voor gebruik gereed gemaakte joints. Naast de aangetroffen softdrugs werd een computer aangetroffen waarin de administratie van de coffeeshops werd bijgehouden voor zover het om dagomzetten en de omvang en aard van de voorraad ging.

De manager van beide coffeeshops, [medeverdachte D], tevens medeverdachte in deze zaak, was op het moment waarop die stash door de politie werd aangetroffen in de woning aanwezig. De woning was gehuurd op naam van [medeverdachte C]. [medeverdachte D] hield zich daar bezig met het meerdere keren per dag ophalen van softdrugs om de coffeeshops te bevoorraden en het vervoer van enveloppen met geld, de dagomzetten. Uit de auto waarin [medeverdachte D] reed, zijn drie enveloppen met in totaal een bedrag van € 10.209,15 in beslag genomen.

De officier van justitie en de verdachte zijn het er over eens dat de in de stash aangetroffen softdrugs de bedrijfsvoorraad betrof die de coffeeshop aanhield om de handelsvoorraden in de coffeeshops aan te vullen zodra van een bepaald type softdrugs de handelsvoorraad was geslonken.

Voor het houden van deze externe bedrijfsvoorraad wordt de verdachte vervolgd, tezamen met de vennootschap, het hoofd personeel en organisatie van de vennootschap [medeverdachte C] en de manager van de coffeeshops [medeverdachte D].

3.3. Het gedoogbeleid

Uit de ten tijde van het ten laste gelegde geldende aanwijzing Opiumweti kan worden opgemaakt dat bij het coffeeshopbeleid er sprake is van het gedogen van bepaalde strafbare feiten. De grondslag van het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang, de volksgezondheid en de openbare orde.

Op veel plaatsen is een lokaal coffeeshopbeleid tot stand gekomen waarbij regulering plaatsvindt door middel van een vergunningenstelsel. Daarnaast werkt het Openbaar Ministerie bij de totstandkoming en handhaving van lokaal coffeeshopbeleid samen met de lokale autoriteiten. Naast de in artikel 13b van de Opiumwet opgenomen bestuurs- dwangbevoegheid van de burgemeester, blijven de bevoegdheden om strafrechtelijk op te treden bestaan indien er niet wordt gehandeld in overeenstemming met het lokaal geldende coffeeshopbeleid.

In die aanwijzing Opiumwet zijn de strikte voorwaarden opgenomen, de zogenoemde AHOJG-criteria, waar binnen de verkoop van softdrugs in coffeeshops wordt gedoogd. De achtergrond daarvan is dat de overheid het bezit voor eigen gebruik van cannabis, vanwege gezondheidsrisico's, wil ontmoedigen en wil voorkomen dat gebruikers bij de aanschaf van cannabis in aanraking komen met een criminele omgeving. Bij de beoordeling van de vraag of tegen een coffeeshop - een bij de wet verboden situatie - strafrechtelijk opgetreden dient te worden, gelden de volgende criteria: coffeeshops mogen geen reclame maken (affichering; A), geen harddrugs voorhanden hebben of verkopen (harddrugs; H), geen overlast veroorzaken (overlast; O), niet toegankelijk zijn voor en niet verkopen aan jeugdigen (jeugd; J) en slechts een beperkte hoeveelheid verkopen per transactie (geringe hoeveelheid; G).

Onder bovenstaande voorwaarden zal in beginsel tegen coffeeshops die op grond van het lokale driehoeksoverleg worden gedoogd, niet strafrechtelijk worden opgetreden. Eveneens kan in de driehoek de maximale handelsvoorraad van gedoogde coffeeshops worden vastgesteld. De voorraad zal in elk geval de 500 gram niet te boven gaan.

De gemeente Amsterdam heeft in het visiedocument 'Amsterdamse visie op coffeeshops'ii aangegeven dat de Amsterdamse visie op coffeeshops dient te worden beschouwd in het licht van het landelijk kader voor het gedoogbeleid. De uitwerking van de visie vindt daarom plaats binnen de landelijk bepaalde juridische en beleidsmatige kaders. De gemeente Amsterdam gedoogt coffeeshops op grond van de landelijke AHOJG-criteria, beoordeelt exploitanten op hun levensgedrag en voert een toets op grond van de wet BIBOB uit alvorens een exploitatievergunning verstrekt wordt.

