Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0805

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
C/13/533310 / KG ZA 12-1792 MvW/SvE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffen conservatoir beslag. Op basis van het beschikbare feitenmateriaal kan niet de conclusie worden getrokken dat eiser de initiator en feitelijk leidinggevende van de aandelentransactie was. Voldoende aannemelijk is dan ook dat gedaagde eiser ten onrechte aansprakelijk houdt voor de schade die zij stelt te hebben geleden. Dit betekent dat de gelegde beslagen moeten worden opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/533310 / KG ZA 12-1792 MvW/SvE

Vonnis in kort geding van 29 januari 2013

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [plaats],

2. [eiser 2],

wonende te [plaats],

eisers in conventie bij dagvaarding van 4 januari 2013,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. G. Reisenstadt te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. F. van der Hoef te Burgum.

Partijen zullen hierna [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 15 januari 2013 hebben [eiser 1] en [eiser 2] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. De Vries-Siebenga heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen en in reconventie gevorderd als blijkt uit de aan dit vonnis gehechte akte. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de vordering in reconventie bestreden. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen. Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aanwezig [eiser 1] en [eiser 2] met mr. Reisenstadt en [gedaagde] met mr. Van der Hoef.

2. De feiten

2.1. [eiser 1] en [eiser 2] zijn gehuwd onder uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap. [eiser 1] is in de periode van 1 mei 2006 tot 9 september 2009 bestuurder geweest van [vennootschap 1] B.V., een groothandel en leverancier van met name relatiegeschenken. Op laatstgenoemde datum is het faillissement van [vennootschap 1] B.V. uitgesproken.

2.2. Enig aandeelhouder van [vennootschap 1] B.V. was [vennootschap 1] Beheer B.V. De bestuurder daarvan was [A], gehuwd met [B]. Zij is de zuster van de voormalige echtgenoot van [gedaagde], genaamd [C], die in januari 2008 is overleden.

2.3. Enig aandeelhouder en tevens bestuurder van [vennootschap 1] Beheer B.V. is [vennootschap 2] Beheer B.V. (hierna: [vennootschap 2]).

2.4. Bestuurder van [vennootschap 2] is [A]. In de periode van 2007 tot en met 2009 is [D] [functie] geweest van [vennootschap 2]. In diezelfde periode was de voormalige [functie] [E] persoonlijk en gevolmachtigd adviseur van [A].

Tot aan zijn overlijden in januari 2008 was [C] voor 50% aandeelhouder in [vennootschap 2]. De overige aandelen waren in handen van [A] (37,5%) en haar echtgenoot [B] (12,5%).

2.5. Vanaf het jaar 2001 hebben de aandeelhouders van [vennootschap 2] getracht hun aandelen aan elkaar over te dragen. Op 12 oktober 2007 hebben de aandeelhouders van [vennootschap 2] een “procedure-overeenkomst inzake de verkoop van aandelen in [vennootschap 2] Beheer B.V.” gesloten. Vervolgens zijn drie deskundigen benoemd om de aandelen te waarderen, maar in juni 2008 hebben zij bericht dat die waardering niet mogelijk was.

2.6. [gedaagde] heeft, na het overlijden van [C], het aandelenpakket van 50% in [vennootschap 2] geërfd. Op 10 oktober 2008 heeft [gedaagde] deze aandelen verkocht en geleverd aan [A] voor een bedrag van € 158.074,00.

2.7. Bij brief van 26 oktober 2012 heeft [vennootschap 2] [eiser 1] aansprakelijk gesteld. [gedaagde] stelt in deze brief dat de aandelenverkoop onrechtmatig is geweest omdat de voor de aandelen betaalde prijs veel te laag was, terwijl [eiser 1] de initiator van de transactie was.

Met verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, verleend op 8 november 2012, heeft [gedaagde] ten laste van [eiser 1] conservatoir beslag gelegd op het woonhuis van [eiser 1] en [eiser 2] en onder Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. en de Coöperatieve Rabobank Noord Gooiland U.A. De vordering van [gedaagde] op [eiser 1] is in het verlof begroot op € 855.260,00.

