Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0687

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2013
Datum publicatie
06-02-2013
Zaaknummer
13.707.040-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Executieoverlevering. Art. 12 OLW: de enkele omstandigheid dat de behandeling van de strafzaak zich over meer dan één terechtzitting heeft uitgestrekt, terwijl de opgeëiste persoon niet op al deze terechtzittingen in persoon is verschenen, brengt nog niet de toepasselijkheid van artikel 12 OLW mee. Onder de gegeven omstandigheden lag het op de weg van de opgeëiste persoon om naar de voortgang van de strafzaak te informeren en heeft hij dus de gelegenheid gehad zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.707.040-12

RK nummer: 12/7897

Datum uitspraak: 22 januari 2013

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 november 2012 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 november 2012 door the Brasov Court (Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [plaats] (Roemenië) op [1988],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gede¬tineerd in de Penitentiaire Inrichting “[locatie]” te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 januari 2013. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.

2. Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3. Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een:

- sentence no. 1956 from October 30th 2012 of the Brasov Court (criminal case file no. 14180/197/2011), final at November 13th by lack of appeal;

- warrant for serving the punishment no. 2717/2012, issued on November 11th 2012, by the Brasov Court.

Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat het vonnis van 30 oktober 2012 de last tot tenuitvoerlegging behelst van de eerder bij sentence no. 1793/September 21st 2011 of the Brasov Court opgelegde voorwaardelijke vrijheidsstraf.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf dienen volgens het EAB 24 uren te worden afgetrokken. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

3.1.1 Inhoud van de stukken

Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer in:

During the procedure in criminal case no. 8529/197/2011 of the Brasov Court, which pronounced the sentence no. 1793/September 21st 2011, the defendant [opgeëiste persoon] was present in the court at two trial dates, therefore being informed about the trial against him. Furthermore, he had judicial assistance [de rechtbank begrijpt: legal assistance].

Het faxbericht van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 3 januari 2013 houdt onder meer in:

Pursuant to your notice from January 2nd 2012 [de rechtbank leest: 2013], we bring to your knowledge that the defendant [opgeëiste persoon], during the proceedings in the criminal case file no. 8529/197/2011 of the Brasov Court of Law whereby the sentence no. 1793 from September 21st 2011 was pronounced, was present at the first two hearings, after which he did not appear in front of the court, so that in the public session from September 7th 2011, when the court heard the merits, the convicted was not present.

3.1.2 Standpunt van de raadsman

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft primair betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon weliswaar aanwezig is geweest op twee zittingen, maar dat op deze twee zittingen niet de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Uit het EAB blijkt niet dat zich één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a tot en met c, OLW heeft voorgedaan, terwijl zich evenmin de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en d, OLW voordoet.

Subsidiair heeft de raadsman van de opgeëiste persoon verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit duidelijkheid te laten verschaffen over het karakter van de eerste twee zittingen en een garantie als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder d, OLW te laten verstrekken.

3.1.3 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon op de eerste twee zittingen aanwezig is geweest en daar is gehoord over de feiten. Uit een en ander volgt dat de opgeëiste persoon hetzij in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, zoals bedoeld in de aanhef van artikel 12 OLW, hetzij door zijn persoonlijke aanwezigheid op de eerste twee zittingen op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting, zoals bedoeld in artikel 12, aanhef en onder a, tweede alternatief, OLW.

Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht de behandeling van het EAB aan te houden, teneinde aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de nieuwe tekst van onderdeel d) van het EAB ter invulling voor te leggen.

3.1.4 Oordeel van de rechtbank

Voor de toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 is vereist dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid. Aan deze eis ligt de gedachte ten grondslag dat de opgeëiste persoon die wel in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting de gelegenheid heeft gehad zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

De enkele omstandigheid dat de behandeling van de strafzaak zich over meer dan één terechtzitting heeft uitgestrekt, terwijl de opgeëiste persoon niet op al deze terechtzittingen in persoon is verschenen, brengt nog niet de toepasselijkheid van artikel 12 OLW mee.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting van heden desgevraagd bevestigd dat hij op de eerste twee terechtzittingen in persoon is verschenen en dat hij op die zittingen werd bijgestaan door een advocaat. Desgevraagd heeft hij verder verklaard dat hij op deze terechtzittingen is gehoord over de feiten, zij het alleen over twee van de vier feiten, en dat hij en zijn advocaat bij die gelegenheid naar voren hebben kunnen brengen wat zij van de beschuldiging inzake die twee feiten vonden.

Onder deze omstandigheden lag het op de weg van de opgeëiste persoon om, al dan niet via zijn advocaat, te informeren naar de voortgang van de strafzaak. Daarom concludeert de rechtbank dat, ook indien op de eerste twee terechtzittingen niet alle feiten aan de orde zijn geweest, de opgeëiste persoon ten aanzien van alle feiten de gelegenheid heeft gehad om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen.

De rechtbank verwerpt het primaire verweer.

Op dezelfde gronden komt het subsidiaire verzoek van de raadsman niet voor inwilliging in aanmerking. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.

4. Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de in artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW gestelde eisen.

De rechtbank stelt vast dat de feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zowel naar het recht van Roemenië als naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat op deze feiten in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

1. diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

2. diefstal door twee of meer verenigde personen;

3. en 4. diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van braak en inklimming en het weg te nemen goed onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

5. Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB in de zaak met parketnummer 13.706.930-12, RK nummer 12/7896, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB in deze zaak heeft ingetrokken, maar de zaak nog wel aanhangig is.

De officier van justitie heeft geen standpunt ingenomen.

De rechtbank constateert dat de door de raadsman bedoelde vordering niet bij de rechtbank aanhangig is, zodat de rechtbank op die vordering geen beslissing kan nemen.

6. Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7. Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.

8. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Brasov Court (Roemenië) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzit¬ter,

mrs. J.H.J. Evers en P. Rodenburg, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. V.H. Glerum, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 22 januari 2013.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

C