De gemeente Amsterdam heeft in datzelfde visiedocument wel haar kanttekeningen geplaatst bij de doelstellingen van de coffeeshop, te weten het gescheiden houden van hard- en softdrugs en het scheiden van het goede van het slechte. Eén van die kanttekeningen is de achterdeurproblematiek. De achterdeurproblematiek, inhoudende het gedogen van het verkopen door coffeeshops en het tegelijkertijd verbieden diezelfde coffeeshops te bevoorraden, roept al vanaf de oorsprong van het coffeeshopbeleid vragen op. Hierbij wordt aangetekend dat in Amsterdam betrokkenheid van georganiseerde criminaliteit in de hennepteelt wordt geconstateerd. De gemeenteraad van Amsterdam heeft meerdere malen bij de landelijke overheid gepleit voor regulering van de achterdeur, echter zonder resultaat.

Ook het aan verdachte ten laste gelegde heeft te maken met deze achterdeurproblematiek.

3.4. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, nu het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging daaraan in de weg staan. De verdediging heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Voorop wordt gesteld dat de gemeente Amsterdam, de belastingdienst en de Kamer van Koophandel op de hoogte waren van deze externe bedrijfsopslag, nu het bestaan daarvan op bij hen ingediende jaarrekeningen is vermeld. De jaarrekeningen vermelden "stashkosten" in de winst en verliesrekeningen en een aanzienlijk bedrag aan voorraden op de balans. Daarnaast wist ook de voormalige buurtrechercheur van het bestaan van die externe bedrijfsopslag, nu dat tijdens periodieke overleggen met die voormalige buurtrechercheur ter sprake is gekomen. Hierdoor moest het ook voor het Openbaar Ministerie volstrekt duidelijk zijn dat het hebben van een externe bedrijfsvoorraad softdrugs noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering van een commercieel geëxploiteerde coffeeshop als '[medeverdachte B]' en om de continuïteit van de gedoogde verkoop van softdrugs te kunnen realiseren. Noch het Openbaar Ministerie noch de gemeente hebben tegen deze gang van zaken ooit bezwaar gemaakt, waardoor zij deze zogeheten 'achterdeurproblematiek' eveneens hebben gedoogd. Door toch te vervolgen heeft het Openbaar Ministerie het gerechtvaardigde vertrouwen van verdachte geschonden dat het aanhouden van een externe bedrijfsvoorraad zou worden gedoogd en niet tot strafvervolging zou leiden.

De raadsman stelt hierbij voor, indien de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd voelt over de contacten die er zijn geweest tussen de vertegenwoordigers van verdachte en de vertegenwoordigers van de driehoek, om die vertegenwoordigers van de driehoek, te weten de voormalige buurtrechercheur en de strategisch veiligheidsadviseur van Stadsdeel Oost, als getuigen te horen.

Subsidiair voert de raadsman in het kader van het vertrouwensbeginsel aan dat het een feit van algemene bekendheid is dat een coffeeshop over een externe bedrijfsvoorraad moet beschikken, waardoor verdachte alleen al op basis daarvan erop mocht vertrouwen dat het houden van een externe bedrijfsvoorraad onder het gedoogbeleid zou vallen nu daar nimmer door het Openbaar Ministerie en de gemeente bezwaar tegen is gemaakt.

Voorts ligt er aan de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot strafrechtelijke vervolging van verdachte over te gaan geen kenbare redelijke en billijke belangenafweging ten grondslag, met name omdat het bestuurlijke aspect van de feitelijke gedoogsituatie en het concrete belang van verdachte om niet vervolgd te worden niet zijn meegenomen. Daar komt bij dat de uitkomst van een eventueel gemaakte belangenafweging, namelijk strafvervolging, ronduit onbillijk genoemd kan worden.

Ter onderbouwing van het niet-ontvankelijkheidsverweer is door de raadsman verwezen naar een drietal uitspraken, te weten de uitspraak van het gerechtshof 's-Gravenhage van 2 februari 2012, LJN: BV2572 (coffeeshop Checkpoint), de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 4 april 2012, LJN: BW0879 (coffeeshop Blowboot) en de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 15 oktober 2012, LJN: BY9121.

