Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ7893

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-04-2013
Datum publicatie
18-04-2013
Zaaknummer
13-708132-11 (A) en 13-731013-13 (B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak mensenhandel (artikel 273f Sr). Onvoldoende minimum aan bewijsgronden t.a.v. afzonderlijke ten laste gelegde mensenhandel feiten, niet voldaan aan voorwaarde zelfstandig gefundeerd en verklaard feit voor gebruik schakelbewijs, geen aangifte mensenhandel, het bestanddeel van 'het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen" (sub 3) niet bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2013/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/708132-11 (A) en 13/731013-13 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 18 april 2013

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1973],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres], [postcode plaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15, 21 en 22 maart 2013.

Na beraadslaging in raadkamer heeft de rechtbank de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De zaken van verdachte is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummers 13/708074-12 (A) en 13/731014-13 (B)), [medeverdachte 2] (parketnummer 13/708133-11) en [medeverdachte 3] (parketnummer 13/708055-12).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N. Voorhuis en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. M.S. Gerson en S.E.W.C.M. Kneepkens, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel in vereniging – kort gezegd – dat hij zes vrouwen, te weten [A], [B], [C], [D], [E] en [F] door het gebruik van een aantal in de tenlastelegging omschreven genoemde middelen en omstandigheden met het oogmerk van uitbuiting in de prostitutie heeft gebracht en gehouden.

Daarnaast wordt verdachte verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van verdiensten uit de door hiervoor genoemde personen verrichtte prostitutiewerkzaamheden, deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en overtreding van de Wet wapens en munitie. De volledige tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3. Voorvragen

3.1. Geldigheid dagvaarding

3.1.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de dagvaarding ten aanzien van het onder 2 (gewoontewitwassen), 5 en 6 (overtreding Wet wapens en munitie) ten laste gelegde in zaak A (partieel) nietig dient te worden verklaard, nu de tenlastelegging voor dit feit niet voldoet aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Deze onderdelen van de tenlastelegging zijn onvoldoende feitelijk, ondeugdelijk en incompleet. Het is onduidelijk welke contante geldbedragen worden ten laste gelegd, nu uit het dossier niet blijkt welke bedragen uit prostitutie zouden zijn afgestaan. Voorts zijn op verschillende tijdstippen en op verschillende locaties diverse wapens onder verschillende goednummers in beslag genomen, zodat de aanduiding van de pleegplaats en de algemene omschrijving van de inbeslaggenomen voorwerpen onvoldoende feitelijk is omschreven.

3.1.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding geen standpunt ingenomen.

3.1.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding voldoet aan de wettelijke eisen, zoals die in artikel 261 Sv zijn vastgesteld.

In de tenlastelegging zijn voor het onder 2, 5 en 6 ten laste gelegde in zaak A de pleegperiode en pleegplaats voldoende duidelijk omschreven en zijn de goederen en geldbedragen voldoende geconcretiseerd. Uit de wijze waarop het dossier is samengesteld en de inhoud van het dossier valt voldoende duidelijk af te leiden waar verdachte van wordt beschuldigd en is ook voor de verdediging voldoende duidelijk waartegen zij verweer zou moeten voeren. Het verweer tot (partiële) nietigheid van de dagvaarding wordt daarom verworpen.

Ook voor het overige is de dagvaarding geldig.

3.2. Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

3.2.1. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft het preliminair gevoerde verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zaak A gehandhaafd en heeft – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat door een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen aan de zijde van het Openbaar Ministerie de waarheidsvinding in het geding is gekomen en de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen is geschaad. Er is gewezen op een zestal omstandigheden ter illustratie van de vormverzuimen en/of het onzorgvuldig handelen. Het Openbaar Ministerie dient daarom op grond van artikel 359a Sv niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft ten aanzien van zaak B bepleit dat al iemand anders is veroordeeld voor mensenhandel jegens [E] in de periode van 1 juni 2005 tot 1 september 2006. Deze periode is eveneens aan verdachte ten laste gelegd. De verdediging heeft primair verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren op grondslag van het ne bis in idem beginsel en subsidiair vanwege het feit dat de officier van justitie doelbewust en met grove veronachtzaamheid heeft nagelaten – op verzoek van de verdediging – de betreffende uitspraak aan het dossier toe te voegen.

3.2.2. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – zakelijk weergegeven – ten aanzien van de ontvankelijkheid in zaak A op het standpunt gesteld dat de betrokken verbalisanten in het opsporingsonderzoek niet de belangen van verdachte op doelbewuste en grove wijze hebben veronachtzaamd. Van boos opzet van politie en/of het Openbaar Ministerie is niet gebleken. Bovendien is geen sprake van onherstelbare vormverzuimen.

De officier van justitie heeft ten aanzien van haar ontvankelijkheid in zaak B aangevoerd dat – nog afgezien van het niet expliciet melden door de verdediging dat behoefte is geweest aan verstrekking van bedoeld vonnis – het achterwege laten daarvan niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Voorts is geen sprake van een dubbele vervolging van deze verdachte en doet zich daarom geen ne bis in idem situatie voor.

