Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ2312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-02-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
AWB 12/3278 WWB;AWB 12/3280 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede)terugvordering bijstand berust op motiveringsgebreken. Ondanks schending inlichtingenplicht recht toch vaststelbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/3278 WWB

AWB 12/3280 WWB

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

eiser,

[eiseres],

eiseres,

beiden wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. C.J. Nierop,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari.

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2012 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de bijstand van eiser ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingetrokken over de periode van 1 november 2004 tot en met 20 december 2005 en de over die periode ontvangen bijstand tot een bedrag van € 17.723,47 bruto teruggevorderd van eiser.

Bij besluit van 25 maart 2012 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor genoemde kosten van bijstand en van eiseres het bedrag van € 17.723,47 teruggevorderd.

Bij besluit van 21 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken ter zitting van 28 november 2012 behandeld, gevoegd met de zaken met de nummers AWB 12/3279 WWB en AWB 12/3282 WWB. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam1], sociaal rechercheur bij de Dienst Werk en Inkomen (DWI) Amsterdam.

Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken met de nummers AWB 12/3279 WWB en AWB 12/3282 WWB doet de rechtbank apart uitspraak.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eisers hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Hieruit is op [geboortedatum] 2004 een dochter geboren. Verweerder heeft aan eiser een bijstandsuitkering toegekend. In verband met de geboorte van de dochter van eisers heeft verweerder bij besluit van 22 april 2004 aan eiser met ingang van 1 april 2004 een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag toegekend. In dit besluit is vermeld dat aan eiseres geen bijstand is toegekend, omdat zij vanwege haar verblijfstatus is aangemerkt als een niet-rechthebbende partner. Op [datum] 2004 zijn eisers met elkaar getrouwd. Op [datum] 2005 zijn eisers van elkaar gescheiden.

1.2. Bij besluit van 12 januari 2006 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser ingetrokken met ingang van 21 december 2005, in verband met een verhuizing van eiser van Amsterdam naar [woonplaats]. Eiser is sindsdien woonachtig op het adres [adres] (hierna: het uitkeringsadres). Eiser heeft van 16 juli 2008 tot 1 juni 2010 een bijstandsuitkering van de gemeente [woonplaats] ontvangen. Eiseres staat laatstelijk met ingang van 12 mei 2011 ingeschreven op het uitkeringadres.

1.3. Naar aanleiding van de tip die de DWI Amsterdam heeft ontvangen van de klantmanager van eiser van de gemeente [woonplaats] betreffende een vermoeden van fraude, is een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte uitkering ingesteld. Daaruit bleek onder meer dat er stortingen op de eigen rekening van eiser hebben plaatsgevonden. Omdat op enkele bankafschriften van de rekening van eiser bijschrijvingen staan die van eiseres afkomstig zijn, ontstond bij verweerder tevens het vermoeden dat eiser geen juiste informatie had verstrekt over zijn feitelijke financiële en/of gezinssituatie. Om deze redenen heeft de sociale recherche Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiser verleende bijstand. Dat onderzoek heeft bestaan uit dossieronderzoek, onderzoek van registers en bankrekeningen, waarnemingen en observaties en het verhoren van eisers en getuigen. De sociale recherche Amsterdam heeft de bevindingen van het onderzoek neergelegd in een proces-verbaal uitkeringsfraude van 2 november 2011 (hierna: het rapport).

1.4. Bij het primaire besluit 1 heeft verweerder de bijstand ingetrokken over de periode van 1 november 2004 tot en met 20 december 2005 (hierna: de periode in geding) en de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 17.723,47 bruto teruggevorderd van eiser. Bij het primaire besluit 2 heeft verweerder de verstrekte bijstand ook van eiseres teruggevorderd. Daaraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eisers vanaf 22 juni 2004 een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren en dat eiseres in ieder geval vanaf 1 november 2004 inkomsten uit een zelfstandig bedrijf heeft. Omdat eisers dit niet hebben gemeld en het bovenstaande achteraf is vastgesteld, kan de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte bijstand niet meer worden vastgesteld en heeft verweerder de bijstand over de periode in geding van eisers beide in zijn geheel teruggevorderd.

1.5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder, samengevat, overwogen dat eiser geen informatie heeft verstrekt over zijn financiële situatie. Eiser heeft namelijk niet opgegeven dat hij een rekening heeft bij de Fortis Bank en dat eiseres met ingang van 1 november 2004 bekend is als eigenaresse van het (prostitutie)bedrijf [naam2]. Eiser heeft niet gemeld dat eiseres gebruik maakte van de zelfstandigenaftrek en dat zij als eigenaresse van genoemd bedrijf stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel van 29 juli 2004 tot 6 augustus 2008. De inlichtingenplicht gold ook voor eiser ten aanzien van feiten en omstandigheden die betrekking hadden op eiseres, nu eisers in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden met elkaar. Door het voorgaande niet te melden kan niet worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate bijstand verstrekt moet worden over de periode in geding en heeft verweerder over die periode de bijstand ingetrokken en de ten onrechte over die periode betaalde bijstand teruggevorderd van eisers. De terugvordering van eiseres is gebaseerd op artikel 59, tweede en derde lid, van de WWB, aldus verweerder.

