Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BZ0499

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2013
Datum publicatie
04-02-2013
Zaaknummer
1349696 \ HA EXPL 12-177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opdrachtgever stelt aannemer aansprakelijk voor de inboedelschade die hij heeft geleden tengevolge van een inbraak in zijn woning. De inbreker heeft zich de toegang tot de woning verschaft door een raamkozijn open te breken dat de aannemer had aangebracht. De kantonrechter oordeelt dat de aannemer tekort is geschoten in zijn verplichting om te bouwen overeenkomstig artikel 20a van het Bouwbesluit 1998, uit welke bepaling volgt dat het raamkozijn een inbraakwerendheidsklasse 2 had moeten hebben. De vordering tot vergoeding van de inboedelschade wordt afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat er causaal verband bestaat tussen de tekortkoming en de geleden inboedelschade. Voor toepassing van de omkeringsregel is geen plaats omdat aannemelijk is dat de inbraak ook zou hebben plaatsgevonden als het raamkozijn wel een inbraakwerendheidsklasse 2 zou hebben gehad.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 23
Burgerlijk Wetboek Boek 7 24
Burgerlijk Wetboek Boek 7 758
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Bouwbesluit
Bouwbesluit 20a
Bouwbesluit 406
Woningwet
Woningwet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 1349696 \ HA EXPL 12-177

Uitspraak: 23 januari 2013

Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam

in de zaak van:

[A],

wonende te --,

eiser,

nader te noemen: [A],

gemachtigde: mr. Y.A.E. Vlassenroot,

t e g e n

1. [B],

wonende te --,

nader te noemen: [B],

2. [B] Bouw en Aannemersbedrijf B.V.,

gevestigd te Bussum,

nader te noemen: [B] B.V.,

gedaagden, gezamenlijk nader te noemen [B] c.s,

gemachtigde: mr. R.N.E. Visser.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 4 mei 2012 inhoudende de vordering van [A], met producties;

- de conclusie van antwoord, met productie;

- het tussenvonnis van 25 juli 2012 waarbij een comparitie is bepaald;

- het proces-verbaal van comparitie van 29 oktober 2012 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van 5 november 2012 van de zijde van [B] c.s. in reactie op het proces-verbaal van comparitie;

- de brief van 6 november 2012 van de zijde van [A] in reactie op voornoemde brief.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. [B] heeft tot 21 december 2011 de eenmanszaak [B] Bouw & Aannemersbedrijf gedreven.

2. In 2002 heeft [B] in opdracht van [A] werkzaamheden verricht aan de woning van [A]. [B] heeft onder meer een uitbouw gerealiseerd met nieuwe ramen en kozijnen, waarvan twee vaste ramen. [B] heeft de twee vaste ramen met schroeven vastgezet in de bijbehorende kozijnen.

3. In februari 2010 is in de woning van [A] ingebroken. [A] was op dat moment op vakantie. De inbrekers hebben zich toegang tot de woning verschaft door één van de door [B] aangebrachte vaste ramen uit het kozijn te breken. Bij de diefstal zijn geldbedragen en diverse goederen gestolen.

4. Na de inbraak heeft [A] door een sleutelspecialist het raam waardoor de inbrekers zich toegang tot de woning hebben verschaft, opnieuw laten monteren. De sleutelspecialist heeft [A] laten weten dat de wijze waarop het vaste raam was gemonteerd niet voldeed aan de standaardnormen die gelden voor het installeren van een raam.

