Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5828

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-02-2013
Datum publicatie
28-03-2013
Zaaknummer
501337 / HA ZA 11-2577
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Niet is aangetoond dat sprake is van voldoende zwaarwegende aanwijzingen dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament er niet toe in staat was zijn wil te bepalen. De geheimhoudingsplicht van de medisch hulpverlener wordt niet opzij gezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2013, afl. 2, p. 61
NJF 2013/189

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Vonnis in gevoegde zaken van 27 februari 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/491659 / HA ZA 11-1776 van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam,

tegen

1. de stichting

STICHTING AMSTELRING OSIRAGROEP,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. P.J. de Jong Schouwenburg te Amsterdam,

2. [B],

wonende te --,

gedaagde,

niet verschenen,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/501337 / HA ZA 11-2577 van

[A],

wonende te --,

eiseres,

advocaat mr. C.C.B. Boshouwers voornoemd,

tegen

1. de stichting

STICHTING VRIENDEN VAN DE SYMFORAGROEP,

gevestigd te Amersfoort,

2. [C],

wonende te --,

gedaagden,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna respectievelijk [A], Amstelring, [B], Symforagroep en [C] genoemd worden.

1. De procedure in de zaak 11-1776

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 mei 2011 met producties;

- de conclusie van antwoord;

- het tussenvonnis van 18 november 2011 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de akte vermindering tevens wijziging van eis tevens akte inbreng producties, met producties;

- de producties van de zijde van [A] van 24 december 2012;

- de producties van de zijde van [A] van 9 januari 2013;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2013 met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De procedure in de zaak 11-2577

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het voegingsincident van 23 november 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 januari 2013 met de daarin genoemde stukken.

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.3. Genoemde zaken zijn na voeging steeds gezamenlijk behandeld. Hetgeen hierna wordt overwogen, betreft beide zaken en in beide zaken wordt gelijktijdig vonnis gewezen, teneinde tegenstrijdige beslissingen te voorkomen. Om die reden wordt dan ook, anders dan is bepaald in het vonnis in incident van 23 november 2011, een verstekvonnis uitgesproken tegen de niet in de procedure verschenen gedaagden.

3. De feiten

3.1. Op 25 maart 2011 is te Amsterdam overleden de heer [D] (hierna mede: erflater). [A] is de halfzus van erflater; zij hebben dezelfde moeder.

3.2. Erflater heeft bij testament van 10 oktober 2006 beschikt over zijn nalatenschap. Tot enige en algehele erfgenamen zijn gezamenlijk en voor gelijke delen tot erfgenamen benoemd de Symforagroep en Het Schouw, deel uitmakende van de Stichting Fontis. Amstelring is de rechtsopvolger van de Stichting Fontis.

3.3. Tot executeur van de nalatenschap is benoemd [B]. Zij is de dochter van [C] die bij beslissing van de kantonrechter van 2 juni 2008 tot bewindvoerder en mentor van erflater is benoemd.

4. De vordering in de zaak 11-1776

4.1. [A] vordert, na vermindering tevens wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Het testament van erflater te vernietigen en/of voor recht te verklaren dat het testament nietig is op de grond dat Amstelring als verzorgende instelling volgens de wet geen voordeel mag trekken uit het testament;

- Het testament van erflater te vernietigen en/of voor recht te verklaren dat het testament nietig is op de grond dat de erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet compos mentis was, dus niet in staat was zijn wil te bepalen;

- Een onafhankelijk deskundige te benoemen welke op grond van het medisch dossier dient vast te stellen dat de erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet compos mentis was en niet in staat was zijn wil te bepalen;

- Gedaagden te veroordelen in de proceskosten, daaronder begrepen de kosten van conservatoir beslag, en in de nakosten.

4.2. Amstelring voert verweer tegen de vordering. [B] is niet in de procedure verschenen.

4.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De vordering in de zaak 11-2577

5.1. De vordering is gelijkluidend aan de vordering in de zaak 11-1776 alsmede wordt gevorderd dat gedaagden de nietigheid van het testament dan wel de vernietiging van het testament primair zullen gehengen en gedogen en subsidiair dat de vernietiging dan wel de nietigheid van het testament ook geldt ten aanzien van gedaagden.

5.2. De Symforagroep en [C] zijn niet in de procedure verschenen.

6. De beoordeling

Wil en verklaring

6.1. [A] legt aan haar vordering ten grondslag dat de erflater ten tijde van het opmaken van het testament met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan een geestelijke stoornis leed, waardoor de erflater niet in staat was zijn wil te bepalen.

6.2. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 3:34 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord, iets heeft verklaard, een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de behandeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van de stoornis is gedaan. Ingevolge lid 2 van dit artikel maakt een zodanig ontbreken van wil een rechtshandeling vernietigbaar. Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, is nietig. De bewijslast van de wilsonbekwaamheid rust op [A] nu zij hierop een beroep doet. [A] stelt zich op het standpunt dat een deskundige, bij voorkeur een psychiater, aan de hand van het medisch dossier van erflater de wilsbekwaamheid op het moment van het opmaken van het testament dient te beoordelen. In deze procedure staat vast dat het medisch dossier van erflater wordt gehouden door Amstelring dan wel door aan Amstelring verbonden medische hulpverleners. Voorts staat vast dat aan [A] geen inzage is verstrekt in het medisch dossier van erflater.

6.3. De benoeming van een deskundige zoals verzocht impliceert dat inzage dient te worden gegeven in de medische gegevens van erflater, waarvoor erflater zelf geen toestemming meer kan geven. Uitgangspunt is dat een hulpverlener over de gegevens omtrent de patiënt waarover hij beschikt, geen mededelingen aan derden mag doen (artikel 7:457 BW); de zogenoemde geheimhoudingsplicht. Onder de definitie van hulpverlener valt ook de instelling optredende als hulpverlener, zodat de geheimhoudingsplicht ook heeft te gelden voor Amstelring. Dat aan Amstelring een beroep toekomt op de geheimhoudingsplicht, wordt in onderhavige procedure door geen van partijen betwist. De ratio achter de geheimhoudingsplicht is enerzijds de vrije toegang tot de gezondheidszorg en anderzijds de waarborging van de privacy van de patiënt. Deze ratio blijft ook na het overlijden van de patiënt bestaan. Op grond van de heersende rechtspraak (Hoge Raad 20 april 2001, NJ 2001, 600) geldt de geheimhoudingsverplichting echter niet onverkort. Een inbreuk hierop is in een geval als het onderhavige mogelijk indien cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. er bestaan zwaarwegende aanwijzingen dat er sprake was van wilsonbekwaamheid ten tijde van het opmaken van het testament;

b. aannemelijk is gemaakt dat de overledene, ware hij nog in leven geweest, toestemming gegeven zou hebben;

c. deze wijze van gegevensopenbaring is de enige effectieve mogelijkheid om de gewenste opheldering te verschaffen.

6.4. [A] betoogt dat aan genoemde voorwaarden voor doorbreking van de geheimhoudingsplicht is voldaan. Aangaande de zwaarwegende aanwijzingen dat de erflater zijn wil niet kon bepalen ten tijde van het opmaken van het testament voert zij het volgende aan. Erflater is bekend met een psychiatrische voorgeschiedenis. Hij is in verband met zijn psychiatrische problematiek gedurende tien jaar, in de periode van 1946 tot 1956, opgenomen geweest in psychiatrisch ziekenhuis Zon en Schild. Ter comparitie is een brief van de psychiater van GGZ Centraal, de rechtsopvolger van Zon en Schild, van 18 mei 2011 overgelegd waarin deze verklaart dat erflater blijkens een tussentijds bericht uit 1947 gediagnosticeerd was met epilepsie met perioden van depressiviteit en verwardheid, al dan niet in relatie tot de aanvallen. Het dossier van erflater bij Zon en Schild is niet bewaard gebleven. Uit verklaringen van diverse artsen, aldus [A], blijkt dat erflater psychofarmaca gebruikte, leed aan oriëntatiestoornissen en dat hij kampte met een, in psychische zin, gespannen toestand. Hij gebruikte veel zware medicatie. In 1983 is erflater wegens ziekte/gebreken ontslagen uit zijn dienstbetrekking en volgens personeel van Kadoelen Breek, het bejaardentehuis waar erflater gewoond heeft, was erflater erg in de war toen zijn vriendin kwam te overlijden.

Verder is erflater ten tijde van zijn opname in Het Schouw in 2008 geïndiceerd met een zorgindicatie 2 of 3, hetgeen inhoudt ‘beschut wonen met begeleiding en intensieve verzorging’. Uit verklaringen van verschillende familieleden komt het beeld naar voren van een kwetsbaar, gemakkelijk beïnvloedbaar en eenvoudig persoon die regelmatig suïcidaal en psychotisch was. Wegens psychische stoornissen is ten aanzien van erflater in 2008 de onderbewindstelling uigesproken alsmede een mentorschap ingesteld.

6.5. Verder spelen, aldus [A], mee de omstandigheden waaronder het testament van erflater is opgemaakt. Blijkens de nota van de notaris is in het kader van het opmaken van het testament 6,5 uur in rekening gebracht voor een gesprek en het zoeken naar familieleden van erflater. Destijds heeft de notaris geen familieleden gevonden. Daarentegen hebben medewerkers van Het Schouw in 2011 wel binnen een zeer kort tijdsbestek familieleden gevonden. Het is goed mogelijk dat bij erflater een onjuist beeld is ontstaan in verband met het opmaken van het testament, aangezien hij er van uit ging dat hij geen nog in leven zijnde familieleden had. De betrokken notaris heeft geen opheldering willen geven omtrent de gang van zaken bij het opmaken van het testament, ook niet ten aanzien van de vraag of het Protocol beoordeling wilsbekwaamheid destijds door de notaris is gevolgd. [A] heeft verder gezien de uitlatingen van erflater kort voor zijn overlijden en de mededelingen van personeel van het Schouw over de zorgen van erflater omtrent het testament de indruk gekregen dat de mentor en bewindvoerder [C] misbruik heeft gemaakt van de situatie van erflater. Er is na de instelling van het bewind een groot geldbedrag uit het vermogen van erflater verdwenen, zonder dat inzichtelijk is geworden waaraan dit geldbedrag besteed is. Vorengenoemde feiten en omstandigheden, aldus [A], vormen voldoende zwaarwegende omstandigheden om de geheimhoudingsplicht te doorbreken.

6.6. Amstelring betwist dit. Er zijn geen aanwijzingen dat erflater rondom de periode dat het testament is opgesteld, zijn verstandelijke vermogens miste. In 2008, toen erflater werd opgenomen in Het Schouw, is hij geïndiceerd met zorgindicatie 2, zijnde een lichte indicatie. Uit deze indicatie kan niet de conclusie getrokken worden dat erflater gezien zijn psychische gesteldheid niet bekwaam was tot het verrichten van rechtshandelingen, aldus steeds Amstelring.

6.7. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door [A] in het geding gebrachte (medische) verklaringen blijkt dat erflater leed aan epilepsie met, al dan niet daarmee in verband staande, depressiviteit, verwardheid, oriëntatiestoornissen en wegrakingen. Voorts kampte hij met klachten van somberheid. Vorengenoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dragen dat sprake was van een stoornis van de geestvermogens die aannemelijk maken dat de erflater zijn wil niet meer kon bepalen ten tijde van het opmaken van het testament. De enkele aanwezigheid van klachten en stoornissen zoals omschreven is hiertoe althans onvoldoende, hierbij nog buiten beschouwing gelaten de vraag of erflater deze had in de periode waarin het testament is opgemaakt. Zonder nadere onderbouwing door [A] valt verder uit de door erflater gebruikte medicatie niet op te maken voor welke klachten hij deze gebruikte. De indicatie 2, waarmee de erflater in 2008, dus na het opmaken van het testament, was geïndiceerd, betekent gezien de inhoud van deze indicatie veeleer dat de erflater wel compos mentis was. Niet is gesteld of gebleken dat van een onjuiste zorgindicatie sprake is geweest. Dat in 2008 de onderbewindstelling en het mentorschap zijn ingesteld, maakt dit niet anders, nu ook deze feiten zich hebben voorgedaan geruime tijd na de totstandkoming van het testament.

Uit de overige gestelde feiten en omstandigheden valt evenmin af te leiden het verlies van geestelijke vermogen van erflater ten tijde van het opmaken van het testament. De door [A] naar voren gebrachte gebeurtenissen betreffende het ontslag van erflater en de weerslag die het overlijden van zijn partner hebben gehad zijn te algemeen verwoord en niet in het bijzonder toegespitst op de situatie van de erflater in 2006. Dit geldt ook voor de ervaringen van de familieleden van de erflater. Deze beschrijven een algemene toestand van erflater. Bovendien is onbetwist gesteld dat de contacten tussen erflater en zijn familie in 1989 zijn verbroken. Contactherstel tussen [A] en andere familieleden heeft eerst plaatsgevonden in 2011, twee weken voordat de erflater overleed. De familieleden die een verklaring hebben afgelegd, hebben aldus geen zicht kunnen hebben op de toestand van de erflater in en rondom 2006. Reeds daarom kan aan die verklaringen niet de waarde gehecht worden die [A] daaraan toegekend wil zien.

6.8. [A] heeft als oorspronkelijke grondslag van de vordering tevens een beroep op dwaling gedaan. De dwaling zou hebben bestaan uit de veronderstelling van erflater dat hij geen familie meer had, terwijl dat wel zo was. Vanwege de omstandigheid dat in het testament van erflater niet is opgenomen dat er geen in leven zijnde familieleden meer waren, de ‘onjuiste beweegreden’, heeft [A] deze grondslag verlaten. [A] beroept zich wel op deze onjuiste beweegreden in het kader van het aanwezig zijn van zwaarwegende omstandigheden die de geheimhoudingsverplichting kunnen doorbreken. Echter, de veronderstelling dat het testament van erflater een andere inhoud zou hebben gehad, indien hij geweten zou hebben dat er nog wel in leven zijnde familieleden waren, impliceert eerder dat erflater wel degelijk in staat was om zijn wil te bepalen ten aanzien van zijn testament, maar dat hij hierbij is uitgegaan van onjuiste feiten. In ieder geval valt niet met elkaar te rijmen de impliciete stelling dat de wil van erflater op iets anders gericht was tegenover de stelling dat hij zijn wil niet kon bepalen.