3.2.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft ter terechtzitting reeds op het gevoerde preliminaire verweer in zaak A een beslissing genomen, namelijk dat het verweer wordt verworpen, en zij ziet geen aanleiding daar thans anders over te beslissen.

Voorop gesteld dient te worden dat voor een niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie – gelet op de richtinggevende jurisprudentie van de Hoge Raad – alleen dan plaats is indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium: Hoge Raad 30 maart 2004, LJN AM2533). En voorts in de gevallen van zeer fundamentele inbreuken, waarbij de belangen van verdachte weliswaar niet zijn geschaad, maar het wettelijke systeem in de kern is geraakt (het Karman-criterium: Hoge Raad 1 juni 1999, LJN ZD1143).

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging aangevoerde omstandigheden, zowel op zichzelf als in onderling verband, er geen blijk van geven dat het Openbaar Ministerie opzettelijk verdachtes recht op een eerlijk proces heeft gefrustreerd dan wel dat sprake is van een zo fundamentele inbreuk dat het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Reeds om deze reden moet dit verweer worden verworpen.

Wat betreft het gevoerde verweer ten aanzien van zaak B is de rechtbank van oordeel dat de raadsvrouw in het primair gevoerde verweer heeft miskend dat het ne bis in idem beginsel een garantie inhoudt tegen een dubbele vervolging van een verdachte wegens hetzelfde feitelijk gebeuren als waarvoor hij reeds eerder is veroordeeld, vrijgesproken of ontslagen van rechtsvervolging. Die situatie doet zich hier niet voor nu een andere verdachte is veroordeeld voor een soortgelijk feit als aan verdachte tenlastegelegd. Dit verweer wordt verworpen.

Voorts dient de vraag of door het niet overleggen van een vonnis van het Gerechtshof Leeuwarden over een andere verdachte van een soortgelijk feit in dezelfde periode, sprake is van een dusdanig onbehoorlijk optreden van de officier van justitie dat dit behoort te worden gesanctioneerd met niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ontkennend te worden beantwoord. Niet is gebleken dat een geschreven of ongeschreven vormvoorschrift door het handelen van de officier van justitie is geschonden dan wel dat het niet overleggen van het vonnis in strijd is met de beginselen van een goede procesorde.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Gelet op het ruime begrip van de strafbaarstelling van mensenhandel en de uiteenlopende gedragingen die in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) strafbaar zijn gesteld, betekent het enkele feit dat een ander persoon is veroordeeld voor mensenhandel jegens een persoon in een bepaalde periode niet dat verdachte niet zou kunnen worden vervolgd voor mensenhandel jegens dezelfde persoon in dezelfde periode.

Het verweer wordt verworpen.

De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Voorts is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4. Waardering van het bewijs t.a.v. het onder 1 ten laste gelegde zaak A (mensenhandel)

4.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig haar schriftelijk requisitoir – uitgebreid gerekwireerd. Haar standpunt is zakelijk weergeven en voor zover van belang voor de beoordeling van het bewijs ten aanzien van de bestanddelen van artikel 273f Sr.

4.1.1. Ten aanzien van aangeefster [A]

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van aangeefster [A]. De verklaring van aangeefster [A] dient als betrouwbaar te worden aangemerkt. Voorts bevat het dossier diverse objectieve gegevens (verificaties) ter ondersteuning van de verklaring van aangeefster, waaruit kan worden afgeleid dat het verantwoord is de bewezenverklaring voornamelijk op de verklaring van één getuige te baseren. [A] is diverse malen gehoord, haar verhaal is consistent gebleken en op verschillende punten kan haar verklaring geverifieerd worden. Daarnaast kan als (naar de rechtbank begrijpt: schakel)bewijs worden aangemerkt de overeenkomsten met en opmerkelijke overlap bij andere vrouwen die door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] zijn uitgebuit.

Wat betreft de verklaringen van diverse getuigen die de verklaring van aangeefster op het punt van de mishandeling en uitbuiting niet kunnen bevestigen, is gewezen op het feit dat dit voor een groot deel te maken heeft met het belang dat de getuigen (kamerverhuurders of andere ondernemers) op de Amsterdamse wallen hebben en dat het een feit van algemene bekendheid is dat in mensenhandel zaken een ieder bijzonder angstig is om te verklaren en dat getuigen onder druk worden gezet en worden bedreigd. De kleine benepen wereld van de wallen is een wereld van ons kent ons en bestaat uit bedreigingen, afpersingen en mishandeling, aldus de officier van justitie.

4.1.2. Ten aanzien van getuige [D]

De officier van justitie heeft eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van [D]. Er kan worden bewezen dat verdachte [D] heeft aangezet tot gedwongen prostitutie door middel van geweld, bedreiging met geweld en het misbruik maken van een kwetsbare en afhankelijke positie.