3. Het geschil in conventie

3.1. [eiser 1] en [eiser 2] vorderen, kort gezegd, opheffing van de door [gedaagde] gelegde beslagen en veroordeling van [gedaagde] om zorg te dragen voor die opheffing en voor de doorhaling van de beslagen, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten.

3.2. Zij stellen daartoe dat [eiser 1] de aansprakelijkstelling bij brief van 16 november 2012 gemotiveerd heeft betwist. Zonder melding te doen van dit verweer heeft [gedaagde] verlof voor beslaglegging gevraagd. Haar vordering is echter ondeugdelijk. [eiser 1] en [eiser 2] betwisten dat [eiser 1] initiator van de aandelenverkoop was en dat [gedaagde] een veel te lage prijs voor de aandelen heeft ontvangen. Maar zelfs als die prijs te laag was kan de door [gedaagde] gestelde schade niet als haar eigen schade worden aangemerkt omdat het om schade van de vennootschap gaat. Aandeelhouders zijn naar Nederlands recht niet bevoegd om schade wegens waardevermindering van hun aandelen te verhalen op een derde. Indien [gedaagde] meent dat de koopprijs te laag was had zij rechtsmaatregelen moeten nemen om de koopovereenkomst aan te tasten of schadevergoeding te verkrijgen van de bestuurder of commissarissen van [vennootschap 2]. [eiser 1] was geen feitelijk leidinggevende of initiatiefnemer van de aandelenverkoop. Hij was daarbij niet nauw betrokken en was slechts [functie] en uitvoerder van de bestuurder en commissarissen van [vennootschap 2].

Tot slot stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat het beslag op hun woonhuis is gelegd met voorbijgaan aan het feit dat [eiser 2] niet mede-aansprakelijk is voor de vordering van [vennootschap 2], terwijl dat bij [gedaagde] bekend was of kon zijn. Zij vorderen reeds daarom de opheffing van het beslag op hun woonhuis.

3.3. [gedaagde] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1. [gedaagde] vordert, kort gezegd, [eiser 1] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 75.000,00 op de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van onrechtmatig handelen van [eiser 1], met veroordeling van [eiser 1] in de proceskosten in reconventie.

4.2. [eiser 1] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1. Omdat in dit geval sprake is van een procedure waarin een voorlopige voorziening wordt gevorderd, zal de voorzieningenrechter artikel 127a lid 1 en lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) – waarin is bepaald dat aan het niet tijdig betalen van het griffierecht consequenties worden verbonden – buiten beschouwing laten. Toepassing van deze bepaling zou immers, gelet op het belang van één of beide partijen bij de toegang tot de rechter, leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5.2. Bij het vragen van verlof om conservatoir beslag te leggen moet de verzoeker op grond van artikel 21 Rv de voorzieningenrechter naar waarheid en volledig inlichten over de voor de beslissing van belang zijnde feiten. Dit houdt in dat de verzoeker het hem bekende verweer tegen zijn vordering in het beslagrekest moet vermelden. Ten onrechte heeft [gedaagde] dat niet gedaan, waardoor de voorzieningenrechter op het verkeerde been kan zijn gezet. Dit zou al een reden kunnen zijn voor opheffing van de beslagen, maar zoals uit het hierna volgende zal blijken is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat de vordering van [gedaagde] ondeugdelijk is, zodat om die reden de beslagen hoe dan ook zullen worden opgeheven.

5.3. In dit kort geding moeten [eiser 1] en [eiser 2] aannemelijk maken dat [eiser 1] ten onrechte door [gedaagde] aansprakelijk is gesteld wegens het feit dat [eiser 1] er volgens [gedaagde] verantwoordelijk voor is dat zij een te lage koopprijs voor de aandelen heeft ontvangen van [A]. Om te beginnen wordt in dat verband overwogen dat een aandeelhouder die van een andere aandeelhouder aandelen koopt in de vennootschap waarvan zij aandeelhouder zijn, in beginsel die andere aandeelhouder moet aanspreken indien de aandeelhouder meent dat de betaalde koopprijs veel te laag was en daarom gecompenseerd wil worden. Uit het verweer van [gedaagde] kan worden afgeleid dat zij meent dat in dit geval de koper, [A], niet aansprakelijk is omdat het in feite niet [A], maar [eiser 1] is geweest die de koopprijs van de aandelen heeft bepaald.

