Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ7399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-04-2013
Datum publicatie
17-04-2013
Zaaknummer
AWB 12/1468
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gewijzigd artikel 1.5, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000. Herziening van toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende naar aanleiding van een afgelegd huisbezoek op het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) staat ingeschreven.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiseres belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het gba-adres waarop zij staat ingeschreven rust alsdan in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres.

Verweerder heeft een rapportage van het huisbezoek aan het in geding zijnde besluit ten grondslag gelegd. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiseres niet woont op het gba-adres.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten voorafgaand aan het bestreden besluit nader onderzoek te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/1468

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2013 in de zaak tussen

[Naam], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Sloot),

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2012 (Bericht Studiefinanciering 2012, nr. 3) (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een uitwonende toelage alsnog afgewezen, omdat uit een controle is gebleken dat zij niet woonachtig is op het adres waarop zij staat ingeschreven. Verweerder heeft in het besluit aan eiseres meegedeeld dat de hoogte van haar studiefinanciering vanaf januari 2012 is aangepast. Voorts is meegedeeld dat eiseres in 2012 € 762,16 te veel studiefinanciering heeft ontvangen, dat dit bedrag een schuld is geworden en haar woonsituatie vanaf 1 januari 2012 is gewijzigd in thuiswonend.

Bij besluit van 19 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ter beoordeling staat of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden het primaire besluit heeft gehandhaafd.

2. Voor de beoordeling is de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid en aanhef, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), zoals dat met ingang van 10 december 2011 luidt, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

thuiswonende studerende: studerende die niet een uitwonende studerende is.

uitwonende studerende: studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals dat met ingang van 10 december 2011 luidt, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.

Ingevolge artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000, voor zover van belang, vindt herziening plaats op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend (…).

3. Aan eiseres is met ingang van september 2011 een beurs voor een uitwonende studerende toegekend.

Laatstelijk heeft verweerder bij besluit van 22 oktober 2011 (Bericht Studiefinanciering 2012, nr. 1) aan eiseres een beurs voor een uitwonende studerende toegekend over 2012.

Op 4 april 2012 hebben door verweerder ingeschakelde handhavers een huisbezoek afgelegd bij de woning op [adres] te [woonplaats]. Van het huisbezoek is op 15 april 2012 een rapportage opgemaakt.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres vanaf 22 juli 2011 in de gba staat ingeschreven op [adres] te [woonplaats] en dat haar zus, [naam2], als hoofdbewoonster op dat adres staat ingeschreven. Evenmin is in geschil dat dit gba-adres niet het gba-adres van (een van) de ouders van eiseres is.

5. Tussen partijen is in geschil of uit de bevindingen van het op 4 april 2012 afgelegde huisbezoek kan worden geconcludeerd dat eiseres niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven.

6. De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiseres belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiseres niet woonachtig is op het gba-adres waarop zij staat ingeschreven rust alsdan in eerste instantie op verweerder en niet op eiseres.

Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.

7. De vraag of eiseres woont op het adres waarin zij in de gba staat ingeschreven dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

8.1 Naar het oordeel van de rechtbank bieden de beschikbare onderzoeksgegevens geen toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat eiseres niet woont op [adres] te [woonplaats]. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

8.2 Verweerder heeft de rapportage van 15 april 2012 die van het huisbezoek is opgemaakt aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Blijkens de rapportage ligt aan de conclusie dat eiseres niet woont op het voornoemde adres ten grondslag dat op het adres geen studieboeken en administratie van eiseres zijn aangetroffen, alsook dat eiseres haar legitimatiebewijs niet aan de handhavers heeft kunnen tonen ten tijde van het huisbezoek. De conclusie is voorts gebaseerd op de omstandigheid dat eiseres ten tijde van het huisbezoek geen sleutel bij zich had van de woning en in de vermeende kamer van eiseres veel spullen van haar zus zijn aangetroffen (een boekenkast met boeken, een laptop en een paaldanspaal). Verder ligt aan de conclusie ten grondslag de aanname dat de kleding die in de vermeende kamer van eiseres is aangetroffen ook van haar zus zou kunnen zijn.

8.3 In de rapportage is vermeld dat tijdens het bezoek twee slaapkamers met elk een tweepersoonsbed zijn waargenomen, evenals een inloopkast, voorzien van een volledige garderobe met dameskleding. In de vermeende kamer van eiseres is een opgemaakt tweepersoonsbed aangetroffen, evenals een paaldanspaal, een bureau, een laptop, een boekenkast, een kledingkast (met daarin circa 28 truien/jasjes en circa tien broeken), plastic bakken met dameskleding, een plastic tas met damesondergoed en een mandje met sokken.