Verdachte heeft zich intensief bemoeid met medeverdachte [medeverdachte 2] en [D]. Verdachte heeft geadviseerd hoe medeverdachte [medeverdachte 2] [D] moet aanpakken en heeft aangezet tot geweld. Verdachte wordt gebeld als er ruzie is en grijpt in, hij geeft aanwijzingen en oefent controle uit op medeverdachte [medeverdachte 2]. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft eveneens via verdachte huisvesting voor [D] geregeld en heeft [D] naar de rand van het wallengebied gebracht. Uit de tapgesprekken blijkt voorts dat medeverdachte [medeverdachte 2] [D] mishandelt, bedreigt, controleert en beperkt in haar vrijheid. Wat betreft de uitbuiting blijkt uit de tapgesprekken dat [D] niets van haar verdiensten overhoudt en dat medeverdachte [medeverdachte 2] een auto rijdt die op naam van [D] staat. Voorts leeft medeverdachte [medeverdachte 2] op grotere voet dan zijn uitkering hem toestaat.

4.1.2. Ten aanzien van getuigen [B] en [C]

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde ten aanzien van [B] en [C]. Zij zijn door verdachte aangezet tot gedwongen prostitutie door middel van misleiding en het misbruik maken van een kwetsbare positie.

[A] heeft verklaard dat beide vrouwen in dezelfde periode voor verdachte werkten als zij en dat zij bang voor hem waren. De verklaring van [A] wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen, namelijk observaties waaruit blijkt dat verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 3] [C] wegbrengen naar de rand van het wallengebied en haar daar weer ophalen. Daarnaast heeft verdachte voor beide vrouwen huisvesting en werkadressen via zijn netwerk geregeld. De misleiding bestond er uit dat beide vrouwen werd voorgehouden dat zij een exclusieve liefdesrelatie met verdachte hadden. Voorts blijkt uit de tapgesprekken dat verdachte de vrouwen misleidt, manipuleert, afhankelijk maakt, alsmede controle en dwang uitoefent. Verdachte leeft voorts boven zijn stand en laat zich onderhouden door [B] en [C].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – overeenkomstig de ter terechtzitting overgelegde pleitnotities – uitgebreid bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Voor wat betreft de ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van [A] heeft de verdediging – zakelijk weergegeven – zich primair op het standpunt gesteld dat haar verklaringen niet kunnen worden gebezigd voor het bewijs, nu sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en haar verklaringen onbetrouwbaar zijn. Subsidiair wordt haar verklaring door geen enkel objectief bewijs ten aanzien van de verdenking mensenhandel gesteund. Het schaarse belastende steunbewijs betreft geen direct bewijs voor mensenhandel. Daarmee is niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum om tot een veroordeling van mensenhandel jegens [A] te komen.

Voor wat betreft de ten laste gelegde mensenhandel ten aanzien van [D], [B] en [C] heeft de verdediging bepleit dat zowel verdachte als de vrouwen ontkennen dat op enigerlei wijze sprake is van uitbuiting of dwang door verdachte bij de prostitutiewerkzaamheden van de vrouwen. De door de officier van justitie aangehaalde tapgesprekken, observaties en mutaties zijn onvoldoende voor een bewezenverklaring.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling of sprake is van mensenhandel zoals bedoeld in artikel 273f sub 1 Sr wordt gekeken naar drie bestanddelen, te weten een aantal handelingen (zoals bedoeld in sub 1 en 4), een aantal dwangmiddelen (zoals bedoeld in sub 1, 4 en 9) en het oogmerk van uitbuiting/uitbuitingssituatie (zoals bedoeld in sub 1, 4, 6 en 9). Om tot een bewezenverklaring te komen moet sprake zijn van een handeling onder uitoefening van dwang met het oogmerk van uitbuiting van de ander. De handelingen worden mogelijk gemaakt door het aanwenden van dwangmiddelen.

Het bewijsminimum

De rechtbank stelt onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 19 maart 2012 (LJN BV9608) het volgende voorop.

Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv – dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit zogenoemde bewijsminimum strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK2094 en HR 13 juli 2010, LJN BM2452).

Twee getuigenverklaringen uit dezelfde bron resulteren niet in twee te onderscheiden bewijsgronden die door de ‘unus testis’-regel minimaal worden verlangd ter onderbouwing van de bewezenverklaring als geheel. De strekking van artikel 342, lid 2 Sv noopt dus tot bijkomend bewijs uit een van die getuige onafhankelijke bron. Voorts gaat het niet slechts - kwantitatief - om het aantal bronnen van redengevende bewijsgronden, maar ook of de aangifte in voldoende mate - kwalitatief – wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal, dat wil zeggen: voldoende wordt ondersteund door bewijsmateriaal uit andere bron. Anders gezegd, er dient een inhoudelijk verband te bestaan tussen de verklaring van getuige en het overige gebezigde bewijsmateriaal. Indien een dergelijk verband ontbreekt, zal er ‘onvoldoende steun’ bestaan (vgl. HR 30 juni 2009, NJ LJN BH3704 en BG7746).

Toegepast op de onderhavige zaak overweegt de rechtbank als volgt.

4.3.1. Ten aanzien van [A]

Het ten laste gelegde feit dateert uit de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 augustus 2010. In 2008 heeft aangeefster zich bij de politie gemeld. In maart 2012 is zij in de gelegenheid gesteld aangifte van mensenhandel te doen, waarna zij in het kader van het onderhavige ten laste gelegde aanvullende verklaringen heeft afgelegd.

De verklaringen van aangeefster vormen de belangrijkste bron voor de beschuldiging jegens verdachte.