3.5. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een gewekt vertrouwen waardoor zij wel degelijk ontvankelijk kan worden verklaard in de vervolging. De officier van justitie heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de officier van justitie naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 september 2011 (niet gepubliceerd) waarin die verdachte schuldig werd bevonden aan het witwassen met betrekking tot het geld dat hij heeft verdiend uit de verkoop van softdrugs via zijn coffeeshop, nu die verdachte zich niet had gehouden aan de gedoogcriteria met betrekking tot de bedrijfsvoorraad. De officier van justitie verwijst hierbij ook naar de in diezelfde uitspraak opgenomen overweging van de Hoge Raad uit het arrest van 4 maart 2003, LJN: AF1965, te weten:

"3.4.2. Zodanig uitgangspunt brengt mee dat in het geval de betrokkene de grenzen van dit gedoogbeleid overschrijdt - bijvoorbeeld doordat hij tevens (in de coffeeshop en/of elders) andere strafbare gedragingen op het gebied van drugs verricht, die niet aan de desbetreffende gedoogvoorwaarden voldoen - hij in beginsel niet erop mag vertrouwen dat niet strafrechtelijk zal worden opgetreden."

Het is niet noodzakelijk om een externe bedrijfsopslag aan te houden. In het algemeen wordt dat wel veel gedaan, maar daar is geen toestemming voor gegeven. Het is niet toegestaan om meer dan 500 gram in voorraad te hebben en verdachte heeft zich door het houden van een externe bedrijfsvoorraad niet gehouden aan de gedoogcriteria, waarvoor verdachte strafrechtelijk vervolgd kan worden. Het Openbaar Ministerie ziet in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken, de wetgeving dient te worden gehandhaafd, aldus de officier van justitie.

Ook dat tussen verdachte en de voormalige buurtrechercheur mogelijk is gesproken over de aanwezigheid van die externe bedrijfsvoorraad en dat op de balansen die aan de belastingdienst werden overgelegd de externe bedrijfsopslag als aftrekpost werd opgegeven, zijn geen argumenten om te veronderstellen dat het aanhouden van een externe bedrijfsvoorraad zou worden gedoogd en niet tot strafvervolging zou leiden. Indien de rechtbank een andere mening is toegedaan, verzoekt de officier van justitie de voormalige buurtrechercheur als getuige te horen.

3.6. Het oordeel van de rechtbank

3.6.1. De vraag die ter beantwoording aan de rechtbank voorligt, luidt of de officier van justitie door op basis van het uit het opsporingsonderzoek verkregen resultaten tot dagvaarding over te gaan, heeft gehandeld in strijd met enig beginsel van behoorlijk procesrecht.

3.6.2. Toetsingskader

Op grond van artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering is de beslissing om te vervolgen, dus om een zaak ter berechting aan de rechter voor te leggen, aan het Openbaar Ministerie, dat moet afwegen of berechting haalbaar en opportuun is. Het Openbaar Ministerie heeft een zelfstandige beslissingsbevoegdheid met betrekking tot de vraag of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden of dat er moet worden afgezien van vervolging op gronden aan het algemeen belang ontleend. De beslissing om tot vervolging over te gaan kan slechts marginaal door de rechtbank worden getoetst en de rechtbank zal dat doen op basis van het vertrouwensbeginsel en het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.

Onder het vertrouwensbeginsel wordt verstaan dat door de overheid opgewekte verwachtingen in redelijkheid dienen te worden gehonoreerd, tenzij zwaarwichtige belangen zich daartegen verzetten (Hoge Raad 13 september 1983, NJ 1984, 151). Die opgewekte verwachtingen moeten volgens de Hoge Raad wel door het Openbaar Ministerie of in diens opdracht zijn opgeroepen of anderszins kunnen worden beschouwd als een aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen toezegging (Hoge Raad 13 september 1988, LJN: AC3188).}iii

Onder het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging wordt verstaan dat van een strafrechtfunctionaris, in casu de officier van justitie, mag worden verlangd dat hij de in aanmerking komende belangen behoorlijk tegen elkaar afweegt. Dat houdt in dat op een voor de betrokkenen minst bezwarende wijze moet worden opgetreden (subsidiariteit) en dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen die wijze van optreden en het beoogde doel (proportionaliteit). Als het doel ook kan worden bereikt op een manier waardoor de betrokkene minder wordt getroffen, moet daarvoor worden gekozen.iv Nu het hier gaat om een discretionaire bevoegdheid, mag de rechtbank slechts marginaal toetsen of de belangenafweging kennelijk onredelijk is en dat het Openbaar Ministerie dus in redelijkheid niet tot vervolging heeft kunnen overgaan. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 november 2012 (LJN: BX4280). De beslissing om tot vervolging over te gaan, leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechtelijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, om reden dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.

3.6.3. Beoordeling van het verweer

De rechtbank stelt aan de hand van het landelijke en gemeentelijk gedoogbeleid vast dat van expliciet gedogen (wat ook niet door de verdediging is aangevoerd) van het aanhouden van een externe bedrijfsvoorraad aan hasjiesj en hennep nooit sprake is geweest.

Evenmin kan worden vastgesteld dat het aanhouden van een externe bedrijfsvoorraad aan hasjiesj en hennep in casu impliciet is gedoogd. Naar het oordeel van de rechtbank kon verdachte uit het enkele feit dat de voormalig buurtrechercheur wetenschap had van het feit dat er sprake was van een externe bedrijfsvoorraad, niet het vertrouwen ontlenen dat zij niet zou worden vervolgd. Ook uit de opgave van stashkosten in de jaarrekeningen en het daaropvolgende stilzitten van de belastingdienst, kon verdachte niet het vertrouwen putten dat zij niet zou worden vervolgd.

Overigens is het naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bijzondere zelfstandige positie en eigen verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie voor de vervolging van strafbare feiten, niet zonder meer juist om het beweerdelijk - wat daar ook van zij - door de buurtrechercheur en de belastingdienst opgewekte vertrouwen eveneens aan de officier van justitie toe te rekenen. De rechtbank ziet daarom ook geen reden om de door de verdediging voorwaardelijk verzochte getuige te horen.

Van concrete en duidelijke toezeggingen aan verdachte - in de zin van een positieve actie van het Openbaar Ministerie - dat zij niet zou worden vervolgd, een eis die de Hoge Raad in arrest van 6 juli 2010 (LJN: BK6346) voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel lijkt te hanteren, is immers geen sprake geweest, trouwens ook niet volgens de stelling van de verdediging.

Wat betreft het subsidiair door de verdediging aangevoerde, te weten de algemene wetenschap omtrent het aanhouden van externe bedrijfsvoorraden, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank deelt de mening van de verdediging dat alle betrokken ambtsdragers ervan op de hoogte moeten zijn dat een doorsnee coffeeshop, dus ook verdachte, een externe bedrijfsvoorraad aanhoudt. Het bestaan van die wetenschap en het vervolgens daarop niet (actief) handelen moge 'schizofreen' zijn (zoals dat door de verdediging is genoemd), maar daarmee is nog niet gegeven dat de officier van justitie niet in haar vervolging kan worden ontvangen.

Ook overweegt de rechtbank dat verdachte zelf kennelijk ook niet de opvatting was toegedaan dat haar externe bedrijfsopslag ongemoeid zou worden gelaten, nu die externe bedrijfsvoorraad op een geheime plek werd bewaard.

Gelet op het marginale toetsingskader waarbinnen de rechtbank moet oordelen en op het hiervoor omschreven kader waarin de verkoop van softdrugs gedoogd wordt, kan niet worden geconcludeerd dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot de vervolging van de verdachte heeft kunnen besluiten.

3.6.4 Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank stuit het verweer van de verdediging in al zijn onderdelen af op de omstandigheid dat bij verdachte niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen bestaan dat zij ter zake van het haar verweten feit niet vervolgd zou worden. Immers, concrete en duidelijke toezeggingen van die strekking zijn haar nimmer gedaan. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot de vervolging van verdachte kunnen besluiten.

3.6.5. Uit het voorgaande volgt dat de officier van justitie in haar vervolging kan worden ontvangen.

4. Het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank het primair aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken en overweegt daartoe als volgt.

Van bewijsbaar leiding geven door verdachte aan het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs door [medeverdachte B], subsidiair medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben daarvan is geen sprake, nu verdachte zich volledig heeft gedistantieerd van de exploitatie van de externe bedrijfsvoorraad, zoals verdachte dat ter terechtzitting en bij de politie heeft verklaard.

Hierdoor kunnen de zogeheten 'Slavenburg criteria' niet worden toegepast voor het bewijs van feitelijk leiding geven of opdracht geven, omdat die criteria veronderstellen dat er tenminste bekendheid met de betreffende gedraging is.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Met de officier van justitie - maar anders dan de verdediging - is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen die de rechtspersoon heeft gepleegd en overweegt hiertoe als volgt.

