Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ2092

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
25-02-2013
Zaaknummer
13-674292-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht. Schipper vaart tijdens Sail 2010 met zijn duwstel het IJ op, tegen de vloot van schepen en pleziervaartuigen in. Het handelen van de schipper leidt ertoe dat het duwstel in aanvaring komt met een motorboot en een rubberboot, waarvan de rubberboot tussen de wal en het duwstel wordt samengedrukt. De rechtbank acht bewezen dat het aan de schuld van de schipper te wijten is dat hij de motorboot heeft beschadigd en de rubberboot heeft vernield, waardoor levensgevaar voor anderen ontstond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/674292-11

Datum uitspraak: 23 januari 2013

Verstek

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [plaats] op [1947],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], [postcode plaats].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 januari 2013.

1. Tenlastelegging

Verdachte wordt, zakelijk weergegeven, verweten dat hij op 19 augustus 2010 in Amsterdam als schipper van een motorschip een rubberboot en een motorboot opzettelijk en wederrechtelijk, althans aan zijn schuld te wijten, heeft doen verongelukken dan wel heeft vernield. Voorts wordt hem verweten dat hij als schipper niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen om te voorkomen dat personen of goederen in gevaar werden gebracht.

De volledige tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

2. Voorvragen

2.1. Geldigheid dagvaarding

De verdediging heeft betoogd dat de dagvaarding met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit partieel nietig is, nu – zakelijk weergegeven – de verweten handelingen onvoldoende feitelijk zijn, waardoor een dergelijke formulering in strijd met artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is.

De rechtbank overweegt als volgt. De vraag is of de tenlastelegging met betrekking tot het primair ten laste gelegde aan duidelijkheid te wensen over laat. Een van de in artikel 261 Sv gestelde eisen is dat de tenlastelegging een voldoende geconcretiseerde omschrijving geeft van het feit dat aan verdachte ten laste wordt gelegd, zodat de rechter op basis van de tenlastelegging weet wat hij moet onderzoeken en verdachte voldoende duidelijk is waarvan hij wordt beschuldigd.

De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat het primair ten laste gelegde, vanaf “en/of het verrichten van een of meer handeling(en)” tot en met “die voor de scheepsvaart openstaan” onvoldoende feitelijk en geconcretiseerd is. De dagvaarding voldoet op dit punt daarom niet aan de eisen in artikel 261 Sv. Het beroep op partiële nietigheid van de dagvaarding wordt hiermee toegewezen.

De rechtbank stelt vast dat in het primair – impliciet – subsidiar ten laste gelegde in het laatste deel van de omschrijving het na ‘levensgevaar voor een of meer ander(en) te duchten was’, is verzuimd het bestanddeel ‘levensgevaar voor een of meer ander(en) is ontstaan’ op te nemen. De verdediging heeft over dit verzuim opgemerkt dat, ingeval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen, dit tot een ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten leiden.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de opsteller van de tenlastelegging met de tekst kennelijk ervoor heeft gekozen primair artikel 168 Wetboek van Strafrecht (Sr) en subsidiair artikel 169 Sr ten laste te leggen. Dit komt tot uitdrukking niet alleen in de door hem gekozen bestanddelen die zien op beide artikelen, maar ook in de vermelding van de artikelen aan de onderzijde van de tekst. Dit brengt mee dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest welke strafbare gedragingen de officier van justitie hem verweet. Verdachte heeft zich op en tegen deze verwijten kunnen voorbereiden, respectievelijk kunnen verdedigen. De verdediging heeft ter terechtzitting ten aanzien van deze verwijten ook daadwerkelijk verweer gevoerd.

Dit betekent dat het weglaten van het bestanddeel ‘levensgevaar voor een of meer ander(en) is ontstaan’ niet anders kan worden uitgelegd dan als een kennelijke verschrijving. Doordat de tenlastelegging is verbeterd, wordt verdachte niet in zijn belangen geschaad.

2.2. Overige voorvragen

Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 19 augustus 2010 te Amsterdam op Het IJ een rubberboot (merk Quicksilver met buiten-boordmotor merk Mariner 6PK, toebehorende aan [A]) en een motorboot (merk Rapsody met voortstuwingsmotor van 29 voet, toebehorende aan [B]), aan zijn schuld te wijten, heeft doen verongelukken en heeft vernield en heeft beschadigd, door:

- het zich niet vergewissen dat vertrek mogelijk is zonder gevaar en

- het varen met een snelheid hoger dan het ter plaatse toegestane maximum en

- het varen in een ter plaatse niet toegestane vaarrichting en

- het niet uitluisteren van de marifoon,

ten gevolge van welke handelingen levensgevaar voor anderen, te weten [B] en [C] en [D] en [A] is ontstaan.