In het requisitoir heeft de officier van justitie 27 verificaties benoemd die als steunbewijs moeten worden aangemerkt van de verklaringen van [A]. Deze verificaties ondersteunen het verhaal van aangeefster op bepaalde punten, maar zij vormen geen redengevend steunbewijs voor het gebruik van dwangmiddelen en uitbuiting door verdachte jegens aangeefster. Alleen de bedreigde getuige heeft verklaard dat zij wel eens blauwe plekken bij aangeefster [A] heeft gezien maar deze verklaring vormt op zichzelf geen steunbewijs voor het aanwenden van dwangmiddelen door verdachte jegens [A]. Verder verklaart de bedreigde getuige vooral wat [A] aan deze getuige heeft verteld. Voor het overige bevat het dossier geen ander bewijsmateriaal die de verklaringen van [A] kunnen ondersteunen ten aanzien van de bestanddelen van artikel 273f Sr.

Voorts komen de door de officier van justitie van belang geachte verklaringen van andere prostituees, hulpverleners en medeverdachten, niet voort uit eigen wetenschap over mishandeling en uitbuiting van aangeefster [A]. Deze de auditu verklaringen bevatten immers niet meer informatie dan hetgeen aangeefster aan hen zou hebben verteld en betreffen dus niet een verklaring uit een van aangeefster onafhankelijke bron.

De officier van justitie geeft met haar requisitoir een sfeerbeeld van de raamprostitutie/escortservice in Amsterdam en de rol van verdachte daarbij als pooier, maar de rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar stelling dat daarmee inhoudelijk steunbewijs is geleverd voor de verklaringen van aangeefster en de daarbij aan verdachte verweten gedragingen. Daarnaast zijn er ontlastende verklaringen van andere prostituees en kamerverhuurders die allen verklaren dat aangeefster vrijwillig in de prostitutie werkte, zij op hen overkwam als een mondige prostituee en dat er geen signalen van gedwongen prostitutie waren. De rechtbank volgt de officier van justitie niet in haar stelling dat al deze getuigen uit eigen belang of vanwege bedreigingen en afpersingen anders dan de waarheid zouden hebben verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt het in onderhavige zaak dan ook, naast de verklaringen van aangeefster [A], aan ondersteunende bewijsgronden die redengevend zijn voor een van de bestanddelen van de ten laste gelegde mensenhandel en inhoudelijk verband houden met de verklaringen van aangeefster.

4.3.2. Ten aanzien van [D], [B] en [C]

Algemene overwegingen

Zowel [D] als [B] en [C] hebben geen aangifte van mensenhandel gedaan. De rechtbank stelt voorop dat een aangifte voor vervolging en veroordeling ter zake van mensenhandel niet noodzakelijk is, maar wijst in deze zaken op het volgende.

Het is mogelijk dat de vrouwen, bijvoorbeeld omdat zij op het moment van verklaren een relatie met een van de verdachten hadden danwel bang zijn voor verdachten, in strijd met de waarheid gunstig hebben verklaard over de rol van verdachte en zijn medeverdachten en om die reden geen aangifte willen doen. Dit is echter niet uit het dossier gebleken, zodat van de juistheid van hun verklaringen moet worden uitgegaan.

[D], [B] en [C] hebben tijdens hun intakegesprek, vlak na de aanhouding van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2], verklaard dat zij een normale relatie (respectievelijk 3, 6 en 7 jaren) met een van de verdachten hebben, zij vrijwillig in de prostitutie werkzaam zijn en zij geen aangifte van mensenhandel willen doen. In de daarop volgende verhoren en contactmomenten met de politie en de verhoren bij de rechter-commissaris blijven alle vrouwen bij hun eerdere verklaringen en ontkennen zij te zijn uitgebuit door verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 2]. De vrouwen zijn diverse malen intensief verhoord, waarbij zij uitgebreid zijn geconfronteerd met volgens het Openbaar Ministerie belastend bewijsmateriaal. Zelfs nadat [B] en [C] door de politie zijn geïnformeerd over de dubbele liefdesrelatie met verdachte, blijven zij ontkennen dat verdachte hen ooit heeft uitgebuit, bedreigd, mishandeld of gedwongen in de prostitutie heeft laten werken.

Daarnaast zijn de vrouwen, terwijl verdachte en medeverdachte in voorlopige hechtenis verbleven, door de betrokken gespecialiseerde opsporingsverbalisanten op verschillende momenten uitgebreid geïnformeerd over de mogelijkheden tot het doen van aangifte. De vrouwen hebben na de verhoren en interventies van de zedenpolitie niet alleen geen aangifte gedaan, maar blijven eveneens ten stelligste ontkennen slachtoffer van mensenhandel door verdachte of medeverdachte te zijn. Tegenover een stellige ontkennende verklaring van een vermeend slachtoffer van mensenhandel dient naar het oordeel van de rechtbank voldoende redengevend bewijsmateriaal inzake de gebruikte middelen, gedragingen en doelen als bedoeld in artikel 273f Sr voorhanden te zijn.

Toegepast op de zaken van de drie vrouwen betekent dit het volgende.