De zus van eiseres heeft blijkens de rapportage spullen van eiseres getoond, waaronder haar toilettas, kleding (circa 28 truien/jasjes en circa tien broeken), een plastic tasje met ondergoed, een mandje met sokken en haar schoenen.

In de rapportage is daarnaast vermeld dat eiseres tijdens het huisbezoek bij de woning is gearriveerd. Eiseres heeft een recente rekening, geadresseerd op [adres] te [woonplaats], aan de handhavers getoond.

8.4 Uit de rapportage blijkt voorts dat zowel eiseres als haar zus tijdens het huisbezoek een verklaring hebben afgelegd.

Eiseres heeft verklaard dat zij woont op het bezochte adres en geen legitimatiebewijs bij zich heeft. Daarnaast heeft zij verklaard dat haar verzekeringspapieren bij haar ouders liggen, dat zij niet veel boeken meer heeft en dat zij haar administratie altijd meeneemt. Voorts heeft eiseres verklaard dat zij rekeningen altijd weggooit als zij die heeft betaald.

De zus van eiseres heeft verklaard dat eiseres sinds juli/augustus 2011 op het bezochte adres woont vanwege problemen die eiseres thuis heeft. De zus heeft voorts verklaard dat de kamer met het tweepersoonsbed waarin de paaldanspaal zich bevindt de kamer van eiseres is alsmede dat eiseres ongeveer vier nachten per week op het bezochte adres slaapt en drie nachten per week bij haar vriend. Daarnaast heeft zij verklaard dat eiseres een sleutel van de woning heeft. De laptop en de boekenkast zijn van de zus van eiseres. Verder heeft de zus verklaard dat de andere slaapkamer haar slaapkamer is en de kamer waarin de paaldanspaal zich bevindt haar oude slaapkamer.

8.5 De rechtbank overweegt dat uit de rapportage niet kan worden opgemaakt dat en op welke wijze de handhavers zijn nagegaan aan wie de spullen toebehoren die de zus van eiseres tijdens het huisbezoek aan hen heeft getoond. Aan de aanname als weergegeven onder 8.2 dat de kleding die in de vermeende kamer van eiseres is aangetroffen ook van haar zus zou kunnen zijn, kan, nu deze aanname niet is onderbouwd, reeds daarom worden voorbijgegaan.

Aan de overige onderzoeksbevindingen als weergegeven onder 8.2, kan, afgezet tegen de onderzoeksbevindingen als weergegeven onder 8.3 en 8.4, naar het oordeel van de rechtbank daarnaast niet de betekenis worden toegekend die verweerder daaraan heeft gehecht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat met de onder 8.2 weergegeven onderzoeksbevindingen voornamelijk de onderzoeksbevindingen die voor eiseres als belastend van aard zijn aan te merken aan de conclusie dat zij niet woont op het gba-adres ten grondslag zijn gelegd. De voor eiseres grotendeels als ontlastend van aard aan te merken ? en onder 8.3 en 8.4 weergegeven ? onderzoeksbevindingen zijn daarentegen niet (kenbaar) bij de beoordeling betrokken, zodat onduidelijk is of de handhavers aan die onderzoeksbevindingen gewicht hebben toegekend en zo ja welk. Niet gezegd kan dan ook worden dat de conclusie dat eiseres niet woont op het gba-adres wordt gedragen door de onderzoeksbevindingen.

9. De rechtbank is daarnaast, mede in het licht van het vooroverwogene, van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten voorafgaand aan het bestreden besluit nader onderzoek te verrichten. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaringen die eiseres in haar initiële bezwaarschrift van 7 juni 2012 heeft gegeven voor wat betreft de aanwezigheid van de laptop en het ontbreken van studieboeken, administratie, de huissleutel en haar legitimatiebewijs, niet op voorhand als onaannemelijk kunnen worden aangemerkt. Het had dan ook in de rede gelegen dat verweerder daarnaar nader onderzoek had verricht.

10. Het bestreden besluit is gelet op het vorenstaande in strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb onzorgvuldig voorbereid alsmede ondeugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Omdat de rechtbank het onwaarschijnlijk acht dat verweerder de gebreken die aan de rapportage van

15 april 2012 kleven alsnog kan vervolmaken met gegevens die dateren van op of rond die datum, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit gegrond te verklaren, dat besluit te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

Ter zitting is komen vast te staan dat eiseres sinds september 2012 (weer) bij (een van) haar ouders woont. De rechtbank verstaat dan ook dat verweerder aan eiseres over de periode van januari 2012 tot en met augustus 2012 een beurs naar de norm van een uitwonende studerende zal toekennen.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42,00 vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1416,00 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit gegrond, herroept dat besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1416,00 te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. B. Liefting-Voogd, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.