De Hoge Raad heeft in het zogeheten Slavenburg-arrest (Hoge Raad 16 december 1986, NJ 1987, 321/322), bepaald hoe de wetenschapsvraag dient te worden beantwoord, te weten met behulp van het aanvaardingscriterium en het machtscriterium. De rechtbank is van oordeel dat beide criteria op verdachte van toepassing zijn.

Het aanvaardingscriterium, inhoudende: 'bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen', uit zich in de vorm dat verdachte willens en wetens de bevoorrading van zijn twee coffeeshops heeft uitbesteed aan [medeverdachte C]. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij daar zelf niet mee bezig wil zijn omdat dan de kans aanwezig is dat hij wordt aangehouden met als gevolg dat hij mogelijk zijn vergunning kan kwijtraken. Verdachte heeft [medeverdachte C] daarom carte blanche gegeven, wat inhoudt dat [medeverdachte C] de opdracht van bevoorrading in complete vrijheid mag uitvoeren. Uit het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot te conclusie dat verdachte, anders dan door de verdediging is betoogd, wel degelijk wist dat [medeverdachte C] tegen de gedoogregels in er een externe bedrijfsvoorraad op na hield waardoor de vennootschap strafrechtelijk handelde.

Het machtscriterium, inhoudende: 'indien de desbetreffende functionaris - hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden - maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat', uit zich in de vorm dat verdachte als enig bestuurder altijd de mogelijkheid had om een einde aan de verboden gedragingen te maken, maar dat heeft nagelaten.

Gelet op het voorgaande en gelet op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat zoals opgenomen in bijlage 1 grondt de rechtbank haar beslissing dat verdachte het primair bewezen geachte heeft begaan zoals hieronder weergegeven.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 1 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

[medeverdachte B] op 11 april 2011 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 3760 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) en ongeveer 4680 gram en 360 sigaretten met hasjiesj of hennep, zijnde hasjiesj en hennep telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, terwijl hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, feitelijk leiding heeft gegeven aan die verboden gedragingen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de beslissing ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht

8.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op standpunt dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd en heeft daartoe gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 200 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over een eventuele strafmaat. Wel heeft de verdediging aangevoerd dat de officier van justitie door deze eis te stellen, snoeihard strafrechtelijk optreed.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte schuldig verklaren maar geen straf of maatregel opleggen. Voor de motivering hiervoor sluit de rechtbank aan bij de motivering die de rechtbank 's-Gravenhage voor een gelijke beslissing heeft gegeven bij vonnis van 21 december 2012 (LJN: BY7120).

De rechtbank heeft verdachte hierboven schuldig bevonden aan het feitelijk leiding geven aan de aanwezigheid van bijna 8,5 kilo hennep en hasjproducten en ongeveer 360 voor gebruik gereed gemaakte joints, aangetroffen in een externe opslagplaats. Hierdoor werd in strijd met de gedoogvoorwaarden gehandeld.

De rechtbank stelt vast dat het bewezen geachte feit is begaan in het kader van de exploitatie van de twee coffeeshops. Hier doet zich het merkwaardige en niet anders dan als schijnbaar tegenstrijdig aan te duiden feit voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich aan de zogenaamde AHOJG-criteria houdt, gedoogd wordt waar het in die criteria genoemde handelingen dan wel het nalaten daarvan betreft, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een - voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke - voorraad en de aankoop van de verdovende middelen bij kwekers dan wel tussen- of groothandelaren onverminderd verboden zijn en even zoveel strafbare feiten opleveren.

De verdediging heeft uitvoerig bepleit dat deze - door haar niet zonder enig recht als hypocriet aangeduide - situatie in navolging van enkele uitspraken van andere rechterlijke instanties tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zou dienen te leiden. De rechtbank heeft hiervoor gemotiveerd uiteengezet waarom zij dit standpunt, waar het de beslissing van het openbaar ministerie betreft om tot vervolging over te gaan, niet deelt. Overigens ligt hier een taak voor de wetgever; het is niet aan de rechter om te treden in de beoordeling van de strafbaarstelling van de verweten gedragingen.

Los van het voorgaande overweegt de rechtbank het volgende. De coffeeshop in [adres A] had tussen de 500 tot 800 klanten per dag. Aannemend dat een klant gemiddeld twee gram softdrugs per keer koopt, bedraagt de dagelijkse omzet in softdrugs van [medeverdachte B] locatie Amsterdam Oost ongeveer 1600 gram. Hieruit maakt de rechtbank op dat de voorraad die in de coffeeshop aanwezig mocht zijn, met toepassing van het 500-gram criterium, niet toereikend was voor de dagelijkse exploitatie van die coffeeshop. Voorts kan uit deze berekening worden opgemaakt dat de hoeveelheid die in beslag is genomen, te weten ongeveer 8,5 kilo hennep en hasjproducten en ongeveer 360 voor gebruik gereed gemaakte joints, de voorraad was voor ongeveer een week. Deze hoeveelheid komt de rechtbank niet als onredelijk of extreem voor en is direct te relateren aan de omzet van de coffeeshop.

De feitelijk leidinggevenden hebben bij de verhoren door de politie en ten overstaan van de rechtbank openheid betracht omtrent de wijze waarop zij de coffeeshops dreven, inclusief de achterdeurproblematiek, behalve met betrekking tot hun leverancier(s). De rechtbank heeft de indruk dat de vennootschap haar zaken goed op orde heeft. Van enige overtreding van de overige gedoogvoorwaarden blijkt dan ook hoegenaamd niets uit het dossier. Ook de financiële zaken van de vennootschap zijn, mede door de behoorlijke wijze waarop werd boekgehouden en de voorraad wordt bijgehouden, grotendeels kenbaar. De vennootschap heeft keurig aan haar belastingverplichtingen voldaan door opgave te doen van haar omzet waarbij zij de kosten voor de externe bedrijfsopslag heeft opgevoerd. Uit deze omzetcijfers kan worden opgemaakt dat zij per dag meer omzette dan de toegestane voorraad van 500 gram.

Op grond hiervan komt de rechtbank tot de slotsom dat de door verdachte en haar medeverdachten gepleegde feiten alle het rechtstreekse uitvloeisel en tevens onlosmakelijke gevolg zijn van de exploitatie van de twee coffeeshops, terwijl het bij dat laatste om een in beginsel gedoogde activiteit gaat. Dat deze exploitatie noodzakelijkerwijs betekende dat verdachte een strafbaar feit pleegde door een externe bedrijfsvoorraad aan te houden, disculpeert haar niet, maar kleurt de feiten wel in hoge mate in. Hoe men ook denkt over het bestaan van coffeeshops en (de schadelijkheid van) het wijd verspreide gebruik van softdrugs, het alternatief in de vorm van een compleet verbod en illegale straathandel is in ieder geval nog veel minder aanlokkelijk. In zoverre vervullen de Nederlandse coffeeshops als minste van twee kwaden een maatschappelijke functie. Zolang echter de wetgever in gebreke blijft om de achterdeurproblematiek te regelen en het Openbaar Ministerie ervoor kiest om zaken waarin die problematiek speelt aan de rechter voor te leggen zal deze een - inhoudelijke - beslissing op de hem voorgelegde feiten dienen te geven.

Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat wat verdachte verweten wordt in feite neerkomt op het op economisch verantwoorde wijze exploiteren van twee coffeeshops waarvan één van enige omvang, is zij van oordeel dat met de constatering dat dit een strafbaar feit is en verdachte daarvoor strafbaar is, kan worden volstaan. Daarom zal zij, toepassing gevend aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, aan verdachte geen straf of maatregel opleggen.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, terwijl hij tezamen en in vereniging met een ander feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.J. Cohen Tervaert, voorzitter,

mrs. J.L. Hillenius en T.H. van Voorst Vader, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Zuithoff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2013.

i Aanwijzing Opiumwet, identificatienummer BWBR0021625, inwerking getreden op 1 januari 2001, laats gewijzigd 1 januari 2007 en ingetrokken op 30 juni 2011.

ii Concept 2 november 2010, OOV/Expertise Team.

iii Het Nederlands strafprocesrecht, Mr. G.J.M. Corstens bewerkt door Prof. Mr. M.J. Borgers, 7e druk, blz. 46.

iv Het Nederlands strafprocesrecht, Mr. G.J.M. Corstens bewerkt door Prof. Mr. M.J. Borgers, 7e druk, blz. 50.