Ten aanzien van [D]

De rechtbank acht de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte 2] en zijn vriendin [D] samenwoonden in een appartement dat via contacten van verdachte was geregeld en dat medeverdachte [medeverdachte 2] [D] – op eigen verzoek – van en naar het wallengebied bracht of ophaalde op zichzelf onvoldoende redengevend voor het bewijs terzake van gedragingen (handelingen) zoals bedoeld in artikel 273f Sr.

Voor een bewezenverklaring van de dwangmiddelen heeft de officier van justitie gewezen op een aantal tapgesprekken in het dossier. Deze tapgesprekken zijn voor meerdere uitleg vatbaar en moeten in de context van een relatie tussen man en vrouw gelezen worden. Daarnaast heeft [D] bij de rechter-commissaris een verklaring gegeven over de betekenis van haar mededelingen tijdens de telefoongesprekken waarin zij onder meer heeft verteld over mishandeling door medeverdachte [medeverdachte 2]. Gelet op het hiervoor overwogene ten aanzien van het steunbewijs en de ontlastende verklaringen in het dossier zijn de tapgesprekken onvoldoende doorslaggevend voor het bewijs van het bestaan van dwangmiddelen, ook in samenhang met de overige inhoud van het dossier.

Voor een bewezenverklaring van het oogmerk tot uitbuiting heeft de officier van justitie eveneens gewezen op de tapgesprekken in het dossier en het financiële dossier van verdachte. Uit artikel 273f, tweede lid, Sr volgt dat onder uitbuiting onder andere wordt verstaan ‘uitbuiting van een ander in de prostitutie’. De Hoge Raad spreekt van een uitbuitingssituatie in relatie tot de seksindustrie indien een betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren (HR 5 februari 2002, LJN AD5235). Gelet op het feit dat [D] ontkent te zijn uitgebuit, is de rechtbank van oordeel dat de zojuist besproken tapgesprekken en het feit dat medeverdachte [medeverdachte 2] mogelijk op grotere voet leeft dan zijn uitkering hem toestaat, onvoldoende redengevend zijn voor een bewezenverklaring van een uitbuitingssituatie. Niet aannemelijk is geworden dat [D] zich bevindt in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

Ten aanzien van [B] en [C]

Ten aanzien van [B] en [C] is de rechtbank eveneens van oordeel dat het vinden van huisvesting van de vrouwen op zichzelf – en gelet op de langdurige liefdesrelatie die zij met verdachte hadden – niet kan worden beschouwd als feitelijkheid voor de gestelde mensenhandel. [B] en [C] huren op hun eigen naam een woning, betalen zelf de huur en verblijven daar zonder verdachte.

Voorts vormt het hebben van twee liefdesrelaties, terwijl de betrokken dames niet van elkaars bestaan weten, in dit geval op zichzelf geen misleiding in de zin van een dwangmiddel zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, Sr. Voor een bewezenverklaring van dwangmiddelen ten aanzien van [B] en [C] heeft de officier van justitie gewezen op de verklaring van [A] en een aantal tapgesprekken tussen verdachte en [B] en [C]. Deze tapgesprekken moeten in zijn geheel worden bezien en daaruit blijkt weliswaar dat verdachte veelvuldig telefonisch contact met [B] en [C] heeft, maar de rechtbank is van oordeel dat uit deze gesprekken in onderling samenhang bezien niet volgt dat sprake is van een van de dwangmiddelen zoals bedoeld in artikel 273f Sr. Bovendien zijn ook deze gesprekken voor meerdere uitleg vatbaar. De verklaring van [A] maakt dat niet anders.

Voor een bewezenverklaring van het oogmerk tot uitbuiting heeft de officier van justitie eveneens gewezen op de tapgesprekken in het dossier en het financiële dossier van verdachte. Gelet op de verklaringen van [B] en [C] is de rechtbank ook in hun geval van oordeel dat de zojuist besproken tapgesprekken en het feit dat verdachte mogelijk op grotere voet leeft dan zijn uitkering hem toestaat, onvoldoende redengevend zijn voor een bewezenverklaring van een uitbuitingssituatie. Niet aannemelijk is geworden dat [B] en [C] zich bevinden in een situatie die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.

Voorts houdt de rechtbank bij de beoordeling van de meermaals genoemde bestanddelen rekening met de diverse verklaringen van getuigen, waaronder [G], [H], [I], [J] en de ouders van [D] die allen hebben verklaard geen aanwijzingen van gedwongen prostitutie te hebben waargenomen.

Gelet op dit alles zijn naar het oordeel van de rechtbank de door de officier van justitie genoemde tapgesprekken, observaties en politiemutaties op zichzelf beschouwd, maar ook in onderling verband bezien en in samenhang met de overige inhoud van het dossier waaronder de verklaringen van de vermeende slachtoffers, onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de bestanddelen van mensenhandel jegens [D], [B] en [C] te komen.

Het schakelbewijs

Gelet op bovenstaande - onvoldoende minimum aan bewijsgronden - komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of op basis van het leerstuk van het schakelbewijs het bewijs van mensenhandel in deze zaak geleverd kan worden. Een voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs is namelijk dat sprake is van minstens één zelfstandig gefundeerd en bewezen verklaard feit. Uit voorgaande overwegingen ten aanzien van het bewijsminimum volgt dat ten aanzien van geen van de vrouwen het ten laste gelegde zelfstandig gefundeerd kan worden met voldoende bewijsmateriaal dat vervolgens redengevend is voor het ten laste gelegde ten aanzien van andere vrouwen.

Al het voorgaande overwegende zijn naar het oordeel van de rechtbank daarom de onder 1 ten laste gelegde handelingen zoals bedoeld in artikel 273f, eerste lid, onder sub 1 en 4 Sr, de dwangmiddelen zoals bedoeld in sub 1, 4 en 9 en de uitbuitingssituatie zoals bedoeld in sub 1, 4 en 6 van hetzelfde artikel niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan onbesproken blijven het verweer betreffende de betrouwbaarheid van [A] en het vormverzuim met betrekking tot haar verhoren, nu verdachte geen belang meer heeft bij bespreking van dit verweer.

5. Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde zaak A

Nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van uitbuiting van [A], [D], [B] en [C] en daarmee ook van voordeeltrekking of bevoordeling uit de opbrengst van seksuele handelingen, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 (witwassen) en 3 (deelname aan criminele organisatie) ten laste gelegde, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Voor een bewezenverklaring dat verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan ten aanzien van andere misdrijven dan mensenhandel biedt het dossier te weinig aanknopingspunten.

6. Waardering van het onder 4 ten laste gelegde zaak A

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. De ten laste gelegde voorwerpen zijn zowel in de woning van verdachte aangetroffen als in woningen waartoe verdachte toegang tot had.

De verdediging heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde kan worden bewezen. Nu verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359, derde lid, Sv, met de hierna genoemde opgave van de bewijsmiddelen worden volstaan.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op:

? de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van 21 maart 2013;

? een proces-verbaal van doorzoeking met nummer 2011134388 van 16 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1], hulpofficier van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende bevindingen rondom doorzoeking [adres] te [plaats] (pag. B4/5 832-838);

? een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011134388-5 van 16 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], [functie] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende inbeslagneming van vuurwapen met goednummer [goednummer] (niet genummerd);

? een proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagneming met nummer 2011134388-10 van 16 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2], [functie] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland, inhoudende inbeslagneming van magazijn met patronen met goednummer [goednummer] (niet genummerd);

? een proces-verbaal van wapenonderzoek met nummer 2011134388 van 16 april 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3], [functie] van de Regiopolitie Amsterdam-Amstelland (pag. B6 33-36).

Dit leidt tot bewezenverklaring van het onder 4 ten laste gelegde feit, zoals hierna onder 6 is weergegeven.

7. Vrijspraak ten aanzien van het onder 5 en 6 ten laste gelegde zaak A

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder 5 en 6 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde voorwerpen voorhanden heeft gehad. De verdediging heeft hetzelfde standpunt ingenomen, mede gelet op de verklaringen van getuigen [B] en [C] dat de voorwerpen hun toebehoren.

Met de officier van justitie en de verdediging – op de door hen aangevoerde gronden – is de rechtbank van oordeel dat het aan verdachte 5 en 6 ten laste gelegde niet kan worden bewezen. Hij zal daar van worden vrijgesproken.

8. Waardering van het bewijs t.a.v. het onder 1 ten laste gelegde zaak B (mensenhandel)

8.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen. De aangiftes van [E] en [F] ondersteunen elkaar volledig. Uit de aangiftes kan worden afgeleid dat aan de handeling ‘vervoeren’ en ‘huisvesten’, aan alle dwangmiddelen en aan het oogmerk van uitbuiting invulling is gegeven. Daarnaast worden de aangiftes ondersteund door een politiemutatie, hotelinformatie uit Presov alsmede het feit dat verdachte toegeeft de meisjes te kennen en met hen naar Nederland te zijn gegaan. Er is voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte handelingen onder uitoefening van dwang heeft verricht met het oogmerk van uitbuiting van [E] en [F].

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verklaringen van aangeefster zijn inconsistent en tegenstrijdig en niet valt uit te sluiten dat aangeefster hun aangiftes op elkaar hebben afgestemd. Het dossier ontbeert elke vorm van objectief steunbewijs. Ook de omstandigheden waarin de aangifte tot stand is gekomen doet af aan de overtuigingskracht van het bewijs. Tot slot is er een alternatief scenario voor de aangiftes, namelijk dat aangeefsters onder invloed van een pooier valse aangifte tegen verdachte hebben gedaan.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Het ten laste gelegde feit dateert uit 2005. In 2005 hebben de twee aangeefsters aangifte van mensenhandel gedaan en in 2013 hebben beide aangeefsters in het kader van het onderhavige ten laste gelegde een aanvullende verklaring afgelegd.

De verklaringen van aangeefsters vormen de belangrijkste bron voor de beschuldiging jegens verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen echter zowel innerlijk als onderling op essentiële onderdelen inconsistent. De verklaringen verschillen ten aanzien van de duur van de uitbuiting, de verdiensten, het afstaan van de verdiensten alsmede de vermeende bedreigingen, verkrachtingen en geweld. Daarnaast zijn aangeefsters van jongs af met elkaar bevriend en hebben zij regelmatig met elkaar contact (gehad). De mogelijkheid valt dan ook niet uit te sluiten dat beide dames hun aangiften op elkaar hebben afgestemd. Daarom moet met grote behoedzaamheid worden omgegaan met de verklaringen van aangeefsters.

Verder vinden de verklaringen van aangeefsters geen steun in andere stukken uit het dossier. De door de officier van justitie aangehaalde mutatie, inhoudende de constatering dat [F] op 7 juni 2005 met verdachte en medeverdachte bagage in een auto aan het laden zijn en dat zij verklaart dat zij op vakantie gaan alsmede de hotelgegevens uit Presov, vormen geen steunbewijs voor een van de bestanddelen van artikel 273f Sr.

Tegenover de verklaringen van aangeefsters enerzijds staan de verklaringen van verdachte en de getuigenverklaringen van diens medeverdachte anderzijds. Daaruit komt een andere feitelijke gang van zaken naar voren dan die welke door aangeefsters is geschetst.

Gelet op dit alles is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet wettig kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het verrichten van handelingen onder uitoefening van dwang met het oogmerk van uitbuiting van [E] en [F]. Dit betekent dat de handelingen (zoals bedoeld in sub 1 en 4), de dwangmiddelen (zoals bedoeld in sub 1, 4 en 9) en het oogmerk van uitbuiting/uitbuitingssituatie (zoals bedoeld in sub 1, 4, 6 en 9) niet kunnen worden bewezen.

Mensenhandel over de grens (t.a.v. het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde)

Artikel 273f, eerste lid, sub 3 Sr (over de grens) stelt strafbaar het aanwerven, medenemen of ontvoeren van iemand, met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Het bestanddeel dwang ontbreekt in deze bepaling. Het aanwerven van een persoon voor prostitutie uit het buitenland is dus strafbaar, ook al stemt de aangeworven persoon daarmee in. Niet behoeft te blijken dat de wijze van aanwerving de keuzevrijheid heeft beperkt (HR 6 juli 1999, 701 en 18 april 2000, 443).

De rechtbank heeft acht geslagen op de internationale context, de achtergrond en de jurisprudentie ter zake en overweegt als volgt.

Uit de redactie van het eerste lid, sub 3 van artikel 273f Sr volgt dat bij de beoordeling – naast het bestanddeel van handelingen – gekeken moet worden naar het bestanddeel van “het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen”. Om tot een bewezenverklaring te komen moet dus sprake zijn van een handeling en een oogmerk. Bij de tenlastelegging van mensenhandel over de grens vormen dit dragende bestanddelen. Deze bestanddelen van de tenlastelegging moet daarom steun vinden in meer dan één bewijsmiddel.

Voor oogmerk is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Voor het hiervoor genoemde bestanddeel van oogmerk is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg, meebracht dat de ander door zijn handelen in de prostitutie zou belanden.

Toegepast op onderhavige zaak betekent dit het volgende.

In 2005 heeft [F] verklaard dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] de vrouwen wilden meelokken naar Nederland. [E] heeft verklaard dat [F] aan haar vroeg of zij mee wilde gaan naar Spanje om te werken. Hierover heeft [F] verklaard dat zij onder dreigementen van verdachte en medeverdachte [E] heeft meegelokt.

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefsters een lift van Slowakije naar Nederland wilde geven. Van [F] wist verdachte dat zij in de prostitutie werkzaam was en van [E] vermoedde hij dat zij in Nederland in de prostitutie ging werken.

Gelet op de hiervoor vereiste behoedzaamheid ten aanzien van de verklaringen van aangeefsters en het ontbreken van steunbewijs is de rechtbank – anders dan de officier van justitie – van oordeel dat niet wettig kan worden bewezen dat verdachte aangeefsters heeft vervoerd met het oogmerk hen in Nederland ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

Verdachte zal van het onder 1 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

9. Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zaak B

Nu de rechtbank vrijspreekt van uitbuiting van [E] en [F] en daarmee ook van voordeeltrekking of bevoordeling uit de opbrengst van seksuele handelingen, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 (witwassen) ten laste gelegde, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

10. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 6 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A het onder 4 ten laste gelegde

op 16 april 2012 te Amsterdam een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk BBM, model 315 auto, kaliber 6.35 mm Browning) en munitie van categorie III, te weten zeven patronen (merk Giulio Fiocchi Lecco, model Volmantelrondneus, kaliber 6.35 mm Browning) voorhanden heeft gehad.

11. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

12. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

13. Motivering van de straf

13.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar in zaak A onder 1, 2, 3 en 4 en in zaak B onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht (8) jaren, met aftrek van voorarrest.

13.2. Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de verdediging gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte die maken dat de detentie hem zwaar valt: verdachte psychische aandoeningen en indiende de detentie langer voortduurt zullen de schulden van verdachte toenemen en loopt hij het risico zijn woning te verliezen.

13.3. Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het illegaal bezitten van een wapen en munitie. Een wapen kan ernstig lichamelijk en zelfs dodelijk letsel veroorzaken, waardoor een wapen een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid in de samenleving. De ernst van het bewezengeachte feit rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf de rechtbank meegewogen dat verdachte blijkens een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 februari 2013 niet eerder is veroordeeld voor onder meer het illegaal bezit van vuurwapens en munitie.