1.6. In beroep hebben eisers het standpunt van verweerder gemotiveerd bestreden. Deze beroepsgronden worden, voor zover nodig, hierna besproken.

2. Wettelijk kader

2.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht om uit eigen beweging aan het college alle feiten en omstandigheden door te geven waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand (hierna: de inlichtingenplicht).

2.2. Op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.3. Op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is verweerder bevoegd tot terugvordering over te gaan voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.4. Op grond van artikel 59, eerste lid, van de WWB kunnen kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin of alleenstaande ouder wordt verleend, van alle gezinsleden worden teruggevorderd.

Op grond van het tweede lid kunnen de kosten van bijstand, indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichting, bedoeld in, voor zover van belang, artikel 17 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen, mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen, als bedoeld in paragraaf 3.4, bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Op grond van het derde lid van dit artikel zijn de in het eerste en tweede lid bedoelde personen hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van kosten van bijstand die worden teruggevorderd.

3. Inhoudelijke beoordeling

3.1. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat een besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand een voor een belanghebbende belastend besluit is. Daarbij is het aan het bestuursorgaan om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking en terugvordering van de bijstand is voldaan op verweerder rust. De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 20 november 2012 (LJN: BY3612).

3.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder aan de intrekking van bijstand ten grondslag heeft gelegd dat eiser niet heeft opgegeven dat hij een rekening heeft bij de Fortis Bank. De rechtbank stelt vast dat – zo begrijpt de rechtbank het standpunt van verweerder – eisers in het bestreden besluit niet wordt verweten dat zij niet hebben gemeld dat zij vanaf 2004 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Dit was verweerder overigens ook bekend, gelet op het besluit van 22 april 2004.

Eisers hebben betwist dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van de rekening bij Fortis Bank.

3.2.1. De rechtbank stelt vast dat verweerder in 2005 een onderzoek heeft verricht naar de rechtmatigheid van de uitkering van eiser (een “klant in beeld”-onderzoek). In de hiervan opgestelde rapportage van 9 februari 2005 is vermeld dat eiser gebruik maakt van de Fortis rekening met nummer [rekeningnummer1] op naam van [naam3]. In het dossier bevindt zich één afschrift van genoemde rekening, gedateerd 4 augustus 2004. Op dit afschrift is vermeld dat het saldo van de rekening € 0,00 bedraagt en dat de rekening per 3 augustus 2004 wordt opgeheven. De rechtbank leidt hieruit allereerst af dat verweerder wel degelijk bekend was met de rekening van eiser bij Fortis Bank. De rechtbank vindt in het dossier geen steun voor het ter zitting ingenomen standpunt van verweerder dat eiser de bankrekening nadien weer is gaan gebruiken. Het afschrift is daarvoor ontoereikend, nu dit afschrift van 4 augustus 2004 en de daarop vermelde mutaties niet zien op de periode in geding (die loopt immers van 1 november 2004 tot en met 20 december 2005). De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat verweerder de omstandigheid dat eiser geen opgave heeft gedaan van (het gebruik van) genoemde rekening niet aan de intrekking van bijstand ten grondslag kan leggen. De beroepsgrond slaagt. In zoverre berust het bestreden besluit op een motiveringsgebrek (artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht).

3.3. Verweerder heeft daarnaast aan de intrekking van bijstand ten grondslag gelegd dat eiser niet heeft gemeld heeft dat eiseres - kort gezegd - inkomsten uit eigen bedrijf heeft genoten. Volgens verweerder heeft eiser geen melding gemaakt van de omstandigheid dat eiseres als eigenaresse van bedrijf [naam2] stond ingeschreven bij de Kamer van Koophandel van 29 juli 2004 tot 6 augustus 2008. Eisers hebben betwist dat eiser de inschrijving van het bedrijf van eiseres bij de Kamer van Koophandel diende te melden, omdat zij hieruit geen inkomsten hebben verworven.

3.3.1. Anders dan eisers, is de rechtbank van oordeel dat eiser verweerder had dienen te melden dat het eenmansbedrijf van eiseres bij de Kamer van Koophandel was ingeschreven. Een inschrijving bij de Kamer van Koophandel is immers een indicatie dat op geld waardeerbare werkzaamheden worden verricht. Het kon eiser redelijkerwijs duidelijk zijn dat deze inschrijving mogelijk van invloed kon zijn op zijn recht op bijstand. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 31 januari 2012 (LJN: BV2333) en 6 juli 2010 (LJN: BN0605). Door van het voorgaande geen melding te maken heeft eiser de inlichtingenplicht dan ook geschonden. De beroepsgrond faalt.

3.4. Eisers hebben subsidiair aangevoerd dat eiseres in de periode in geding geen inkomsten uit haar bedrijf heeft genoten, zodat eiser, ondanks schending van de inlichtingenplicht, toch recht had op bijstand. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers gewezen op informatie van de belastingdienst, op een verklaring van het kamerverhuurbedrijf waar eiseres een kamer heeft gehuurd, op een verklaring van de moeder van eiser en op bankafschriften.