5. Bij brief van 16 juni 2010 heeft [A] [B] aansprakelijk gesteld voor de schade die hij door inbraak heeft geleden.

6. De verzekeraar van [A] heeft naar aanleiding van de inbraak een bedrag van € 33.180,84 aan [A] uitgekeerd.

7. [A] heeft het Beveiligingscentrum B.V. verzocht de inbraakwerendheid van de door [B] gemonteerde vaste ramen te onderzoeken. In haar rapport van 15 april 2011 schrijft het Beveiligingscentrum B.V., voor zover van belang:

“Waarneming

Na demontage zag ik, dat het vaste raam via de glassponning was geschroefd met schroeven van 5x69,5mm. Deze wijze van vastschroeven, via de glassponning, wordt in de SKH-publicatie 98-08 genoemd. De onderlinge afstand van de gemonteerde schroeven bedroeg geen 300mm maar 500mm en 490mm. Daarnaast zag ik, dat niet alle schroeven binnen een afstand van 120mm vanuit de onderhoek zijn gemonteerd. Voorts zag ik, dat de hechtlengte van de schroefdraad van de gebruikte schroeven ca. 18mm betrof en niet de voorgeschreven minimale hechtlengte van minimaal 40mm.

Conclusie:

De montage van de betreffende houten ramen is niet overeenkomstig het voorschrift in de bijlage K01 van de SKH-publicatie 98-08 gemonteerd en voldoet daarmee niet aan de eis van inbraakwerendheid volgens klasse 2 NEN 5096. De gefotografeerde schade aan het opengebroken houten raam doet eveneens vermoeden dat de aangebrachte bevestiging niet voldoet aan de prestatie-eis zoals bedoeld in weerstandklasse 2 NEN 5096. Bij door mij, vele malen, bijgewoonde inbraakbeproevingen, is de schade aan de houten ramen, na drie minuten inbrekersgeweld aanzienlijk meer dan ik op de getoonde foto heb waargenomen.”

8. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft [A] [B] nogmaals aansprakelijk gesteld voor de geleden schade en heeft [B] gesommeerd om voor 1 november 2011 een schadevergoeding van € 19.631,93 aan [A] te betalen. Het rapport en de factuur van Beveiligingscentrum B.V. is als bijlage bij de brief gevoegd.

9. Op 21 december 2011 heeft [B] de besloten vennootschap [B] B.V. opgericht.

10. De aansprakelijkheidsverzekeraar van [B] heeft Q&S Experts B.V. de opdracht gegeven voor een contra-expertise. In het rapport van Q&S Experts B.V. staat, voor zover van belang:

“De heer [C] van Beveiligingscentrum BV heeft in opdracht van tegenpartij een onderzoek verricht aan het opengebroken houten raam. In de conclusie van het betreffende rapport stelde de heer [C] dat de montage van het houten raam in het houten kozijn niet voldeed aan de inbraakwerendheidseisen, zijnde weerstandsklasse 2 volgens NEN 5096.

Wij hebben dit tot op heden niet kunnen verifiëren, omdat een technische onderbouwing ontbreekt. Wij hebben van deze conclusie een onderbouwing/foto’s opgevraagd.

OORZAAK

Het eventueel niet voldoen aan de door het Bouwbesluit vereiste inbraakwerendheidsklasse 2 van het betreffende houten raam/kozijn, heeft als zodanig niet direct schade tot gevolg.

Primair is er dan ook geen causaal verband aanwezig, tussen het eventueel niet voldoen van de ramen/kozijnen aan de inbraakwerendheidseisen en de inbraak.

Tevens achten wij het tot op heden niet aangetoond, dat indien de ramen/kozijnen zouden hebben voldaan aan de inbraakwerendheidseisen daarmee de inbraak was voorkomen.”

Vordering en verweer

11. [A] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. voor recht te verklaren, op de gronden als vermeld in de dagvaarding, dat [B] c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [A] geleden schade op grond van het feit dat zij toerekenbaar tekort is geschoten jegens [A];

b. [B] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot een schadevergoeding van € 19.953,79, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2012;

c. [B] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 904,--;

d. [B] c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en de nakosten.

12. [A] legt - samengevat - het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [B] was bij de uitvoering van zijn werkzaamheden verplicht om te bouwen overeenkomstig het destijds geldende Bouwbesluit 1998. Volgens het Bouwbesluit 1998 dienden de kozijnen overeenkomstig NEN 5096 een weerstandsklasse 2 voor inbraakwerendheid te hebben. Het door [B] gemonteerde kozijn voldeed daar niet aan. [B] c.s. is dan ook aansprakelijk voor de schade die [A] daardoor heeft geleden. De schade die [A] ten gevolge van de inbraak heeft geleden bedraagt in totaal € 52.518.84. Een bedrag van € 19.338,-- aan ontvreemde goederen viel niet onder de dekking van de verzekering. [A] vordert dit bedrag hoofdelijk van [B] c.s. Ook vordert [A] vergoeding van de kosten van het Beveiligingscentrum B.V. van € 293,93. Het bedrag van € 19.953,79 is inclusief de wettelijke rente over de periode 16 september 2011 tot 15 februari 2012.

13. [B] c.s voert verweer tegen de vordering. Op de stellingen van partijen zal in het navolgende, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Beoordeling

Tekortkoming

14. Niet in geschil is dat [B] bij de uitvoering van zijn werkzaamheden verplicht was om te bouwen overeenkomstig de bepalingen van het destijds geldende Bouwbesluit 1998. Op grond van artikel 20a van het Bouwbesluit 1998 dienen ramen en kozijnen overeenkomstig NEN 5096 een weerstandsklasse voor inbraakwerendheid te hebben van ten minste 2. Weerstandsklasse 2 houdt in dat een inbreker met standaardgereedschap ten minste drie minuten nodig heeft om in de woning in te breken.

15. [B] c.s. betoogt dat artikel 20a van het Bouwbesluit 1998 alleen van toepassing is op nieuwbouwwoningen. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Artikel 20a staat in hoofdstuk II van het Bouwbesluit 1998 genaamd “Technische voorschriften omtrent het bouwen van woningen en woongebouwen.” De definitie van bouwen staat in artikel 1.1. sub a van de Woningwet. Uit deze definitie volgt dat onder bouwen ook het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk dient te worden verstaan. Op grond van artikel 406 lid 5 van het Bouwbesluit 1998 kon B&W bij het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk vrijstelling verlenen van artikel 20a van het Bouwbesluit. Dat B&W in het onderhavige geval vrijstelling heeft verleend is niet gesteld. [B] was bij de uitvoering van zijn werkzaamheden dan ook verplicht te bouwen overeenkomstig artikel 20a van het Bouwbesluit.

16. [A] heeft onder verwijzing naar het rapport van het Beveiligingscentrum B.V. (zie 7.) gemotiveerd gesteld dat het vaste raamkozijn waardoor de inbreker zich toegang tot de woning heeft verschaft, geen weerstandsklasse 2 had. [B] c.s. heeft de juistheid van de inhoud van dit rapport niet gemotiveerd weersproken. Uit het door [B] c.s. overgelegde tegenrapport (zie 10.) blijkt niet dat het raamkozijn wel weerstandsklasse 2 had. [B] heeft ook anderszins geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit dit blijkt. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door [B] c.s. neemt de kantonrechter als vaststaand aan dat het betreffende raamkozijn niet voldeed aan weerstandsklasse 2. Dit betekent dat [B] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichting uit de aannemingsovereenkomst om te bouwen overeenkomstig de bepalingen uit het Bouwbesluit 1998 en dat hij in beginsel dus gehouden is de schade die [A] daardoor heeft geleden te vergoeden. De tekortkoming valt [B] ook toe te rekenen.

Overige verweren ten aanzien van aansprakelijkheid

17. De verweren van [B] c.s. dat hij op grond van de artikelen 7:23 en 7:24 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet aansprakelijk is voor de door de tekortkoming geleden schade worden door de kantonrechter verworpen. De kantonrechter is met [A] van oordeel dat sprake is van een aannemingsovereenkomst en niet (tevens) van een koopovereenkomst. Bij de door [B] te leveren prestatie lag de nadruk op het leveren van arbeid. Het enkele feit dat, zoals [B] stelt, hij de pui met ramen en kozijnen voor de uitbouw aan [A] heeft geleverd, maakt de overeenkomst niet (tevens) tot een koopovereenkomst. Het is gebruikelijk dat bij een aannemingsovereenkomst ter uitvoering van de werkzaamheden ook materialen door de aannemer worden geleverd.

18. Anders dan [B] c.s. betoogt, is de rechtsvordering van [A] niet op grond van artikel 7:761 BW verjaard. De verjaringstermijn van twee jaar begint te lopen nadat de opdrachtgever terzake een gebrek in de oplevering heeft geprotesteerd. Vast staat dat [A] binnen enkele weken tot 4 maanden na de inbraak telefonisch contact met [B] heeft opgenomen en het gebrek aan [B] heeft meegedeeld. Vervolgens heeft [A] op 16 juni 2010 en 24 oktober 2011 een aansprakelijkheidsstelling naar [B] gestuurd, waarmee de lopende verjaringstermijn is gestuit. Op 4 mei 2012, de datum van dagvaarding, was de rechtsvordering dus niet verjaard.

19. Het beroep door [B] c.s. op artikel 7:758 lid 3 BW wordt eveneens verworpen. Op grond van dit artikel is de aannemer ontslagen van aansprakelijkheid voor de gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. [A] heeft gemotiveerd gesteld dat aan de buitenkant van de kozijnen niet was te zien of de kozijnen een weerstandsklasse 2 voor inbraakwerendheid hadden. Volgens [A] was over de schroeven heen gekit en kon je de lengte van de schroeven (die samen met de afstand tussen de schroeven onder meer bepalend is voor de mate van inbraakwerendheid) aan de buitenkant niet zien. Gelet op dit verweer van [A] had het op de weg van [B] c.s. gelegen gemotiveerd te stellen hoe [A] bij de oplevering het gebrek redelijkerwijs had moeten ontdekken. Dat heeft [B] c.s. niet gedaan.

20. De kantonrechter concludeert dat [B] aansprakelijk is voor de schade die [A] heeft geleden doordat het vaste raamkozijn geen weerstandsklasse 2 voor inbraakwerendheid had als voorgeschreven in artikel 20a van het Bouwbesluit 1998.

Causaal verband tekortkoming en inbraakschade € 19.338,--

21. Ter beoordeling ligt vervolgens voor of er causaal verband bestaat tussen de gestelde inbraakschade van € 19.338,-- aan ontvreemde goederen en de tekortkoming dat het vaste raamkozijn geen weerstandsklasse 2 voor inbraakwerendheid had.

22. [A] stelt dat de zogenaamde “omkeringsregel” dient te worden toegepast. Ingevolge vaste rechtspraak strekt deze regel ertoe dat in bepaalde gevallen een uitzondering wordt gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in die zin dat het bestaan van causaal verband tussen een tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen, tenzij degene die wordt aangesproken aannemelijk maakt dat de bedoelde schade ook zonder die tekortkoming zou zijn ontstaan. Voor toepassing van de “omkeringsregel” is vereist dat sprake is geweest van een gedraging in strijd met een norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt (vgl. HR 23 november 2012, LJN: BX7264).

23. De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval voor toepassing van de omkeringsregel reeds geen plaats is omdat [B] c.s. aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde inbraakschade ook zou zijn geleden als het betreffende raamkozijn weerstandsklasse 2 voor inbraakwerendheid zou hebben gehad (vgl. HR 18 april 2003, LJN: AF2969). Weerstandsklasse 2 houdt in dat een inbreker met standaardgereedschap tenminste drie minuten nodig heeft om een woning binnen te komen. Vast staat dat [A] op vakantie was toen de inbraak plaatsvond en dat [A] geen alarminstallatie bij zijn huis had. Onder deze omstandigheden acht de kantonrechter het met [B] c.s. aannemelijk dat de inbraak ook zou hebben plaatsgevonden als het vaste raamkozijn weerstandsklasse 2 zou hebben gehad. De inbreker zou er dan langer dan nu het geval is geweest over hebben gedaan om de woning binnen te komen, maar zonder nadere onderbouwing van [A] c.s., die ontbreekt, valt niet in te zien dat de inbraak dan niet zou hebben plaatsgevonden.

24. Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan [A] om te stellen en zonodig te bewijzen dat er causaal verband bestaat tussen de gestelde inbraakschade en de tekortkoming dat het raamkozijn niet voldeed aan weerstandsklasse 2. De kantonrechter is van oordeel dat [A] gelet op de betwisting door [B] c.s. onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat dit causaal verband bestaat. Het had op de weg van [A] gelegen concreet aan te geven hoe de inbraak onder de gegeven omstandigheden (vakantie en geen alarminstallatie) bij een weerstandsklasse 2 zou zijn voorkomen. De enkele omstandigheid dat [A] alle draaiende ramen van de woning enkele jaren voor de inbraak vast heeft laten zetten met schroeven en van inbraakwerende scharnieren en raamsluitingen heeft laten voorzien, acht de kantonrechter niet voldoende. Nog los van het feit dat [A] niet heeft gesteld welke weerstandsklasse de draaiende ramen vanaf dat moment hadden, zegt de inbraakwerendheid van de draaiende ramen niets over hoe de inbraak via het betreffende vaste raamkozijn zou zijn voorkomen indien de raamkozijnen weerstandsklasse 2 zouden hebben gehad. Aan bewijslevering door [A] ten aanzien van het causaal verband komt de kantonrechter daarom niet toe.

25. Nu niet is komen vast te staan dat er causaal verband bestaat tussen de gestelde inbraakschade van € 19.338,-- en de tekortkoming zal de vordering van [A] tot betaling van een schadevergoeding van € 19.338,-- worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 16 september 2011.

Overige vorderingen

26. De kosten van het onderzoek en het rapport van het Beveiligingscentrum B.V. van € 293,93 komen voor vergoeding in aanmerking. Als een tekortkoming wordt vastgesteld, brengt artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder b BW mee dat de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen, ook wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat daadwerkelijk schade is geleden (vgl. Hof Amsterdam 27 december 2011, LJN BW4117). Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de kosten met betrekking tot het onderzoek door het Beveiligingscentrum B.V. naar de inbraakwerendheid van de raamkozijnen in redelijkheid gemaakt en zijn de kosten daarvan ook redelijk. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen vanaf 1 november 2011 (zie 8.). Zonder nadere toelichting van [A], die ontbreekt, valt niet in te zien dat [B] reeds vanaf 16 september 2011 in verzuim is met de betaling van dit bedrag.

27. Partijen zijn het erover eens dat [B] in ieder geval aansprakelijk is voor de tengevolge van de tekortkoming geleden schade aangezien de aannemingsovereenkomst destijds met [B] is aangegaan. In geschil is of [B] B.V. samen met [B] hoofdelijk aansprakelijk is. De kantonrechter is met [B] c.s. van oordeel dat dit niet het geval is. Het enkele feit dat [B] B.V. de onderneming in 2011 heeft voortgezet, is daarvoor niet voldoende. Alleen [B] zal dus worden veroordeeld het bedrag van € 293,93, vermeerderd met de wettelijke rente, aan [A] te betalen.

28. De kantonrechter zal de gevorderde verklaring voor recht afwijzen omdat gesteld noch gebleken is dat [A] een afzonderlijk belang heeft bij een dergelijke verklaring.

29. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal eveneens worden afgewezen. Uit de stellingen van [A] volgt dat ter voldoening buiten rechte van de toegewezen vordering tot vergoeding van de deskundigekosten van € 293.93 enkel de brief van 24 oktober 2011 is verzonden. De kantonrechter hanteert het beleid dat de kosten van het versturen van een enkele (sommatie)brief onder de regels betreffende de proceskosten vallen.

30. Gezien de uitkomst van de procedure zal [A] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [B] c.s. De proceskosten aan de zijde van [B] c.s. worden tot op heden begroot op € 800,-- voor salaris gemachtigde (2 punten x € 400,--).

BESLISSING

De kantonrechter:

I. veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van € 293,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 november 2011 tot aan de dag van voldoening;

II. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden begroot op € 800,--;

III. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. C.C.M. Oude Hengel, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter