Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ3533

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
07-03-2013
Zaaknummer
519151 / HA ZA 12-698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor schade na onbevoegde verkoop van drukpers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: 519151 / HA ZA 12-698

Vonnis van 23 januari 2013

in de zaak van

[A], handelende onder de naam [A] Graphic Services,

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. C.W. Reintjes te Arnhem,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. M. Helmstrijd te Alkmaar.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 12 september 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 november 2012, met het daarin genoemde stuk.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] is bestuurder en enig aandeelhouder van Omaras Holding B.V. (verder: Omaras). Omaras is enig bestuurder en aandeelhouder van Delta Graphic B.V. (verder: Delta Graphic), gevestigd aan de Stek te Wieringerwerf.

2.2. [A] heeft in 2010 (al dan niet samen met Delta Graphic) een drukpers gekocht van Vordruck Leitverlag GmbH Berlin (verder: de drukkerij) voor EUR 5.000,-, waarna hij hiervan (al dan niet samen met Delta Graphic) de eigendom heeft verkregen.

2.3. [A] heeft op 3 januari 2010 aan Delta Graphic een e-mail gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Ik heb het volgende een poos geleden met [B] [[B], rechtbank] besproken en nu moeten we het nog uitvoeren.

De laatste 5-6 weken ben ik bij een drukkerij in Berlijn geweest om deze te verhuizen.

Nu hebben ze een 4 kleuren Drent Gazelle 4F drukmachine die niet met de verhuizing meegaat.

Deze machine hebben we gekocht en moet gedemonteerd worden.

Het demonteren gaat [C] doen, en ik heb met [B] er over gehad dat er ook iemand van Delta Graphic

mee gaat, om de machine samen met [C] te demonteren en te laden.

(…)

Het Transport laat ik uitvoeren door de Schotpoort Transport Group, deze is € 400,00 goedkoper als Bakker&schilder”

2.4. De drukkerij heeft aan “[A] Graphic Services” een aankoopfactuur van 12 mei 2010 gestuurd met, voor zover van belang, de volgende inhoud:

“Wir berechnen Ihnen den Verkauf einer gebrauchten Endlos-Rotationsdruckmaschine:

- Drent Gazelle 4 Serie F (…)

(…)

Vereinbarter Komplettpreis 5.000,00 €

(…)”

In de bijbehorende specificaties is onder meer opgenomen dat het bouwjaar van de drukpers 1987 is en dat deze een “Web width” van 520 milimeter heeft.

2.5. [A] heeft de koopsom van EUR 5.000,- voor de drukpers en de kosten voor het transport ervan voldaan. Hij heeft de drukpers ondergebracht in een aan Delta Graphic toebehorende opslagruimte aan de Stek te Wieringerwerf.

2.6. In een e-mail van 27 mei 2010 heeft [A] aan Delta Graphic en [B] het volgende geschreven:

“Hallo Dames,

Van mij mag deze machine op de website van Delta gezet worden”

De drukpers is vervolgens op de website van Delta Graphic ter verkoop aangeboden.

2.7. Op 11 of 12 oktober 2011 is de drukpers voor EUR 16.500,- verkocht aan Druckereiservice [D] Forms Machinery Service in Oostenrijk (verder: [D]). Delta Graphics heeft [D] hiervoor een factuur gestuurd van 18 oktober 2011. Op de vrachtbrief van 18 oktober 2011 staat Delta Graphic vermeld als afzender, [D] als geadresseerde en een Poolse firma als transporteur.

2.8. Een factuur van [D] van 12 oktober 2011 aan een firma in Polen luidt, voor zover van belang:

“ RECHNUNG Nr.: 243

1 Stk. DRENT GAZELLE 4 F – Variable Maschine für 3 fach Produktion

Baujahr: 1987

(…)

520mm Bahnbreite

(…)

Summe 38.000,00 Euro

Lieferbedingungen: LOT Delta Graphic B.V., De Stek 14

1771 SP Wieringerwerf”

2.9. ([E] van) Delta Graphic heeft op 3 november 2011 een e-mail aan [A] gestuurd die, voor zover van belang, als volgt luidt:

“Onlangs is de door ons gezamenlijk ingekochte Drent 4 verkocht. Na aftrek van de kosten verband houdende met de verkoop (onderhoud, bewaring en bemiddeling) rest aan u in dit geval te voldoen een bedrag van € 6.750,- ex btw.

Verkoopsom € 16.500

Uw investering € 5.000

Onze kosten € 8.000

Netto resultaat € 3.500/2 = €1.750 vermeerderd met investering is € 6.750.”

2.10. Op 16 november 2011 is aan Delta Graphic surséance van betaling verleend en op 25 november 2011 is haar faillissement uitgesproken.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert, samengevat:

- verklaringen voor recht dat [B] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] en dat [B] aansprakelijk is voor de schade die [A] dientengevolge heeft geleden;

- veroordeling van [B] om aan [A] te betalen EUR 39.158,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over EUR 38.000,- vanaf 16 oktober 2011, althans vanaf 29 maart 2012, althans vanaf 4 juni 2012, alsmede veroordeling van [B] in de proceskosten.

3.2. [A] stelt daartoe, kort samengevat, het volgende. [B] heeft in privé, dan wel als bestuurder van Delta Graphic de aan [A] in eigendom toebehorende drukpers onbevoegdelijk en voor een veel te lage prijs verkocht en geleverd aan [D]. Aldus heeft [B] zich onrechtmatig jegens [A] gedragen en is hij aansprakelijk voor de dientengevolge door [A] geleden schade van EUR 38.000,-, zijnde het bedrag waarvoor de drukpers door [D] ongezien is doorverkocht aan een Poolse firma. [A] claimt nog EUR 1.158,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3. [B] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop dat voldoende vast staat dat de drukpers door Delta Graphic is verkocht (en geleverd) aan [D]. [B] heeft dit erkend en uit de hiervoor onder 2.7 genoemde factuur en vrachtbrief kan dit ook worden afgeleid. Voor zover [A] heeft gesteld dat [B] in persoon (handelend voor zichzelf) die verkoop heeft gerealiseerd, wat door [B] is betwist, wordt die stelling verworpen nu die niet nader is geconcretiseerd.

4.2. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of Delta Graphic tot verkoop (en levering) bevoegd was. [B] heeft betoogd dat dit zo is, omdat de drukpers niet alleen door [A], maar ook door Delta Graphic van de drukkerij was gekocht en, naar de rechtbank begrijpt, zij dus samen de eigendom van de drukpers hadden verkregen waarbij Delta Graphic gemachtigd was tot verkoop. [A] heeft een en ander weersproken.

4.3. Het (bevrijdend) verweer van [B] faalt. Weliswaar wordt in de hiervoor onder 2.3 aangehaalde e-mail van [A] gesproken van “we” - “Ik heb het volgende een poos geleden met [B] besproken en nu moeten we het nog uitvoeren” en “Deze machine hebben we gekocht (…)” - maar dat is onvoldoende om een gezamenlijke aankoop van de drukpers uit op te maken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het gebruik van het koninklijk meervoud in het dagelijks spraakgebruik niet ongebruikelijk is en dat [A] ter comparitie heeft verklaard dat het gebruik van het woord “we” in de e-mail een algemene strekking heeft. De in die e-mail gebezigde bewoordingen kunnen redelijkerwijs in het spraakgebruik worden opgevat in die zin dat [A] heeft gekocht en Delta Graphic verantwoordelijk is voor de opslag, zoals [A] stelt. Gezien het voorgaande had van [B] mogen worden verwacht dat hij nader zou hebben toegelicht dat, laat staan waarom voornoemde zinsneden in onderhavig geval (toch) in de door hem voorgestane zin dienen te worden begrepen en door hem in die zin redelijkerwijs mochten worden opgevat. Hij heeft dit nagelaten. Hij heeft (anders dan de voornoemde e-mail) geen concrete feiten naar voren gebracht over hoe, waar en wanneer hij samen met [A] de drukpers heeft gekocht. Dit lag gezien de stellingen van [A] op zijn weg. De omstandigheid dat in de hiervoor onder 2.8 aangehaalde e-mail van Delta Graphic wordt gesproken van “de door ons gezamenlijk ingekochte Drent 4”, kan [B] in dit verband (al) niet baten nu die tekst van ná de verkoop afkomstig is van Delta Graphic zelf.

4.4. Het (bevrijdend) verweer dat Delta Graphic toestemming (machtiging) van [A] had om de drukpers te verkopen, hetgeen [A] heeft betwist, faalt eveneens. In de enkele opmerking “Van mij mag deze machine op de website van Delta gezet worden” uit de hiervoor onder 2.6 aangehaalde e-mail van [A] valt een dergelijke toestemming immers niet te lezen. Uit deze e-mail valt niet meer af te leiden dan dat [A] aan Delta Graphic volmacht verleende om de drukpers ter verkoop aan te bieden. Ook de stelling dat Delta Graphic heeft gebeld met [A] om hem op de hoogte te brengen van de aanstaande verkoop is onvoldoende ter toelichting van haar verweer.

4.5. Gezien het hiervoor overwogene, kan worden geconcludeerd dat Delta Graphic de drukpers van [A] onbevoegdelijk heeft verkocht (en geleverd) aan [D]. Hiermee heeft Delta Graphic inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [A] en is Delta Graphic derhalve aansprakelijk voor de schade van [A] dientengevolge.

4.6. Voor die onrechtmatige gedraging jegens [A] kan ook [B], als (indirect) bestuurder van Delta Graphic, persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. Immers, ervan uit gegaan kan worden dat [B], als enig bestuurder van Delta Graphic, belast was met de bedrijfsvoering van de vennootschap en daarover de volledige zeggenschap had. Anderszins is gesteld noch gebleken. [B] was er (blijkens zijn eigen stellingen) van op de hoogte dat de drukpers (mede) eigendom van [A] was en moest weten dat inbreuk op diens eigendomsrecht zou worden gemaakt bij verkoop van de drukpers door Delta Graphic, nu hij niets heeft gesteld waaruit toestemming of machtiging tot verkoop kan worden afgeleid. Nu [B] Delta Graphic desalniettemin niet van verkoop heeft weerhouden, treft [B] dan ook een persoonlijk ernstig verwijt van dit onrechtmatig handelen van Delta Graphic en is hij ook persoonlijk aansprakelijk voor de daardoor aan [A] toegebrachte schade.

4.7. Om vast te kunnen stellen of [A] schade heeft geleden en, zo ja, welke hoogte die heeft, dient de vermogenssituatie van [A] van vóór de verkoop (en levering) -toen hij de drukpers nog had- te worden vergeleken met die van daarna -toen hij de drukpers niet meer had-. In dat verband is van belang welke (verkoop)waarde de drukpers ten tijde van de verkoop vertegenwoordigde. [A] heeft gesteld dat de drukpers voor EUR 38.000,- door [D] is doorverkocht aan een Poolse firma en dat EUR 38.000,- de reële waarde van de drukpers was. [B] heeft dat betwist en heeft aangevoerd dat de prijs van EUR 16.500,- die Delta Graphic voor de drukpers heeft ontvangen een reële prijs is.

4.8. [A] heeft zijn stelling dat [D] de drukpers voor EUR 38.000,- heeft doorverkocht aan een koper in Polen onderbouwd met de onder 2.10 aangehaalde factuur. Ter comparitie heeft [A] verklaard dat hij bij [D] is geweest die hem heeft toevertrouwd, op voorwaarde dat hij buiten de kwestie tussen [A] en [B] zou blijven, dat hij de drukpers heeft doorverkocht voor EUR 38.000,- aan een koper in Polen. Verder zou [D] hem hebben verteld dat hij nooit eerder zo’n goede deal had gemaakt en dat hij de drukpers rechtstreeks van Delta Graphic naar Polen heeft laten brengen.

Hiertegenover is van de zijde van [B] slechts een nagenoeg blote betwisting ingebracht, alsmede twijfels over de juistheid van de factuur en de stellingen van [A] op dit punt. Dat is onvoldoende. Van de zijde van [B] had een nadere onderbouwing van het verweer tegen de nader geconcretiseerde stellingen van [A] mogen worden verwacht, met name nu de drukpers bij hem is opgehaald voor vervoer naar Polen zodat hij bij [D] of de vervoerder inlichtingen had kunnen inwinnen over de doorverkoop. Nu die onderbouwing is uitgebleven, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de stelling van [A] dat de drukpers voor EUR 38.000,- is doorverkocht en dat dat ook de waarde van de drukpers was.

4.9. Volgens [B] zou van de door Delta Graphic ontvangen koopsom van EUR 16.500,- na aftrek van door [A] en Delta Graphic gemaakte kosten, voor [A] nog een opbrengst van EUR 1.750,- resteren en is die betaald door middel van verrekening met een tegenvordering van Delta Graphic op [A].

[A] heeft ter comparitie verklaard dat de kleine vordering die Delta Graphic op hem had, al verrekend is met zijn vordering uit een kort gedingprocedure ter zake van een andere drukpers. Van de zijde van [B] is dit niet weersproken, zodat van de juistheid van de stelling van [A] op dit punt wordt uitgegaan. Partijen zijn het erover eens dat de kosten die [B] / Delta Graphic in verband met de drukpers heeft gemaakt, verrekend dienen te worden. De stelling van [B] dat die kosten EUR 8.000,- bedragen, zoals in de hiervoor onder 2.8 aangehaalde email is weergegeven, heeft [A] betwist en wordt op geen enkele wijze toegelicht. Die stelling wordt dan ook verworpen.

Ter comparitie heeft [A] verder verklaard dat EUR 50,- per m2 per jaar voor opslag een reële prijs is en dat dat bij een oppervlak van 50 m2 voor de duur van anderhalf jaar leidt tot een te verrekenen bedrag van EUR 3.750,-. Voor de monteur van [B] / Delta Graphic die mee is geweest naar Berlijn ter ondersteuning van de monteur van [A], zou volgens [A] gedacht moeten worden aan een bedrag van EUR 1.500,-. Van de zijde van [B] zijn deze bedragen niet betwist, zodat van de juistheid daarvan wordt uitgegaan. De stelling dat ook rekening gehouden zou moeten worden met bemiddelingskosten wordt verworpen nu reeds is vastgesteld dat [B] / Delta Graphic geen toestemming had om de drukpers te verkopen. Dat (en hoe, waar en wanneer) concreet tussen [A] en Delta Graphic is afgesproken dat plaatsing van de drukpers op de site van Delta Graphic kosten voor [A] zouden meebrengen is gesteld noch gebleken. Evenmin is toegelicht dat Delta Graphic werkzaamheden heeft verricht voor onderhoud en herstel. Nu verder niet betwist is dat [A] in verband met de drukpers nog geen bedrag van [B] / Delta Graphic voor de drukpers heeft ontvangen, kan de schade van [A] na verrekening worden vastgesteld op een bedrag van EUR 32.750,- (EUR 38.000,- minus EUR 3.750,- en EUR 1.500,-). Dit bedrag is dan ook toewijsbaar.

4.10. De gevorderde rente is als inhoudelijk onbetwist toewijsbaar per 29 maart 2012, zijnde de, onbetwiste, datum van sommatie.

4.11. Nu [A] niet heeft gesteld welk zelfstandig belang hij heeft bij de gevorderde verklaringen voor recht naast de vordering tot schadevergoeding, worden de vorderingen tot verklaring van recht bij gebrek aan voldoende belang afgewezen.

4.12. Weliswaar stelt [A] inspanningen te hebben verricht in het kader van het buitengerechtelijk incasseren van zijn vordering, maar gezien de betwisting door [B], had van [A] verwacht mogen worden dat hij zijn gestelde verrichtingen nader had onderbouwd. Nu hij dat heeft nagelaten, dient te worden geconcludeerd dat [A] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht ter zake. Bijgevolg kan niet worden vastgesteld dat, laat staan in welke mate [A] de gestelde inspanningen heeft verricht. De gevorderde kosten voor buitengerechtelijke incasso zullen dan ook worden afgewezen.

4.13. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt [B] veroordeeld in proceskosten van [A] die worden begroot op:

dagvaarding EUR 90,64

vast recht EUR 821,-

salaris advocaat EUR 1.158,- (2 punten x tarief III (EUR 579,-))

Totaal EUR 2.069,64.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [B] om aan [A] te betalen een bedrag van EUR 32.750,- (tweeëndertigduizendzevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 maart 2012 tot de dag van volledige betaling;

5.2. veroordeelt [B] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op EUR 2.069,64;

5.3. verklaart het vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2013.?