5.4. Overwogen wordt dat normaal gesproken die koopprijs natuurlijk door zowel de koper als de verkoper in onderling overleg wordt vastgesteld. In dit geval was er echter een bijzondere situatie, zoals blijkt uit hetgeen partijen hebben aangevoerd en de inhoud van de processtukken. In artikel 9 lid 1 van de statuten van [vennootschap 2] is bepaald dat na het overlijden van een aandeelhouder diens aandelen door de erfgenaam te koop moeten worden aangeboden aan de overige aandeelhouders. [gedaagde] heeft te kennen gegeven dat zij de aandelen niet te koop zou aanbieden. Daarop heeft de bestuurder van [vennootschap 2], [A], de aandelen als statutair daartoe onherroepelijk gemachtigde aangeboden aan de overige aandeelhouders, zijnde [A] zelf en haar echtgenoot [B] (zie de concept leveringsakte, productie 5 van [gedaagde]). [A] heeft de aandelen aanvaard en gekocht. [gedaagde] is bij de vaststelling van de koopprijs niet direct betrokken geweest. De koopprijs is namelijk als volgt tot stand gekomen.

5.5. Nog voordat besloten werd tot overdracht krachtens artikel 9 lid 1 van de statuten heeft op 30 juni 2008 een gesprek plaatsgevonden tussen aandeelhouders, directie en commissaris van [vennootschap 2]. Bij dat gesprek waren onder meer [A], [D], [eiser 1] en de toenmalige gevolmachtigde van [gedaagde] ([F]) aanwezig. Besproken is het bericht van de deskundigen, waaronder [G], dat zij de waarde van de onderneming van [vennootschap 2] niet konden bepalen (zie hiervoor onder 2.5). Alle aanwezigen waren het erover eens dat er snel een herstructurering moest worden ingezet omdat anders de continuïteit van de onderneming in gevaar zou komen. De enige werkmaatschappij van [vennootschap 2] was [vennootschap 1] B.V. De grootste afnemer van [vennootschap 1] B.V., Rabobank Nederland, had aangekondigd dat zij haar afname zou beperken hetgeen tot een omzetreductie bij [vennootschap 1] B.V. zou leiden van 50% tot 60%. Op 30 juni 2008 is toen onder meer besloten om de passiva en activa van [vennootschap 1] B.V. te bepalen, waardoor het eigen vermogen zou kunnen worden vastgesteld. Aan [G] zou worden opgedragen, ervan uitgaande dat hij geen waarde zou willen bepalen, om een activa passiva berekening te maken. Ook is aan [eiser 1] gevraagd om een herstructureringsplan te schrijven, ervan uitgaande dat Rabobank Nederland geen afnemer meer zou zijn. Daarna is een geschil ontstaan tussen [gedaagde] en de bestuurder/overige aandeelhouders van [vennootschap 2] over de verkoop van een onroerende zaak, welk geschil tot een uitspraak in kort geding heeft geleid. In verband daarmee hebben de bestuurder en commissaris van [vennootschap 2] besloten om alsnog overeenkomstig de statuten de waarde van de aandelen te laten bepalen door de accountant van de vennootschap, tegen welke waarde [gedaagde] krachtens de statuten de aandelen moest aanbieden aan de overige aandeelhouders. Op 21 augustus 2008 heeft [H], [functie] van [vennootschap 1] B.V., aan [J] van Accon AVM (de [functie] van het concern) verzocht om een eindbalans voor 2008 van de drie tot het concern behorende vennootschappen te accorderen, welke balans was gebaseerd op een “worstcase scenario” waarbij de omzet van Rabobank Nederland van twee miljoen euro zou wegvallen. Op 3 oktober 2008 heeft [J] een onderzoeksrapport uitgebracht, waarin hij beschrijft dat hij de balans en de winst- en verliesrekening van [vennootschap 2] per 31 augustus 2008 zonder accountantscontrole heeft onderzocht. Naar aanleiding van dit rapport heeft [eiser 1] overleg gehad met [K], de [functie] van [vennootschap 2], hetgeen heeft geleid tot het vaststellen van de koopprijs van de aandelen op een bedrag van € 158.074,00. Daarmee is verrekend een rekening-courant vordering van [vennootschap 2] op (de nalatenschap van) [C]. [gedaagde] heeft bij de levering van de aandelen een bedrag van € 86.783,12 ontvangen.

