Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ5685

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-01-2013
Datum publicatie
27-03-2013
Zaaknummer
AWB 12/2302 AW en AWB 12/2309 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijinstructeurs. Het geven van uitvoering aan theorie- en praktijklessen en het afnemen van toetsen is te vatten onder de functiebeschrijving. Dat de werkzaamheden van eisers betrekking hebben op autovoertuigen, motoren, kraanwagens en dergelijke maakt niet dat er sprake is van een meeromvattend rechtsgebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/2302 AW en AWB 12/2309 AW

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1],

wonende te [plaats],

[eiser 2],

wonende te [plaats],

eisers,

gemachtigde mr. K.I. Meijering,

en

de Korpschef van het landelijk politiekorps, voorheen de Korpsbeheerder van de politieregio Amsterdam-Amstelland,

verweerder,

gemachtigde mr. M. Burghout.

Procesverloop

Bij besluiten van 21 oktober 2011 (de primaire besluiten 1) heeft verweerder de aanvraag van eisers om functieonderhoud ten aanzien van de functie [functie 1] afgewezen.

Bij besluiten van 24 oktober 2011 (de primaire besluiten 2) heeft verweerder de uitgangspositie van eisers ongewijzigd vastgesteld in de functie [functie 1].

Bij besluiten van 3 april 2012 heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting van 8 november 2012 behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [A] ([functie]).

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken een reactie te geven op het door eisers ter zitting overgelegde cursusmateriaal. Bij brief van 21 november 2012 heeft verweerder gereageerd. Bij brief van 4 december 2012 hebben eisers gereageerd.

Nadat partijen toestemming als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb hebben gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1. In het Arbeidsvoorwaardenakkoord Politie (CAO) 2008-2010 is vastgelegd dat er één functiegebouw voor de Politie Nederland: het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP), zal worden ingevoerd met daarbij een nieuw functiewaarderingssysteem waarmee de functies uit het LFNP worden gewaardeerd. Het nieuwe LFNP kent circa 100 landelijk geldende functiebeschrijvingen, voorzien van een waardering per functie. Met de invoering van het LFNP bestaat er voor de organisaties niet langer een mogelijkheid om zelf functies te beschrijven en te waarderen, omdat uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van functies uit het LFNP. De functie die een politiemedewerker bekleedt op 31 maart 2011 wordt in beginsel als uitgangspunt genomen voor de omzetting (matching) van de ‘oude’ functie naar een functie binnen het nieuwe LFNP. Voor een goede omzetting is daarom van belang dat de functie die op die datum wordt vervuld goed is omschreven.

1.2. Eisers zijn werkzaam in de functie [functie 1]. Deze functie vormt voor verweerder het uitgangspunt voor de omzetting naar het LFNP. Omdat eisers van mening zijn dat de werkzaamheden die zij verrichten wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving (door verweerder ook wel aangeduid als functietypering) van de functie [functie 1], hebben zij bij verweerder een verzoek om functieonderhoud ingediend. Dit verzoek is door verweerder afgewezen. Verweerder is - kort samengevat - van mening dat de door eiser verrichte werkzaamheden niet wezenlijk afwijken van en passen binnen de functiebeschrijving van [functie 1]. Ook heeft verweerder overwogen dat nu geen afzonderlijke gronden tegen het besluit uitgangspositie zijn aangevoerd, deze op juiste gronden is vastgesteld in [functie 1].

2. Juridisch kader.

2.1. Artikel 6, negende lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp) luidt ten tijde hier van belang als volgt:

De ambtenaar kan bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om, indien de feitelijk opgedragen werkzaamheden ten minste één jaar wezenlijk afwijken van een hem in de periode vanaf 31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 opgedragen functie, de werkzaamheden en de functie met elkaar in overeenstemming te brengen. Bij ministeriële regeling worden regels vastgesteld over de behandeling van deze aanvraag.

2.2. De bedoelde ministeriële regeling is de Tijdelijke regeling functieonderhoud politie (Trfp):

2.3. Artikel 2, tweede lid, van de Trfp luidt als volgt:

In de aanvraag tot functieonderhoud bedoeld in artikel 6, negende lid, van het Bbp, maakt de ambtenaar aannemelijk dat hij gedurende ten minste een jaar op enig moment binnen de referteperiode feitelijk opgedragen werkzaamheden heeft verricht die wezenlijk afwijken van de voor hem geldende functie in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.

