Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3652

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
08-03-2013
Zaaknummer
13/525510-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grootschalige oplichting. 66-jarige verdachte veroordeeld voor grootschalige oplichting voor een bedrag van ruim 450.000 euro. Door haar handelen heeft zij op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van haar veelal oudere slachtoffers. Verdachte heeft allerlei onwaarheden verteld om de slachtoffers over te halen een overeenkomst aan te gaan met het doel haar (grote sommen) geld te lenen. Door haar optreden heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in haar en in de medemens in het algemeen ernstig geschaad. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden en een taakstraf tot het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 240 uren passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525510-09

Datum uitspraak: 10 januari 2013

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1946],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens en verblijvend op het adres [adres], [postcode] te [plaats]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 december 2012 en 2 januari 2013.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

Primair

zij in of omstreeks de periode 01 januari 2000 tot en met 02 oktober 2009 te Uithoorn en/of Amsterdam en/of Almere en/of elders in Nederland, meermalen, althans éénmaal, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

A) [A] en/of

B) [B] en/of

C) [C] en/of

D) [D] en/of

E) [E] en/of

F) [F] en/of

G) [G] en/of

H) [H] en/of

I) [I] en/of

J) [J] en/of

K) [K] en/of

L) [L] en/of

M) [M] en/of

N) [N] en/of

O) [O] en/of

P) [P] en/of

Q) [Q] en/of

R) [R] en/of

S) [S] en/of

T) [T]

een of meermalen heeft bewogen tot de afgifte van

A) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 170.000 euro) en/of

B) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 76.000 euro) en/of

C) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 15.800 euro) en/of

D) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 euro en/of)

E) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 euro) en/of

F) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 10.000 euro) en/of

G) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 4.000 euro) en/of

H) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 30.000 euro) en/of

I) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 40.500 euro) en/of

J) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 60.000 euro) en/of

K) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 13.000 euro) en/of

L) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 25.000 euro en/of

M) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 euro) en/of

N) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 10.000 euro) en/of

O) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 20.000 euro en/of

P) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 gulden en/of 4.000 euro) en/of

Q) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 3.550 euro) en/of

R) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 30.000 euro) en/of

S) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 56.000 euro) en/of

T) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 21.355 euro),

in elk geval (telkens) enig goed,

bestaande dat aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of die listige kunstgrepen en/of dat samenweefsel van verdichtsels (telkens) hierin dat zij, verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- aan die [A] (A) en/of [B] (B) heeft gevraagd voornoemd(e) geldbedrag(en) in te leggen in een bonusconstructie bij de stichting Woonzorg en/of die [A] en/of [B] (vervolgens) heeft beloofd dat/die voornoemd(e) geldbedrag(en) (met rente) terug te geven aan die [A] en/of [B] en/of

- aan die [C] (C) en/of [D] (D) en/of [E] (E) en/of [F] (F) en/of [J] (J) en/of [K] (K) en/of [L] (L) en/of [N] (N) en/of [O] (O) en/of [R] (R) en/of [S] (S) heeft gevraagd deel te nemen in een onroerend goed deal en/of voornoemd(e) geldbedrag(en) te investeren en/of voornoemd(e) geldbedrag(en) (als spaargeld) in bewaring te geven en/of voornoemd(e) geldbedrag(en) te beleggen en/of die [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of [N] en/of [O] en/of [R] en/of [S] heeft beloofd (vervolgens) die/dat geldbedrag(en) met rendement en/of met rente en/of na verdubbeling terug te geven aan die [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of [N] en/of [O] en/of [R] en/of [S]