6.9. Het vorenstaande laat naar het oordeel van de rechtbank geen andere gevolgtrekking toe dan dat niet is aangetoond dat sprake van voldoende zwaarwegende aanwijzingen is dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament er niet toe in staat was zijn wil te bepalen en dat op grond van die aanwijzingen de geheimhoudingsplicht van Amstelring opzij gezet dient te worden. Het gevolg hiervan is dat de rechtbank geen deskundige zal benoemen, opdat de geestelijke toestand van erflater ten tijde van het opmaken van het testament kan worden beoordeeld. Nu, zoals uit het vorengaande mag blijken, ook zonder het oordeel van een deskundige niet kan worden vastgesteld de wilsonbekwaamheid van erflater, is niet voldaan aan de voorwaarden voor aantasting van het testament op grond van artikel 3:34 BW.

De instelling

6.10. [A] beroept zich daarnaast op de vernietigingsgrond van artikel 4:59 lid 2 BW. Hierin is bepaald: “Ook kan degene die een voor de verzorging of verpleging van bejaarden of geestelijk gestoorden bestemde instelling exploiteert of die daarvan de leiding heeft of daarin werkzaam is, geen voordeel trekken uit de uiterste wilsbeschikkingen, welke zodanig persoon gedurende een verblijf in die instelling te zijnen behoeve heeft gemaakt.”

6.11. [A] betoogt dat Het Schouw kan worden aangemerkt als een instelling in de zin van artikel 4:59 lid 2 BW. De erflater verbleef van 2008 tot aan zijn overlijden in Het Schouw. Alhoewel erflater voordien, en ook ten tijde van het opmaken van het testament, woonachtig was in een andere instelling, was hij voor een essentieel onderdeel van de hulp en ondersteuning die hij kreeg, aangewezen op Het Schouw. Gedurende een langere periode ging overledene naar dagbestedingsactiviteiten van Het Schouw. Er moet veelvuldig contact geweest zijn met het personeel van deze instelling; er was sprake van een verzorgingsrelatie en een zekere mate van afhankelijkheid met (het personeel van) Het Schouw. Hieruit volgt dat de erflater wel verbleef in Het Schouw. Niet blijkt dat het woord ‘verblijven’, zoals geformuleerd in de wettekst, restrictief moet worden opgevat en aldus tevens inhoudt ‘wonen en overnachten’. Het gaat met name om de afhankelijkheidsrelatie tussen de instelling en de erflater, aldus steeds [A]. Amstelring voert gemotiveerd verweer.

6.12. De rechtbank volgt [A] niet in haar betoog. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bepaalde in artikel 4:59 lid 2 BW alleen dan geldt ten tijde van het verblijf van betrokkene in de instelling. Ratio hiervan is gelegen in het gevaar van ongeoorloofde beïnvloeding van degene die in de instelling wordt verzorgd of verpleegd. Dit gevaar hangt samen met het verblijf in de instelling en is geweken bij het verlaten van de instelling door betrokkene. De rechtbank kan hierin niets anders lezen dan dat het artikel alleen dan toepassing vindt indien betrokkene daadwerkelijk is gehuisvest in de instelling. Dat een groot deel van de tijdsbesteding van de betrokkene zich in de instelling afspeelt, maakt niet dat gesproken kan worden van een verblijf in de instelling. De omstandigheid dat erflater, nadat het testament was opgemaakt, alsnog in Het Schouw is gaan verblijven, doet hier evenmin aan af. Bepalend is het tijdstip waarop de uiterste wil is gemaakt en het verblijf van de erflater op dat moment.

6.13. Het vorenstaande leidt ertoe dat het gevorderde wordt afgewezen. Op de overige verweren die Amstelring in de procedure naar voren heeft gebracht, zal de rechtbank dan ook niet nader ingaan.

6.14. [A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Amstelring. De kosten aan de zijde van Amstelring worden begroot op:

- griffierecht: € 568,-

- salaris advocaat € 904,- (2 punten x tarief II onbepaalde waarde)

Totaal € 1.472,-.

7. De beslissing

De rechtbank

in de zaak 11-1776 en in de zaak 11-2577

7.1. wijst de vorderingen af;

7.2. veroordeelt [A] in de proceskosten aan de zijde van Amstelring tot op heden begroot op € 1.472,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mans en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2013.?