Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ2232

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
25-02-2013
Zaaknummer
13/13/89 F (532587 / FT-RK 12.3022)
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek tot faillietverklaring. Faillissement na vereffening ogv artikel 2:23a, vierde lid, BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 23a
Faillissementswet
Faillissementswet 1
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

faillissementsnummer: 13/13/89 F

Ter griffie van deze rechtbank is op 18 december 2012 een verzoekschrift met rekestnummer C/13/532587/FT-RK 12.3022 ingekomen van:

commanditaire vennootschap RESIDEX CAPITAL IV C.V.,

gevestigd te Ugchelen,

verzoekster,

advocaat mr. M.H. Hamberg.

Het verzoek strekt tot faillietverklaring van:

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AAROEVER BELEGGINGEN B.V. IN LIQUIDATIE,

ingeschreven bij de Kamer van Koophandel te Amsterdam onder nummer 34073655,

statutair gevestigd Amsterdam,

vestigingsadres: 3800 CC Amersfoort, Postbus 2121.

Mr. M.H. Hamberg heeft ter terechtzitting van 29 januari 2013 namens verzoekster het verzoek toegelicht aan de hand van schriftelijke aantekeningen. Namens schuldenares heeft mr. F. Henke ter terechtzitting van 29 januari 2013 gemotiveerd verweer gevoerd, eveneens aan de hand van schriftelijke aantekeningen.

Mr. Henke heeft ter zitting onder meer – bij wijze van verweer – aangevoerd dat het onderhavige verzoek dient te worden afgewezen nu niet is voldoen aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers. De rechtbank verwerpt dit verweer en heeft daartoe als volgt overwogen.

Vast staat dat Aarover Beleggingen B.V. sedert 21 juni 2008 in liquidatie is en dat sindsdien Van Minnen Finance B.V. als vereffenaar is aangewezen. Door verzoekster (hierna ook wel: Residex) is onweersproken gesteld dat sedertdien schuldeisers geheel of gedeeltelijk zijn betaald. Voorts is komen vast te staan dat de schulden de baten overtreffen en dat de vereffenaar bij die stand van zaken aangifte tot faillissement zou behoren te doen, tenzij op de voet van artikel 2:23a, vierde lid, Burgerlijk Wetboek (BW) alle schuldeisers instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement. Van laatstbedoelde instemming is niet gebleken. Uit het verhandelde ter zitting en hetgeen uit de stukken naar voren komt is gebleken dat in de vereffeningsfase schuldeisers geheel of gedeeltelijk zijn betaald en Residex daarentegen onbetaald is gelaten. Door de vereffenaar is geen rekening en verantwoording afgelegd en uit gegevens van de Kamer van Koophandel is gebleken dat Van Minnen Finance B.V. op 13 juni 2012 is ontbonden en opgehouden te bestaan.

Overwegende dat de regel van artikel 2:23a, vierde lid, BW is ingevoerd omdat de wetgever de behartiging van de belangen van de schuldeisers onder meer uit het oogpunt van het beginsel van hun onderlinge gelijkheid beter gewaarborgd acht in de bij de Faillissementswet voorgeschreven procedure dan bij vereffening door een vereffenaar brengt een redelijke wetsuitleg met zich dat naar het oordeel van de rechtbank Residex in de weergegeven omstandigheden de faillietverklaring van schuldenares kan verzoeken. In zoverre vormt de in artikel 2:23a, vierde lid, BW gelegen bevoegdheid tot faillissementsaangifte een zelfstandige grond. Voor zover Residex thans enig schuldeiser is staat die situatie niet in de weg aan faillietverklaring nu – uit de weergegeven feiten – is gebleken dat die situatie is gecreëerd door de vereffenaar met doorbreking van de hiervoor bedoelde onderlinge gelijkheid van schuldeisers en reeds daarom niet aan Residex kan worden tegengeworpen. Een andersluidende opvatting zou immers erop neerkomen dat een schuldeiser als Residex op eenvoudige wijze buitenspel kan worden gezet. Residex heeft er dan ook belang bij een en ander in het kader van een faillissement te laten onderzoeken.

Bij de behandeling is summierlijk gebleken van een vorderingsrecht van verzoekster, alsmede van feiten en omstandigheden, die aantonen dat schuldenares in de toestand verkeert, dat zij heeft opgehouden te betalen.

De rechtbank heeft acht geslagen op de artikelen 1, 2, 4, 6 en 14 van de Faillissementswet.

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid van Verordening 1346/2000 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu naar haar oordeel het centrum van de voornaamste belangen van schuldenares in Nederland ligt.

De beslissing

De rechtbank:

- verklaart AAROEVER BELEGGINGEN B.V. IN LIQUIDATIE voornoemd in staat van faillissement;

- benoemt tot rechter-commissaris het lid van deze rechtbank mr. M.J.E. Geradts,

en tot curator mr. J.D. Edens, 1087 HW Amsterdam, Krijn Taconiskade 354;

- geeft last aan de curator tot het openen van de aan schuldenares gerichte brieven en telegrammen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.D. Akkaya en in het openbaar uitgesproken op

30 januari 2013 te 13:00 uur.