en/of

- aan die [G] (G) en/of [H] (H) en/of [M] (M) en/of [Q] (Q) en/of [T] (T) heeft gevraagd om haar, verdachte die/dat geldbedrag(en) te lenen (om (met) dat/die geldbedrag(en) te investeren in/bij een broer van haar, verdachte, en/of een bedrijf te kopen en/of een school op te zetten voor kinderen) en/of (vervolgens) die [G] en/of [H] en/of [M] en/of [Q] en/of [T] heeft beloofd die/dat geldbedrag(en) terug te geven aan die [G] en/of [H] en/of [M] en/of [Q] en/of [T] en/of - aan die [I] (I) en/of [P] (P) heeft gevraagd deel te nemen aan een aanbieding van Woonzorg Nederland en/of die/dat geldbedrag(en) in te leggen in/bij/ten behoeve van (een bonusconstructie bij/van) Woonzorg Nederland en/of (vervolgens) die [I] en/of [P] heeft beloofd die/dat geldbedrag(en) (met rente) terug te geven aan die [I] en/of [P],

waardoor die [A] en/of [B] en/of [C] en/of [D] en/of [E] en/of [F] en/of [G] en/of [H] e/of [I] en/of [J] en/of [K] en/of [L] en/of [M] en/of [N] en/of [O] en/of [P] en/of [Q] en/of [R] en/of [S] en/of [T] (telkens) werd/werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

(Artikel 326 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 01 januari 2000 tot en met 02 oktober 2009 te Uithoorn en/of Amsterdam en/of Almere en/of elders in Nederland, meermalen, althans éénmaal, opzettelijk

A) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 170.000 euro) en/of

B) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 76.000 euro) en/of

C) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 15.800 euro) en/of

D) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 euro en/of)

E) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 euro) en/of

F) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 10.000 euro) en/of

G) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 4.000 euro) en/of

H) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 30.000 euro) en/of

I) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 40.500 euro) en/of

J) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 60.000 euro) en/of

K) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 13.000 euro) en/of

L) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 25.000 euro en/of

M) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 euro) en/of

N) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 10.000 euro) en/of

O) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 20.000 euro en/of

P) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 5.000 gulden en/of 4.000 euro) en/of

Q) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 3.550 euro) en/of

R) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 30.000 euro) en/of

S) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 56.000 euro) en/of

T) een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 21.355 euro),

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

A) [A] en/of

B) [B] en/of

C) [C] en/of

D) [D] en/of

E) [E] en/of

F) [F] en/of

G) [G] en/of

H) [H] en/of

I) [I] en/of

J) [J] en/of

K) [K] en/of

L) [L] en/of

M) [M] en/of

N) [N] en/of

O) [O] en/of

P) [P] en/of

Q) [Q] en/of

R) [R] en/of

S) [S] en/of

T) [T]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) geldbedrag(en), in elk geval welk(e) goed(eren), verdachte (telkens) anders dan door misdrijf, te weten als bewaarder en/of als investeerder en/of in het kader van een lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

(Artikel 321 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen

het primair ten laste gelegde, te weten dat verdachte:

in de periode 26 april 2006 tot en met 17 september 2009 in Nederland, meermalen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,

A) [A] en/of

B) [B] en/of

C) [C] en/of

D) [D] en/of

E) [E] en/of

F) [F] en/of

G) [G] en/of

H) [H] en/of

I) [I] en/of

J) [J] en/of

L) [L] en/of

M) [M] en/of

N) [N] en/of

O) [O] en/of

Q) [Q] en/of

R) [R] en/of

S) [S] en/of

meermalen heeft bewogen tot de afgifte van een of meer geldbedragen

bestaande dat samenweefsel van verdichtsels telkens hierin dat zij, verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en in strijd met de waarheid

- aan die [A] (A) en [B] (B) heeft gevraagd geldbedragen in te leggen in een bonusconstructie bij de stichting Woonzorg en die [A] en [B] vervolgens heeft beloofd die geldbedragen met rente terug te geven.

- aan die [C] (C) en/of [D] (D) en/of [E] (E) en/of [F] (F) en [J] (J)) en/of [L] (L) en/of [N] (N) en/of [O] (O) en/of [R] (R) en/of [S] (S) heeft gevraagd deel te nemen in een onroerend goed deal en geldbedragen te investeren en geldbedragen te beleggen en die [C] en [D] en [E] en [F] en [J] en [K] en [L] en [N] en [O] en [R] en [S] heeft beloofd vervolgens dat die geldbedragen met rendement of met rente of na verdubbeling terug te geven en

- aan die [G] (G) en/of [H] (H) en/of [M] (M) en/of [Q](Q) heeft gevraagd om haar, verdachte die geldbedragen te lenen om met die geldbedragen te investeren in een broer van haar, verdachte, en een bedrijf te kopen en een school op te zetten voor kinderen en vervolgen die [G] en [H] en [M] en [Q] heeft beloofd die geldbedragen terug te geven.

- aan die [I] (I) heeft gevraagd geldbedragen in te leggen ten behoeve van een bonusconstructie van Woonzorg Nederland en vervolgens die [I] heeft beloofd die geldbedragen met rente terug te geven.

waardoor die [A] en [B] en [C] en [D] en [E] en [F] en [G] en [H] en [I] en [J] en [L] en [M] en [N] en [O] en [Q] en [R] en [S] en [T] telkens werden bewogen tot afgifte.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Voorts overweegt de rechtbank als volgt.

Partiële vrijspraak met betrekking tot [K], [T] en [P]

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van oplichting en verduistering van [K] ([K]) en [T] ([T]) omdat noch het oogmerk van verdachte om zichzelf te bevoordelen, noch de wederrechtelijke toe-eigening van verdachte bewezen kan worden. Verdachte heeft immers – weliswaar na enig aandringen - de geleende bedragen aan [K] en [T] teruggegeven.

De rechtbank volgt de raadsvrouw voorts in haar standpunt dat de gedingstukken en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevatten om verdachte te veroordelen voor oplichting en verduistering van [P] ([P]). De aangifte van [P] is niet op enigerlei wijze is onderbouwd door enig ander bewijsmiddel. Verdachte wordt ten aanzien de oplichting en verduistering van [P] vrijgesproken.

Oplichting [J], [M] en [H]

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot [J] ([J]), [M] ([M]) en [H] ([H]) geen sprake is geweest van oplichting maar van verduistering. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet op basis van een bonusregeling maar door middel van zielige verhalen geld van hen heeft geleend terwijl zij hadden moeten beseffen dat verdachte die gelden niet terug zou kunnen terugbetalen.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er ook bij [J], [M] en [H] sprake is geweest van oplichting en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft met het oogmerk om zichzelf wederrechtelijk te bevoordelen bij [J], [M] en [H], door middel van verzonnen verhalen, de bereidheid opgewekt om een lening aan te gaan. Desgevraagd heeft verdachte verklaard dat deze verhalen waren verzonnen met het doel om van genoemde betrokkenen geld te verkrijgen. Dat deze verzinsels een andere inhoud hadden dat het ten aanzien van anderen gebruikte verzinsel met betrekking tot een bonusregeling doet daaraan naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Oplichting [D] en [F]

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel de oplichting als de verduistering van [D] ([D]) en [F] ([F]) niet bewezen kunnen worden verklaard omdat verdachte stellig heeft ontkend dat zij hun geld heeft gevraagd. Verdachte heeft verklaard dat het contact via [E] ging en dat [E] blijkbaar geld had geleend van [D] en [F].

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat [D] en [F] wel door verdachte zijn opgelicht en overweegt hiertoe als volgt. [E] ([E]) heeft verklaard dat verdachte haar en [D] en [F] heeft benaderd met de vraag of zij geld wilden inleggen ten behoeve van een onroerend goed-project van haar broer. Verdachte heeft naderhand bij de politie, op 7 oktober 2009, verklaard dat dit een verzonnen verhaal was. [E], [D] en [F] hebben vervolgens gezamenlijk besloten mee te doen. Verdachte zou hen een bedrag van € 40.000,00 geven voor de gezamenlijke inleg van

€ 20.000,00. De hierop betrekking hebbende geldleningsovereenkomst is door enerzijds [E], [D] en [F] en anderzijds verdachte ondertekend. [F] heeft verklaard dat hij met verdachte heeft gesproken over het onroerend goed project van de broer van verdachte. [D] heeft eveneens verklaard dat zij, nadat zij hadden gesproken over het project, gezamenlijk € 20.000,00 inlegden. Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat [D] en [F] door verdachte zijn opgelicht. Dat het contact met laatstgenoemden in eerste instantie wellicht via [E] is verlopen doet daar niet aan af.

5. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

De rechtbank heeft bij de beraadslaging over de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de inhoud van het Pro Justitia rapport van 4 december 2010, opgesteld door de deskundige L.M. Dijkman, psycholoog. In dit rapport wordt geconcludeerd dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde waarschijnlijk sprake was van somberheid als gevolg van het verlies van haar vriend en een obsessieve-compulsieve stoornis in remissie. De deskundige Dijkman adviseert de rechtbank om verdachte ten aanzien van het aan haar ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Deze conclusie neemt de rechtbank over en maakt die tot de hare. Dit brengt met zich dat de rechtbank van oordeel is dat het bewezen verklaarde feit aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate. De rechtbank is van oordeel dat in hetgeen in genoemd deskundigenrapport is neergelegd onvoldoende grond kan worden gevonden om mee te gaan met de vordering van de officier van justitie om verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar aan te merken.

Voorts acht de meergenoemde deskundige voortzetting van de behandeling bij De Waag geïndiceerd, doch hem lijkt justitiële dwang daartoe niet noodzakelijk. Met de officier van justitie en anders dan de deskundige acht de rechtbank het, mede in het kader van preventie van herhaling van belang dat door verdachte de behandeling bij De Waag in een verplicht kader voortgezet zal worden. De rechtbank draagt Reclassering Nederland op toezicht te houden op naleving van deze behandelverplichting bij De Waag.

7. Motivering van de straffen

7.1. De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen. Voorts heeft zij een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte haar behandeling bij De Waag voort zal zetten zolang dit nodig wordt geacht.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht verdachte enkel een werkstraf op te leggen. Verdachte heeft spijt betuigd en haar medewerking verleend aan het justitieel traject. Voorts is zij sinds oktober 2009 vrijwillig in behandeling bij De Waag. Daarnaast heeft zij op vrijwillige basis onderbewindstelling aangevraagd. De strafzaak van verdachte heeft media-aandacht gehad en ook de benadeelde partijen hebben verdachte in haar nieuwe woonomgeving weten te vinden en hebben haar tevens bedreigd. Doordat zij begin april 2012 een aantal herseninfarcten heeft gehad is zij vaak zeer moe en dient zij overdag rust te nemen.

7.3. Het standpunt van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op zeer doortrapte wijze schuldig gemaakt aan grootschalige oplichting. Daarbij heeft zij misbruik gemaakt van het vertrouwen van haar veelal oudere slachtoffers. Zij heeft hierbij allerlei onwaarheden verteld om de slachtoffers over te halen een overeenkomst aan te gaan met het doel haar geld te lenen. Door haar optreden heeft verdachte het vertrouwen van de slachtoffers in haar en in de medemens in het algemeen ernstig geschaad. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op een strafbaar feit zoals door verdachte begaan, in beginsel moet worden gereageerd met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank houdt echter in matigende zin rekening met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank neemt tevens in aanmerking dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten aanzien van de door haar gepleegde oplichting.

Gelet hierop zal de rechtbank aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf maar een forse werkstraf opleggen. De rechtbank zal wel, teneinde verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte de reeds ingezette behandeling bij De Waag zal voortzetten. Met deze straf brengt de rechtbank enerzijds de ernst van het strafbare feit tot uitdrukking, maar houdt zij anderzijds rekening met de leeftijd van verdachte en de door haar een en ander maal geuite spijt over haar handelen en de intentie om haar leven te beteren.

8. De vorderingen van de benadeelde partijen

8.1. De vordering van de benadeelde partij [A] (A)

De benadeelde partij [A] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 143.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 143.000,00 integraal dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [A] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [A] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 143.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 20 mei 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [A] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.2. De vordering van de benadeelde partij [B] (B)

De benadeelde partij [B] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 76.250,00 bestaande uit € 76.000,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 76.250,00 integraal dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [B] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [B] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 76.250,00 bestaande uit € 76.000,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 17 juni 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [B] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.3. De vordering van de benadeelde partij [C] (C)

De benadeelde [C] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 15.800,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 15.800,00 integraal dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [C] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [C] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 15.800,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 28 september 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [C] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.4. De vordering van de benadeelde partij [D] (D)

De benadeelde partij [D] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 5.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 5.000,00 integraal dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft hierbij gewezen op de door [D] ondertekende geldleningsovereenkomst die zich in het dossier bevindt.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [D] dient te worden afgewezen. Verdachte zou enkel een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan met [E].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [D] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het dossier bevindt zich een geldleningsovereenkomst die mede is ondertekend door [D]. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat [D] rechtstreeks schade heeft geleden ten aanzien van het primair bewezen geachte. De rechtbank waardeert deze schade op € 5.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [D] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.5. De vordering van de benadeelde partij [E] (E)

De benadeelde partij [E] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 1.500,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 1.500,00 integraal dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [E] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [E] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 1.500,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [E] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.6. De vordering van de benadeelde partij [F] (F)

De benadeelde partij [F] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 10.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 10.000,00 integraal dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft hierbij gewezen op de door [F] ondertekende geldleningsovereenkomst die zich in het dossier bevindt.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [F] dient te worden afgewezen. Verdachte is enkel een geldleningsovereenkomst aangegaan met [E].

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [F] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In het dossier bevindt zich een geldleningsovereenkomst die mede is ondertekend door [F]. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat [F] rechtstreeks schade heeft geleden ten aanzien van het primair bewezen geachte. De rechtbank waardeert deze schade op € 10.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [F] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.7. De vordering van de benadeelde partij [G] (G)

De benadeelde partij [G] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 4.000,00 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 4.000,00 integraal dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [G] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [G] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 4.000,00 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [G] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.8. De vordering van de benadeelde partij [H] (H)

De benadeelde partij [H] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 32.253,00 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 32.253,00 integraal dient te worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft een deel van de vordering, te weten € 2.253,00 betwist. Zij achtte deze echter gezien de onderbouwing ook voor toewijzing vatbaar.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering van de benadeelde partij [H] voor een bedrag van € 30.000,00 toe te wijzen. Een gedeelte van de vordering, te weten het bedrag van € 2.253,00 was naar het oordeel van de raadsvrouw onvoldoende gemotiveerd en diende om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [H] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 30.025,00 aan materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [H] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.9. De vordering van de benadeelde partij [I] (I)

De benadeelde partij [I] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 40.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Gezien het getuigenverhoor van [I] bij de rechter-commissaris op 22 november 2011 waarin zij heeft verklaard dat zij en haar man ([R]) nog € 5000,00 van verdachte krijgen, heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.500,00 dient te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige diende de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 2.500,00 dient te worden toegewezen. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [I] voor een deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 1 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige wordt de vordering afgewezen nu uit de gedingstukken is gebleken dat verdachte het meerdere reeds heeft terugbetaald aan de benadeelde partij.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [I] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.10. De vordering van de benadeelde partij [J] (J)

De benadeelde partij [J] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 60.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 60.000,00 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [J] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [J] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 60.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [J] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.11. De vordering van de benadeelde partij [L] (L)

De benadeelde partij [L] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 25.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 25.000,00 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het standpunt van de verdediging dat eerder uitgekeerd rendement verrekend diende te worden met de vordering dient naar het oordeel van de officier van justitie niet te worden gevolgd nu het een nieuwe verbintenis betrof.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht het eerder uitgekeerde rendement te verrekenen met de vordering van [L]. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat € 10.500,00 voor toewijzing vatbaar was en dat de vordering voor het overige diende te worden afgewezen. Ter terechtzitting heeft [L] zijn vordering gehandhaafd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [L] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. In 2007 heeft verdachte het in 2006 door [L] ingelegde bedrag met een hoog rendement uitgekeerd. Vervolgens heeft [L] in 2008 opnieuw een bedrag ingelegd. Van dit bedrag heeft hij nimmer rendement ontvangen en ook het bedrag zelf is hem niet terugbetaald.. Het standpunt van de raadsvrouw dat het ter zake van de eerste lening ontvangen rendement verrekent dient te worden met de thans openstaande vordering ontbeert een wettelijke basis. Gezien het bovenstaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw. De rechtbank waardeert de schade van [L] op € 25.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [L] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.12. De vordering van de benadeelde partij [M] (M)

De benadeelde partij [M] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 5.250,00 bestaande uit € 5.000,00 aan materiële schade en

€ 250,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 5.250,00 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [M] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [M] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 5.250,00 bestaande uit € 5.000,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [M] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.13. De vordering van de benadeelde partij [N] (N)

De benadeelde partij [N] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 10.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 10.000,00 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [N] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [N] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 10.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 3 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [N] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.14. De vordering van de benadeelde partij [O] (O)

De benadeelde partij [O] heeft een schriftelijke vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 25.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting heeft voornoemde [O] zijn vordering gematigd tot een bedrag van € 2.500,00 aan materiële schade nu hij het overige bedrag reeds van verdachte heeft ontvangen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 2.500,00 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [O] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [O] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair ten laste gelegde feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.500,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 5 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [O] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.15. De vordering van de benadeelde partij [P] (P)

De benadeelde partij [P] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 6.768,90 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ter terechtzitting heeft voornoemde [P] de vordering aangevuld met een bedrag van fl. 40.000,00. In 1992 en 1993 heeft zij tweemaal fl. 20.000,00 aan verdachte geleend maar nimmer retour ontvangen.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt dat de vordering van € 6.768,90 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De ter terechtzitting door [P] gedane aanvulling op de reeds ingediende vordering met een bedrag van fl. 40.000,00 dient naar zijn oordeel in verband met de verjaring daarvan niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht de vordering van [P] integraal af te wijzen. Zij heeft hiertoe bepleit dat verdachte stellig heeft ontkend dat zij ooit geld van haar heeft ontvangen en de vordering eveneens niet onderbouwd is.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de schriftelijke vordering van de benadeelde partij [P], een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert nu deze vordering onvoldoende onderbouwd is. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de schriftelijke vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de door [P] mondeling gedane aanvulling voor een bedrag fl. 40.000,00 oordeelt de rechtbank als volgt. De verjaringstermijn ter zake van een dergelijke (mondelinge) leenovereenkomst bedraagt 5 jaar. Nu deze termijn reeds is verstreken zal de rechtbank [P] ook inzake de mondeling gedane aanvulling niet-ontvankelijk verklaren.

8.16. De vordering van de benadeelde partij [R] (R)

De benadeelde partij [R] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 30.000,00 aan materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Gezien het getuigenverhoor van [I] bij de rechter-commissaris op 22 november 2011 waarin zij heeft verklaard dat zij en haar man ([R]) nog € 5.000,00 van verdachte krijgen, heeft de officier van justitie gevorderd dat zijn vordering tot een bedrag van € 2.500,00 diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige diende de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot een bedrag van € 2.500,00 kan worden toegewezen. Voor het overige dient de vordering te worden afgewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [R] voor een deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 12 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voor het overige wordt de vordering afgewezen nu uit de stukken is gebleken dat verdachte het meerdere heeft terugbetaald aan de benadeelde partij.

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [R] wordt als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

8.17. De vordering van de benadeelde partij [S] (S)

De benadeelde partij [S] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor een bedrag van € 56.200,00 bestaande uit € 56.000,00 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van € 56.200,00 integraal diende te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [S] niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [S] geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezen geachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op € 56.200,00 bestaande uit € 56.000,00 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 5 november 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen,

Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [S] wordt als extra waarborg voor betaling aan haar, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opgelegd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Oplichting, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

? zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

? ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken en/of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

? Behandelverplichting

De veroordeelde wordt verplicht om de reeds vrijwillig ingezette behandeling bij behandelcentrum De Waag voort te zetten, zolang Reclassering Nederland dit nodig acht.

Geeft Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderd veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Benadeelde partij [A] (A)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [A] toe tot een bedrag van € 143.000,00 (honderddrieënveertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 20 mei 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [A], wonende aan de [adres 1], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [A] te betalen de som van € 143.000,00 (honderddrieënveertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 20 mei 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [B] (B)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [B] toe tot een bedrag van € 76.250,00 (zesenzeventigduizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 70.000,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 17 juni 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [B], wonende aan de [adres 2], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [B] te betalen de som van € 76.250,00 (zesenzeventigduizend tweehonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 17 juni 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [C] (C)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [C] toe tot een bedrag van € 15.800,00 (vijftienduizend en achthonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 28 september 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan C.J.M. Schijf, wonende aan de [adres 3], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [C] te betalen de som van € 15.800,00 (vijftienduizend en achthonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 28 september 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 114 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [D] (D)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [D] toe tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [D], wonende aan het [adres 4], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [D] te betalen de som van € 5.000,00 (vijfduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [E] (E)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [E] toe tot een bedrag van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [E], wonende aan het [adres 5], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [E] te betalen de som van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [F] (F)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [F] toe tot een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [F], wonende aan de [adres 6], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [F] te betalen de som van € 10.000,00 (tienduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 29 september 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 85 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [G] (G)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [F] toe tot een bedrag van € 4.000,00 (vierduizend euro) aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [G], wonende aan de [adres 7], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [G] te betalen de som van € 4.000,00 (vierduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [H] (H)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [H] toe tot een bedrag van € 30.025,00 (dertigduizend vijfentwintig euro) aan materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [H], wonende aan de [adres 8], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [H] te betalen de som van € 30.025,00 (dertigduizend vijfentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 185 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [I] (I)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [I] toe tot een bedrag van € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 1 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [I], wonende aan de [adres 9], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [I] te betalen de som van € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 1 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering voor het overige gedeelte af.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [J] (J)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [J] toe tot een bedrag van € 60.000,00 (zestigduizend euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [J], wonende aan de [adres 10], [postcode] [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [J], te betalen de som van € 60.000,00 (zestigduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 318 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [L] (L)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [L] toe tot een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [L], wonende aan de Van [adres 11], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [L], te betalen de som van € 25.000,00 (vijfentwintigduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 160 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [M] (M)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [M] toe tot een bedrag van € 5.250,00 (vijfduizend tweehonderdvijftig euro) bestaande uit € 250,00 aan immateriële schade en € 5.000,00 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [M], wonende aan de [adres 12], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [L], te betalen de som van € 5.250,00 (vijfduizend tweehonderdvijftig euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 2 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 61 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [N] (N)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [N] toe tot een bedrag van € 10.000,00 (tienduizend euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 3 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [N], wonende aan de [adres 13], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [N], te betalen de som van € 10.000,00 (tienduizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 3 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 85 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [O] (O)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [O] toe tot een bedrag van € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 5 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [O], wonende aan de [adres 14], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [O] te betalen de som van € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 5 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [P] (P)

Verklaart de benadeelde partij [P] niet-ontvankelijk in haar vordering. Bepaalt dat de benadeelde partij de vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Benadeelde partij [R] (R)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [R] toe tot een bedrag van € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 12 oktober 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [R], wonende aan de [adres 15], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [R] te betalen de som van € 2.500,00 (vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 12 oktober 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Wijst de vordering voor het overige gedeelte af.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [S] (S)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [S] toe tot een bedrag van € 56.200,00 (zesenvijftigduizend tweehonderd euro) bestaande uit € 56.000,00 aan materiële schade en € 200,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van aangifte op 5 november 2009.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [S], wonende aan de [adres 16], [postcode] te [plaats].

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [S] te betalen de som van € 56.200,00 (zesenvijftigduizend tweehonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum aangifte op 5 november 2009, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 305 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar, T.J.P. Os van den Abeelen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Hof, griffier.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 januari 2013.