2.4. Artikel 4 van de Trfp luidt als volgt:

Het bevoegd gezag wijst de aanvraag om functieonderhoud af indien de feitelijke werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, tweede lid:

a. niet zijn opgedragen

b. niet gedurende ten minste één jaar op enig moment geheel of gedeeltelijk binnen de referteperiode zijn verricht of

c. niet wezenlijk afwijken van de functie van de ambtenaar en in samenhang daarmee van de voor hem geldende functiebeschrijving.

2.5. Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) (zie onder meer de uitspraak van 25 februari 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BL6876) gaat het bij (een verzoek om) functieonderhoud om de vraag of de feitelijk opgedragen werkzaamheden gedurende langere tijd wezenlijk afwijken van de functiebeschrijving. Bij de beantwoording van deze vraag is een slechts terughoudende toetsing niet op haar plaats. Die beantwoording moet zich immers richten op de vaststelling van feiten.

2.6. Voorts geldt volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 juni 2005, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer AT9173 en de uitspraak van 3 januari 2008 LJ-nummer BC1682) dat bij de beoordeling van de vaststelling uitgangspositie een terughoudende toetsing aan de orde is.

3. Beoordeling van het beroep.

3.1. Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.2. Om in aanmerking te komen voor functieonderhoud dienen eisers aannemelijk te maken dat hun feitelijk verrichte werkzaamheden wezenlijk afwijken van de functie [functie 1].

3.3. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierin niet geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

3.4.1. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat de functiebeschrijving [functie 2] aanpassing behoeft omdat de werkzaamheden onvoldoende zijn weergegeven in de functiebeschrijving. Ter zitting hebben eisers toegelicht dat zij maatwerk leveren en de lessen die zij geven aanpassen op de lokale Amsterdamse behoeften. Hiertoe ontwikkelen eisers zelfstandig instrumenten, methoden, technieken en procedures binnen hun vakgebied. Eisers hebben ter zitting meerdere voorbeelden genoemd, onder meer de opleidingen betreffende het rijden met de nieuwe waterwerper en motorverkenning onopvallende motorfiets voor de regio Amsterdam. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben eisers ter zitting het lesplan MOAT en het lesplan VRT overgelegd.

3.4.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de genoemde feitelijke werkzaamheden niet wezenlijk afwijken van de functie van [functie 1]. In zijn reactie van 21 november 2012 heeft verweerder gesteld dat het ingediende lesplan betrekking heeft op het doceren van rijvaardigheden aan een specifieke beroepsgroep, namelijk het arrestatieteam. Het lesplan ziet het verweerder als een handboek voor rijinstructeur voor het geven van deze module binnen de Voortgezette Rijopleidingen. Ook het ingediende lesplan “VRT” is een handboek voor de docent. Dit plan is gericht op het besturen van specifieke voertuigen. Beide ingediende lesplannen en ook de dvd zijn geen voorbeelden van het ontwikkelen van een complete rijopleiding. Het gaat om werkzaamheden die naar aard en essentie gericht zijn op kennisoverdracht en instructie. In de functiebeschrijving zijn deze werkzaamheden terug te vinden onder het onderdeel “Draagt kennis van het vakgebied over, onder meer door het samenstellen van handboeken, het geven van voorlichting, het vervaardigen van cursusmateriaal en het optreden van docent”. Verweerder heeft aan zijn standpunt toegevoegd dat de ingebrachte stukken geen compleet ontwikkelde rijopleidingen zijn. Er kan ook geen sprake zijn van het ontwikkelen van een volledige rijopleiding voor politieambtenaren. Elke politiemedewerker heeft namelijk al een standaard (burger)rijopleiding gevolgd en een rijbewijs behaald. Bij indiensttreding krijgt de medewerker een korte cursus (binnen landelijke kaders) waarin hij specifieke vaardigheden leert voor het besturen van een politieauto. In het vakjargon wordt deze basiscursus voor politieambtenaren aangeduid als ‘voortgezette rijopleiding’. Deze cursus kent een lange historie en wordt gegeven aan de landelijke Politieacademie. Een aantal korpsen, zoals Politie Amsterdam-Amstelland, verzorgt deze cursus zelf. Het is een praktijkgerichte cursus waarvoor geen apart lesmateriaal is ontwikkeld.

3.4.3. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder en is van oordeel dat de taakinventarisatie voldoende overeenstemt met de functiebeschrijving. Het geven van uitvoering aan theorie- en praktijklessen en het afnemen van toetsen is te vatten onder de hoofdbestanddelen “Ondersteuning”, “Toetst de kwaliteit van het werk van anderen binnen het vakgebied” en het hoofdbestanddeel “Opleiding/Instructie”, “Draagt kennis van het vakgebied over” en “Begeleidt minder deskundige medewerkers binnen het eigen vakgebied”. Voorts heeft verweerder op goede gronden aangenomen dat het ontwikkelen van cursussen en cursusmateriaal – zoals eiser hebben overgelegd ter zitting - is te vatten onder hoofdbestanddeel “Opleiding/Instructie”, “Draagt kennis van het vakgebied over, onder meer door het samenstellen van handboeken, het geven van voorlichting, het vervaardigen van cursusmateriaal en het optreden van docent”. Dat eisers de cursussen rijden met de nieuwe waterwerper en motorverkenning onopvallende motorfiets stellen ontwikkeld te hebben, maakt dit niet anders. Daargelaten dat deze cursussen niet als complete opleidingen gekwalificeerd kunnen worden heeft - zoals ter zitting is besproken - de ontwikkeling hiervan vijf jaar en respectievelijk acht jaar geleden plaatsgevonden, en valt deze dus buiten de referteperiode zoals die volgt uit artikel 6, negende lid van de Bbp.

3.5.1. Voorts hebben eisers gesteld dat zij werkzaamheden uitvoeren op een meeromvattend werkgebied.

3.5.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de werkzaamheden van eisers betrekking hebben op rijopleidingen, waarbinnen het onderscheid kan worden gemaakt tussen bijvoorbeeld autovoertuigen, motoren, kraanwagens en het behandelen van mensen met rijangst. Vervolgens kunnen deze rijopleidingen worden toegepast op verschillende teams. Functietechnisch is pas sprake van een meeromvattend werkgebied als de werkzaamheden betrekking hebben op meerdere vakgebieden. Die situatie doet zich hier niet voor, aldus verweerder.

3.5.3. De rechtbank acht het standpunt van verweerder op dit punt voldoende overtuigend. Dat de werkzaamheden van eisers betrekking hebben op autovoertuigen, motoren, kraanwagens en dergelijke maakt niet dat er sprake is van een meeromvattend rechtsgebied. De werkzaamheden hebben immers betrekking op hetzelfde vakgebied, namelijk voortgezette rijopleidingen. De werkzaamheden die eisers verrichten zijn dan ook juist weergegeven onder hoofdbestanddeel “Ondersteuning”, “Verricht werkzaamheden op een specifiek vakgebied (…)”.

3.6. De rechtbank is daarom van oordeel dat de taakomschrijving en de functiebeschrijving niet wezenlijk van elkaar afwijken. De brief van 3 mei 2011 van [B], [functie] APAA, waar eisers naar hebben verwezen maakt dit niet anders. Uit de brief volgt dat de werkzaamheden van de docenten VRO volgens [B], breder, complexer en zwaarder zijn geworden en hoger beloond zouden moeten worden, maar niet of en in welke zin de werkzaamheden afwijken van de functiebeschrijving. Verweerder heeft zodoende in dit verband terecht gesteld dat werkzaamheden die eisers verrichten onder de functiebeschrijving [functie 1] zijn te scharen. Er is dan ook geen reden om te oordelen dat de functiebeschrijving van functie [functie 2] - zoals eisers stellen - aangepast dient te worden.

3.8. Eisers hebben geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de ongewijzigde vaststelling van de uitgangspositie. Nu er een terughoudende toetsing dient te worden gehanteerd, is de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de uitgangspositie van eisers onjuist is vastgesteld in de functie [functie 1].

4. Nu geen van de beroepsgronden doel treft, zullen de beroepen ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding te bepalen dat verweerder het griffierecht aan eisers dient te vergoeden. Evenmin is er aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Polak, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2013.

de griffier de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D:B

SB