Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0591

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
13.707011-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van een Poolse opgeëiste persoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.707011-12

BESLISSING

Op 10 januari 2013 heeft de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam de verlenging van de gevangenhouding gevorderd van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon],

geboren te [plaats] (Polen),

Z.V.W.O.V.H.T.

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring [regio], “[locatie]” te [plaats].

De justitiële autoriteiten van Polen hebben een EAB met betrekking tot bovengenoemde persoon toegezonden.

Bij uitspraak van 4 januari 2013 heeft de rechtbank de overlevering toegestaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier, waaronder de stukken die op de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon betrekking hebben.

Gelet op de behandeling in raadkamer op 10 januari 2013, waar zijn gehoord de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. F.P. Slewe, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie heeft de verlenging van de gevangenhouding met 15 dagen gevorderd, omdat op 17 januari 2013 een vlucht naar Polen gepland staat. De officier heeft zich, naar aanleiding van de vraag van de raadsman wat in dit geval de bijzondere omstandigheden zijn die verlenging na de 10 dagen-termijn zouden rechtvaardigen, op het standpunt gesteld dat het gebrek aan middelen in Polen en de als gevolg daarvan door Polen gekozen organisatie met betrekking tot het ophalen van opgeëiste personen – met militaire vluchten – voor hem een overmachtsituatie oplevert.

De raadsman heeft aangevoerd dat Polen zich hierdoor niet aan het Kaderbesluit houdt en door deze werkwijze nalatig is. Als zich geen bijzondere omstandigheden voordoen, dient de vordering te worden afgewezen, subsidiair opgeëiste persoon te worden geschorst, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 35, eerste lid OLW dient de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon plaats te vinden binnen 10 dagen na de uitspraak van de rechtbank waarbij de overlevering (geheel of gedeeltelijk) is toegestaan. Ingevolge artikel 33 OLW wordt de krachtens artikel 27 OLW door de rechtbank bevolen vrijheidsbeneming van de opgeëiste persoon beëindigd zodra zij sedert de dag van de uitspraak 10 dagen heeft geduurd, tenzij de rechtbank deze inmiddels op vordering van de officier van justitie heeft verlengd.

De vrijheidsbeneming kan, zo bepaalt artikel 34 tweede lid onder b OLW met (telkens) ten hoogste 30 dagen worden verlengd, indien de feitelijke overlevering niet binnen de gestelde termijn heeft kunnen plaatsvinden. Daaronder vallen de gevallen als bedoeld in artikel 35 tweede lid OLW: “Indien door bijzondere omstandigheden de feitelijke overlevering niet binnen de (…) gestelde termijn kan plaatsvinden.”

Van bijzondere omstandigheden, of in de woorden van artikel 23 derde lid van het Kaderbesluit van “omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat”, is volgens de memorie van toelichting bij Overleveringswet sprake in geval van overmacht, zoals uitval van luchtverbindingen.

De vraag die thans beantwoord moet worden is of de omstandigheid dat Polen de feitelijke overlevering van opgeëiste personen zo heeft georganiseerd, dat er ongeveer eenmaal per maand een militair vliegtuig naar Nederland komt om de opgeëiste personen op te halen, een overmachtsituatie oplevert die verlenging van de vrijheidsbeneming rechtvaardigt, als bedoeld in artikel 35 tweede lid jo. artikel 34 tweede lid onder b OLW.

De rechtbank oordeelt dat deze organisatie door de verzoekende lidstaat wellicht een overmachtsituatie oplevert voor de (Nederlandse) officier van justitie, maar niet voor de verzoekende lidstaat, in dit geval Polen, mede gezien de bewoordingen in artikel 23 derde lid van het Kaderbesluit: van enige lidstaat.

De keuze die Polen heeft gemaakt is kennelijk ingegeven door andere motieven, financieel en organisatorisch, en niet door een niet aan Polen toe te rekenen onmogelijkheid om opgeëiste persoon binnen de 10 dagen feitelijk overgeleverd te krijgen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking hetgeen door de officier van justitie ter zitting naar voren is gebracht, namelijk dat Polen aan het eind van 2012 opgeëiste personen binnen de termijn van 10 dagen met lijnvluchten ophaalde, omdat toen kennelijk de financiële middelen voor de militaire vluchten waren uitgeput, maar dat Polen sinds kort weer het ophalen met de militaire vluchten heeft hervat.

Nu er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die de verlenging van de gevangenhouding rechtvaardigt, dient de vordering van de officier van justitie te worden afgewezen.

BESLISSING:

Wijst af de vordering tot verlenging van de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] voornoemd.

Deze beslissing is genomen op 11 januari 2013 door:

mr. S.A. Krenning, rechter,

in tegenwoordigheid van M.J.C. Kluessien, griffier.