5.6. Op grond van dit feitenrelaas kan, anders dan [gedaagde] meent, niet de conclusie worden getrokken dat [eiser 1] de koopprijs van de aandelen heeft bepaald. Om te beginnen heeft niet [eiser 1], maar hebben de bestuurder en commissaris van [vennootschap 2] (zijnde [A] en [D]) besloten om de waarde van de aandelen te laten bepalen door de accountant van het concern. Het onderzoeksrapport van [J] d.d. 3 oktober 2008 heeft tot een waardebepaling geleid, die in overleg tussen [K] namens [vennootschap 2] en [eiser 1] tot stand is gekomen. Volgens [eiser 1] trad hij daarbij op als bestuurder van [vennootschap 1] B.V., welke vennootschap voor een belangrijk deel de waarde bepaalde van de aandelen. Op basis daarvan kan niet worden gezegd dat [eiser 1] de feitelijke leiding heeft gehad over de aandelentransactie. De [functie] van [vennootschap 2], [A], die als aandeelhouder de aandelen van [gedaagde] heeft overgenomen, was door middel van de advocaat [K] evenzeer betrokken bij de waardebepaling. Onder die omstandigheid moet het ervoor worden gehouden dat [A] zelf verantwoordelijk is voor de waardebepaling van de aandelen. Er is dan ook in dit geval geen reden om een uitzondering te maken op het beginsel dat de verkoper, die meent dat de koper een te lage koopprijs heeft betaald en daarvoor gecompenseerd wil worden, daarvoor de koper moet aanspreken en niet een ander.

[gedaagde] heeft nog aangevoerd dat [eiser 1] de koopsom van de aandelen heeft geleend aan [A], maar die omstandigheid maakt het voorgaande niet anders.

5.7. Uit het voorgaande volgt dat het voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] ten onrechte [eiser 1] aansprakelijk houdt voor de schade die zij stelt te hebben geleden. De conclusie dat [eiser 1] initiator en feitelijk leidinggevende van de aandelentransactie was kan immers niet worden getrokken op basis van het thans beschikbare feitenmateriaal. Dit betekent dat de vordering van [gedaagde] als ondeugdelijk moet worden aangemerkt en dat de gelegde beslagen moeten worden opgeheven. Dit betekent ook dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

5.8. Een afweging van de wederzijdse belangen van partijen maakt het voorgaande niet anders.

5.9. De vordering om [gedaagde] te veroordelen om zorg te dragen voor opheffing van de beslagen is niet toewijsbaar omdat de voorzieningenrechter de beslagen zelf zal opheffen. Wel zal [gedaagde] worden veroordeeld om op straffe van een dwangsom, die zal worden gemaximeerd tot € 100.000,-, zorg te dragen voor doorhaling van het beslag op het woonhuis van [eiser 1] en [eiser 2] in de openbare registers.

5.10. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proces-kosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,79

- griffierecht € 274,00

- salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.184,79

5.11. De door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde veroordeling van [gedaagde] in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in reconventie. De kosten aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] worden, gelet op de samenhang met de vordering in conventie, tot op heden begroot op nihil.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie:

6.1. heft op de volgende beslagen:

- het op 21 november 2012 ten laste van [eiser 1] gelegde conservatoir beslag onder de Rabobank Noord Gooiland U.A.;

- het op 22 november 2012 ten laste van [eiser 1] gelegde conservatoir beslag op het woonhuis van [eiser 1] en [eiser 2];

- het op 26 november 2012 ten laste van [eiser 1] gelegde conservatoir beslag onder de Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V.,

6.2. veroordeelt [gedaagde] om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis zorg te dragen voor doorhaling van het beslag op het woonhuis van [eiser 1] en [eiser 2],

6.3. bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat zij in strijd handelt met het onder 6.2 bepaalde, aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom verbeurt van € 10.000,00 per dag, tot een maximum van € 100.000,00,

6.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in conventie, tot op heden begroot op € 1.184,79,

6.5. veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.6. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie:

6.8. weigert de gevraagde voorziening,

6.9. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten in reconventie, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. S. van Excel, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2013.?