Gelet op het feit dat de rechtbank minder feiten bewezen acht dan door de officier van justitie bestaat aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van de straf die door de officier van justitie is gevorderd.

14. Beslag

Onder verdachte zijn voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld in bijlage 2 bij dit vonnis.

Onttrekking aan het verkeer

De voorwerpen 10 en 18 worden onttrokken aan het verkeer, nu met betrekking tot deze voorwerpen het in zaak A onder 4 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Dit betreffen de voorwerpen:

- 1 stk pistool BBM 315 ([nummer]);

- 1 stk vuurwapen onderdelen ([nummer]).

Nu de voorwerpen 2, 4, 6, 8, 9, 11 tot en met 17, opgevat als een gezamenlijkheid van voorwerpen, zijn aangetroffen in het onderzoek naar de misdrijven waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl zij kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer, te weten:

2. 1 stk Ploertendoder (4280704);

4. 1 stk Paralyzer (stroomstootwapen) (4280650);

6. 1 stk Ploertendoder (4280644);

8. 6 stk spuitbus (2x pepperspray en 4x traangas) (4280660);

9. 1 stk paralyzer (stroomstootwapen) (4280503);

11. 8 stk traangas (4281376);

12. 1 stk spuitbus (police action) (4281382);

13. 1 stk paralyzer (stroomstootwapen) (4281301);

14. 1 stk mes (4280675);

15. 1 stk ploertendoder (4280690);

16. 1 stuk mes (4280700);

17. 1 stk spuitbus (4280604).

Teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten aan verdachte van de tijdens het onderzoek onder hem in beslag genomen voorwerpen 3, 5 en 7, te weten:

3. Geld (8 x 500 en 1 x 50) met waarde 4.050,00 euro (4280510) – aangetroffen in de portemonnee van verdachte;

5. Geld (5x5, 7x10, 4x20, 1x50 euro) met waarde 225,00 euro (4280537) – aangetroffen in de buideltas van verdachte;

7. Geld (1x500, 2x200, 3x100, 21x50, 2x20) met waarde 2.290,00 euro (4280519) – aangetroffen in de buideltas van verdachte.

Teruggave aan rechthebbende

Uit de verklaringen van verdachte en [B] volgt dat de voorwerpen 1 en 20 aan [B] toebehoren.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de rechtbank de teruggave gelasten van deze voorwerpen aan de rechthebbende, te weten [B]. Het betreft de voorwerpen:

1. Geld (100 x 500) met waarde 50.000,00 euro (4280475);

20. Geld (90x500) met waarde 45.000,00 euro (4280461).

Bewaring ten behoeve van de rechthebbende

Nu het proces-verbaal van kennisgeving ten aanzien van voorwerp 19 ontbreekt, heeft de rechtbank niet vast kunnen stellen waar dit voorwerp is aangetroffen en aan wie het toebehoord. De rechtbank zal daarom de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van dit voorwerp, te weten:

19. Geld (1x50) met waarde 50,00 euro(4280637).

15. De vorderingen van de benadeelde partijen

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [A]

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde is opgelegd, is [A] in haar vordering niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [E] en [F]

Nu aan verdachte - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel ten aanzien van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde is opgelegd, zijn [E] en [F] in hun vordering niet-ontvankelijk.

16. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36b, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 26 van de Wet wapens en munitie

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

17. Beslissing

Verklaart het in zaak A onder 1, 2, 3, 5 en 6 en in zaak B onder 1 en 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het in zaak A onder 4 ten laste gelegde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van drie (3) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

2. 1 stk Ploertendoder (4280704);

4. 1 stk Paralyzer (stroomstootwapen) (4280650);

6. 1 stk Ploertendoder (4280644);

8. 6 stk spuitbus (2x pepperspray en 4x traangas) (4280660);

9. 1 stk paralyzer (stroomstootwapen) (4280503);

11. 8 stk traangas (4281376);

12. 1 stk spuitbus (police action) (4281382);

13. 1 stk paralyzer (stroomstootwapen) (4281301);

14. 1 stk mes (4280675);

15. 1 stk ploertendoder (4280690);

16. 1 stuk mes (4280700);

17. 1 stk spuitbus (4280604).

Gelast de teruggave aan verdachte van:

3. Geld (8 x 500 en 1 x 50) met waarde 4.050,00 euro (4280510) – aangetroffen in de portemonnee van verdachte;

5. Geld (5x5, 7x10, 4x20, 1x50 euro) met waarde 225,00 euro (4280537) – aangetroffen in de buideltas van verdachte;

7. Geld (1x500, 2x200, 3x100, 21x50, 2x20) met waarde 2.290,00 euro (4280519) – aangetroffen in de buideltas van verdachte.

Gelast de teruggave aan rechthebbende, te weten [B], van:

1. Geld (100 x 500) met waarde 50.000,00 euro (4280475);

20. Geld (90x500) met waarde 45.000,00 euro (4280461).

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

19. Geld (1x50) met waarde 50,00 euro(4280637).

Verklaart [A] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart [E] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart [F] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.M. van Dijk, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en F.M.S. Requisizione, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.N. de Jager, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 april 2013.