en

op 19 augustus 2010 in de gemeente Amsterdam als schipper van een motorschip, type duw-bak, daarmee varende op Het IJ zijnde een openbaar voor de scheepvaart openstaand water, in het Rijk gelegen, terwijl, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in het Binnen-vaartpolitiereglement, hij, verdachte, niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die vol-gens goed zeemanschap en door omstandigheden waarin voornoemd schip of voornoemd sa-menstel zich bevond in het belang van de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart wa-ren geboden heeft genomen, teneinde te voorkomen dat het leven van personen in gevaar werd gebracht en schade werd veroorzaakt aan andere schepen of aan andere drijvende voor-werpen, aan oevers en aan werken en inrichtingen die zich in de vaarweg en op de oevers daarvan bevonden en van de scheepvaart in gevaar werd gebracht, immers heeft hij, verdachte

- zich niet vergewist dat vertrek mogelijk is zonder gevaar en

- gevaren met een snelheid hoger dan het ter plaatse toegestane maximum en

- gevaren in een ter plaatse niet toegestane vaarrichting en

- niet de marifoon uitgeluisterd.

4. Het bewijs en bewijsoverwegingen

De rechtbank beperkt zich tot de overwegingen en de daaraan verbonden conclusies met betrekking tot de door de verdediging gevoerde verweren. De rechtbank is van oordeel dat de namens verdachte bepleite vrijspraak ten aanzien van het ten laste gelegde wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. De rechtbank heeft geen reden aan de juistheid en betrouwbaarheid van die bewijsmiddelen te twijfelen.

4.1. De feiten

De rechtbank gaat op grond van het dossier van het volgende uit.

Op 19 augustus 2010 te Amsterdam vond het evenement Sail 2010 plaats. Op die dag was een vloot schepen van IJmuiden naar Amsterdam onderweg. Rondom deze vloot voer op dat moment een groot aantal pleziervaartuigen. In verband met dit evenement waren op 1 juni 2010 maatregelen en stremmingen afgekondigd in de zogenaamde “Bekendmaking aan de scheepsvaart Noordzeekanaalgebied” Deze bekendmaking was tevens gepubliceerd in de Staatscourant 2010 nr. 10774. Deze maatregelen hielden onder meer in dat op 19 augustus 2010 een vaarsnelheid was ingesteld van maximaal 6 kilometer per uur, het Noordzeekanaal, het Afgesloten IJ en de IJ-haven van 9.00 uur tot 17.00 uur voor scheepvaartverkeer waren gestremd en het verboden was in westelijke richting te varen.

Op 19 augustus 2010 voer vanuit de Mercuriushaven een duwstel, gevormd door de duwboot Asterix en de duwbak Piz Castor, in westelijke richting tegen de vloot in. Het duwstel, waarvan verdachte de schipper was, belandde tegen de noordoever, waarbij het voorschip vastliep vanwege ondiepte en de achterste helft gestrekt tegen een ponton verwaaide. Hierbij voer het duwstel een motorjacht, genaamd Rapsody, met de voorzijde van de duwbak aan. Vlak voor de aanvaring sprongen de acht opvarenden, onder wie [B] en [C], van de Rapsody. Tevens raakte de duwboot een rubberboot met als opvarenden [E] en [D]. De rubberboot werd tussen de wal en de duwboot samengedrukt, waardoor genoemde [E] en [D] te water raakten.

4.2. Bewijsverweer

4.2.1 De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat niet kan worden aangenomen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de aanvaring heeft aanvaard. Evenmin kan worden gezegd dat verdachte dermate onzorgvuldig heeft gevaren dat hem schuld als bedoeld in artikel 169 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) kan worden verweten. Verdachte dient daarom van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte geen opzet op de vernieling heeft gehad en ook niet bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat één of meer bootjes door zijn handelen vernield zouden worden.

4.2.2 De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is, met de verdediging en anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de in de tenlastelegging genoemde gevolgen, te weten – kort samengevat – het laten verongelukken/vernielen van een of meer vaartuigen.

In deze zaak omvat de voorwaardelijk opzet het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans op het laten verongelukken/vernielen van de in de tenlastelegging genoemde boten. Daarvan was bij verdachte geen sprake, nu niet onaannemelijk is dat verdachte zich niet bewust is geweest van de risico’s die hij nam, toen hij tijdens het evenement besloot het IJ in westelijke richting op te varen. Verdachte heeft deze kans dat hij de ten laste gelegde boten zou laten verongelukken/vernielen, dus niet willens en wetens aanvaard.

Voor het bewijs van schuld als bedoeld in artikel 169 Sr is van belang of verdachte een verwijt gemaakt kan worden als ten laste is gelegd, te weten of het aan zijn schuld te wijten dat hij de andere boten heeft doen zinken, stranden en/of verongelukken en/of heeft vernield, onbruikbaar gemaakt en/of beschadigd, waardoor levensgevaar voor een of meer ander(en) ontstaat.

Een zodanig verwijt kan verdachte worden gemaakt.

Verdachte heeft verklaard dat hij zich op geen enkele wijze heeft voorbereid op de beperkingen in verband met Sail 2010, terwijl hij wel wist dat op 19 augustus 2010 dit evenement plaatsvond. Ondanks zijn bekendheid met dit evenement is hij op die dag vanuit de Mercuriushaven met het duwstel gaan varen en vervolgens in een niet toegestane vaarrichting, tegen de stremming in, met een snelheid hoger dan het op dat moment toegestane maximum het IJ opgevaren. Verdachte heeft verklaard dat hij zich op marifoonkanaal 68 heeft gemeld, maar dat hij na zijn melding niets heeft teruggehoord. Getuige [F], aan boord van het Rijkswaterstaatvaartuig Riepel en verkeersleider bij Rijkswaterstaat, heeft verklaard dat hij, toen hij zag dat verdachte aanstalten maakte het IJ op te varen, heeft getracht via marifoonkanaal 68 met verdachte contact te krijgen. Dit lukte echter niet. Dit wordt bevestigd door [G], tevens aan boord van het Rijkswaterstaatvaartuig Riepel, die heeft gehoord dat [F] verdachte drie of vier keer heeft aangeroepen.

Het marifoonverkeer is uitgeluisterd. Hieruit blijkt dat verdachte zich niet op marifoonkanaal 68 heeft gemeld, voordat hij de Mercuriushaven uitvoer. Wel is te horen dat [F] verdachte aanroept. Na technisch onderzoek is gebleken dat de apparatuur van het duwstel van verdachte naar behoren functioneerde.

Deze handelingen hebben, in onderlinge samenhang bezien, ertoe geleid dat verdachte met zijn duwstel in aanvaring is gekomen met de rubberboot van [E] en de motorboot van [B].

Dit leidt tot de conclusie dat het aan verdachtes schuld is te wijten dat de rubberboot van [E] en de motorboot van [B] zijn vernield en/of beschadigd, waardoor levensgevaar voor een of meer ander(en) ontstond.

5. De strafbaarheid van de feiten

5.1. De strafbaarheid van het primair – impliciet subsidiair – ten laste gelegde

De verdediging heeft aangevoerd dat bij een eventuele bewezenverklaring van het primair – impliciet subsidiair – ten laste gelegde ontslag van alle rechtsvervolging zou behoren te volgen op grond van het niet in de tenlastelegging vermeld zijn van het voor de strafbaarheid noodzakelijke gevolg dat door het handelen van verdachte “levensgevaar voor een ander ontstaat”.

De rechtbank heeft hiervoor onder rubriek 2.1 reeds overwogen dat sprake is van een kennelijke verschrijving die dient te leiden tot een verbetering, als gevolg waarvan verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. Het verweer dat verdachte dient te worden ontslagen, van alle rechtsvervolging wordt verworpen.

5.2. Strafbaarheid van het subsidiair cumulatief/alternatief ten laste gelegde

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigings-grond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte voor het door hem primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 60 dagen zal worden toegepast.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, zoals de rechtbank deze hiervoor heeft vastgesteld in het kader van de bewijsoverwegingen.

Bij de beoordeling van de straf staat voorop dat verdachte een ernstig verwijt treft dat hij als ervaren schipper niet heeft geïnformeerd naar de verkeersmaatregelen en stremmingen die voor het evenement Sail 2010 ten behoeve van de scheepvaart waren afgekondigd, terwijl verdachte wel van voornoemd evenement wist. Niettemin is verdachte, zonder enige voorbereiding, het IJ met een snelheid hoger dan het ter plaatste toegestane maximum en in een niet toegestane vaarrichting opgevaren. Verdachte is met zijn duwstel middenin een groot aantal pleziervaartuigen terechtgekomen, die bovendien alle hem tegemoet kwamen varen.

Verdachte heeft zich daarbij vergist in de drukte van het scheepvaartverkeer en de hoeveelheid pleziervaartuigen. Het duwstel is, als gevolg van de handelwijze van verdachte, tegen de noordoever beland, waarbij het voorschip vastliep vanwege ondiepte en de achterste helft gestrekt tegen een ponton verwaaide. Hierbij werd de rubberboot van [E] en de motorboot van [B] vernield. Een van de opvarenden van deze motorboot, [C], heeft als gevolg van het uit de motorboot springen, hieraan tot op de dag van vandaag lichamelijke klachten overgehouden.

Dit alles is te wijten aan de schuld van verdachte. Verdachte heeft diverse grove inschattingsfouten gemaakt die de rechtbank hem aanrekent. Van een schipper van een duwcombinatie van 83 meter lang mag worden verwacht dat hij zorgvuldiger handelt dan verdachte deed tijdens Sail 2010.

Blijkens een verdachte betreffend Uitreksel uit het justitiële documentatieregister van 23 augustus 2012 blijkt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest voor soortgelijke feiten.

De rechtbank weegt bij de straftoemeting in het voordeel van verdachte mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. In beginsel dient de behandeling van een zaak in eerste aanleg binnen twee jaar na aanvang van die termijn te zijn voltooid. Nu dit in de onderhavige zaak eerst na twee jaar en vijf maanden het geval is, terwijl dit niet aan verdachte te wijten is, is sprake van een overschrijding van de termijn met vijf maanden.

Hoewel de rechtbank het ten laste gelegde anders kwalificeert dan de officier van justitie, vindt zij het handelen van verdachte dermate kwalijk dat het opleggen van de navolgende straf passend en geboden is.

Ten aanzien van de benadeelde partij [C]

De benadeelde partij [C] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor € 23.854,11, bestaande uit € 9.912,61 materiële schade, € 7.500,00 immateriële schade en € 6.441,50 buitengerechtelijke kosten.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 10.565,06 wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor € 9.565,06. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, nu de inge-diende vordering een onevenredige belasting van het strafproces inhoudt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van een deel van de vordering van [C] niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank begroot de schade op € 5.949,34, bestaande uit € 5.000,00 immateriële schade en € 949,34 materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [C] wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd. De verplichting tot betaling van de wettelijke rente wordt niet opgelegd, nu de benadeelde partij deze niet heeft gevorderd.

De vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten kan voor € 1.000,00 worden toegewezen.

Het restant van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daar-om is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. Zij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de benadeelde partij [E]

De benadeelde partij [E] heeft een vordering tot vergoeding van de geleden schade ingediend voor € 4.570,00, bestaande uit € 2.570,00 materiële schade en € 2.000,00 immateriële schade.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren nu de inge-diende vordering een onevenredige belasting van het strafproces inhoudt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van [E] voor een deel niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank begroot de schade op € 3.070,00, bestaande uit € 500,00 immateriële schade en € 2.570,00 materiële schade. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen. Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Het restant van de vordering levert wel een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom is de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan het bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [E] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c (oud), 22d (oud), 36f (oud), 56 en 169 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1.02, 1.04, 4.05, 6.14, 6.16, 6.20, 9.07 en 10.07 van het Binnenvaartpolitiereglement en de artikelen 4 en 31 van de Scheepvaartverkeerswet.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het primair – impliciet subsidiair – ten laste gelegde heeft begaan, zoals vermeld onder rubriek 3 van dit vonnis.

Verklaart bewezen dat verdachte het cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, zoals vermeld onder rubriek 3 van dit vonnis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het primair – impliciet subsidiair – ten laste gelegde

het aan zijn schuld te wijten zijn dat een vaartuig of luchtvaartuig zinkt, strandt of verongelukt, wordt vernield, onbruikbaar gemaakt of beschadigd, terwijl daardoor levensgevaar voor een ander ontstaat;

ten aanzien van het cumulatief/alternatief ten laste gelegde

overtreding van de artikelen 1.02, 1.04, 4.05, 6.14, 6.16, 6.20, 9.07 en 10.07 van het Binnenvaartpolitiereglement.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis van 60 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van de benadeelde partij [C]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [C], wonende op het adres [adres], [postcode] [plaats], toe tot een bedrag van € 5.949,34 (zegge vijfduizend negenhonderd negenenveertig euro en vierendertig eurocent), bestaande uit € 5.000,00 (zegge vijfduizend euro) immateriële schade en € 949,34 (zegge negenhonderd negenenveertig euro en vierendertig eurocent) mate-riële schade.

Veroordeelt verdachte aan [C] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [C], te betalen de som van € 5.949,34 (zegge vijfduizend negenhonderd negenenveertig euro en vierendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 64 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalings-verplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [C], inhoudende de buitengerechtelijke kosten, toe tot een bedrag van € 1.000,00 (zegge duizend euro). Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Ten aanzien van de benadeelde partij [A]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [E], wonende op het adres [adres], [postcode] [plaats], toe tot € 3.070,00 (zegge drieduizend zeventig euro), bestaande uit € 500,00 (zegge vijfhonderd euro) immateriële schade en € 2.570 (zegge tweeduizend vijfhonderdzeventig eu-ro) materiële schade.

Veroordeelt verdachte aan [E] voornoemd het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [E], te betalen de som van € 3.070,00 (zegge drieduizend zeventig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 40 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalings-verplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.F. Korthals Altes, voorzitter,

mrs. J. Knol en B.T. Beuving, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. T. van de Kraats, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2013.