3.4.1. De rechtbank stelt voorop dat uit de in het dossier aanwezige informatie van de belastingdienst niet blijkt dat eiseres in 2004 en 2005 een zelfstandigenaftrek heeft opgegeven. De rechtbank stelt verder vast dat [naam4] (hierna: [naam4]), werkzaam bij de belastingdienst, bij brief van 28 maart 2012 eisers heeft meegedeeld dat voor zover hem bekend, eiseres over de jaren 2004, 2005 en 2006 geen inkomen heeft gehad en dat aan haar ook geen aanslagen inkomstenbelasting zijn opgelegd. Eisers hebben daarnaast gewezen op de e-mail van de gemachtigde van eisers aan [naam4] van 19 november 2012 naar aanleiding van een telefoongesprek. In deze e-mail is, voor zover van belang, onder meer vermeld: “In het telefoongesprek bevestigde u wat in uw brief staat van 28 maart 2012. U stelde dat mevrouw [eiseres] in de jaren 2004 en 2005 geen belastbaar inkomen heeft gehad, althans voor zover u kunt zien niet heeft opgegeven. Uit uw administratie bleek voorts dat mevrouw [eiseres] geen zelfstandigenaftrek had gehad in die jaren. Indien zij dat wel gehad zou hebben, zegt dat niets over of zij dat jaar inkomsten zou hebben genoten.” In zijn e-mail van diezelfde dag heeft [naam4] aan de gemachtigde van eisers geschreven dat hij voor het woord “inkomsten” het bijvoeglijk naamwoord “positieve” heeft ingevuld.

3.4.2. In de verklaring[naam5] (hierna: [naam5]) van Kamerverhuurbedrijf [naam6] v.o.f. op 30 september 2011 heeft afgelegd tegenover sociaal rechercheur [naam1] staat onder meer dat eiseres vanaf 16 maart 2008 tot en met 2 september 2010 een kamer huurde bij genoemd bedrijf. Hij heeft voorts onder meer verklaard dat het kan zijn dat eiseres al voor 2008 werkte en dat toen eiseres bij hem begon, haar dochter ongeveer twee jaar was en dat hij dit weet via zijn vrouw, die ook Russisch spreekt. Nu de dochter van eiseres op [geboortedatum] 2004 is geboren, kan uit de verklaring van [naam5] worden opgemaakt dat eiseres omstreeks 1 juni 2006 een kamer heeft gehuurd bij Kamerverhuurbedrijf [naam6] v.o.f. ten behoeve van haar werkzaamheden als prostituee. De in bezwaar overgelegde verklaring van de moeder van eiseres stemt daarmee overeen. De rechtbank concludeert dat deze datum gelegen is ruimschoots na de periode in geding.

3.4.3. Eiseres heeft daarnaast in bezwaar bankafschriften van haar rekening bij de ING Bank overgelegd. Deze zien op de periode van 31 december 2004 tot en met 2 januari 2006. De rechtbank stelt vast dat uit die afschriften niet blijkt dat eiseres inkomsten heeft genoten. Het door verweerder ingenomen standpunt dat eiseres in de periode in geding desondanks “zwarte” inkomsten genoten zal hebben, is, tegenover het onderbouwde standpunt van eisers, op geen enkele wijze onderbouwd.

3.4.4. Gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat eisers in de periode in geding inkomsten uit het bedrijf van eiseres hebben genoten. Eisers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser ondanks de schending van de inlichtingenverplichting recht had op bijstand. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom. Ook in zoverre berust het bestreden besluit op een motiveringsgebrek.

3.5. Verweerder was dan ook niet bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van eiser over de periode in geding in te trekken. Hieruit volgt dat verweerder ook niet bevoegd was om op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de over de periode in geding gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen van eiser. Dat betekent dat verweerder reeds hierom evenmin bevoegd was om op de voet van het bepaalde in artikel 59 van de WWB de bijstand mede van eiseres terug te vorderen. De vraag of terugvordering van een niet-rechthebbende partner op grond van artikel 59 van de WWB mogelijk is, behoeft daarom geen bespreking meer.

3.6. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verweerder de geconstateerde gebreken in het bestreden besluit kan herstellen en ziet daarom tevens aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de primaire besluiten te herroepen.

3.7. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers voor de behandeling van hun beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor samenhangende zaken forfaitair begroot op € 944, - per beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 472, - per punt, wegingsfactor 1). De rechtbank zal verweerder opdragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

3.8. Nu de rechtbank tot herroeping van de primaire besluiten zal overgaan wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, komen op grond van het bepaalde in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de door eisers in bezwaar gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de in bezwaar gemaakte kosten, die onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor samenhangende zaken forfaitair worden begroot op begroot op € 944, - per bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept de primaire besluiten;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 42,- (tweeënveertig euro) elk aan hen dient te betalen;

- veroordeelt verweerder in de kosten van eisers van de bezwaar- en beroepsprocedure tot een bedrag van € 1.888,- (achttienhonderd en tweeëntachtig euro), te betalen aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Bakker, voorzitter,

mrs. T.P.J. de Graaf en M.P. Verloop, leden, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2013.

de griffier, de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB