Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BY8386

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-01-2013
Datum publicatie
14-01-2013
Zaaknummer
521075 / HA ZA 12-822
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure na door het gerechtshof vastgestelde beroepsfout advocaat. Van welke

beroepsfout moet bij het begroten van de schade worden uitgegaan? Uitsluitend van de door het hof geconstateerde fout, te weten het zonder instructie van de cliënt instemmen met een voorstel van de wederpartij.

Argumenten die in de aansprakelijkheidsprocedure in eerste aanleg aan de orde zijn geweest, maar niet in hoger beroep, kunnen in het kader van de discussie omtrent de schade niet opnieuw aan de orde worden gesteld. Hypothetische situatie waarbij beroepsfout wordt weggedacht. Verschil hypothetische regeling en getroffen regeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 97
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2013/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: 521075 / HA ZA 12-822

Vonnis van 2 januari 2013

in de zaak van

[A],

wonende te --,

eiser,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

[B],

wonende te --,

gedaagde,

advocaat mr. A. van Hees te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 september 2012;

- het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2. Bij faxbericht van 19 november 2012 heeft mr. Bos een brief van diezelfde datum van [A] aan de rechtbank toegezonden, met kopie aan mr. Kossen, de advocaat van [B]. De rechtbank laat deze brief buiten beschouwing, deze maakt derhalve geen deel uit van het procesdossier.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] heeft [A] in 2008 als advocaat bijgestaan in een geschil dat hij had met zijn toenmalig werkgever, Action Company B.V. (hierna: AC).

2.2. Bij faxbericht van 3 december 2008 heeft [B] mr. F. Diepraam, als advocaat van AC, namens [A] onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Bijgaand zend ik u de uitwerking van de ideeën van cliënt t.a.v. een mogelijke verdere samenwerking met uw cliënte. (…)

Indien uw cliente niet afwijzend staat tegen een vorm van samenwerking met client, dan lijkt het mij dat partijen daarover eerst zelf tot afspraken trachten te komen, welke afspraken uiteraard nader schriftelijk dienen te worden vastgelegd.

(…)”

2.3. Bij e-mailbericht van 11 december 2011 heeft [A] [B] het volgende geschreven:

“(…)

Gisteren vroeg je me na te denken over een soort finaal aanbod. Nu ben ik bang dat ik met iets kom waar je niet erg blij mee bent maar ik heb er goed over nagedacht en ben vrij zeker dat dit is wt ik wil.

Voor een minnelijke oplossing waarin ik afstand doe van mijn aandelen stel ik het volgende voor:

1. Beeindiging van het contract aan de zijde van AC zodanig dat eventueel recht op uitkering blijft per 31 december. Salaris van december wordt nog betaald.

2. Betaling door AC aan [A] van € 10.500 per 31/12.

(…)

5. Concurrentiebeding voor activiteiten met Hummers, Carvers, Quads en Rib binnen 25 km van Halfweg en relatiebeding voor aantal bedrijven die vanaf de start van AC een factuur van AC hebben ontvangen.

(…)

7. Na beeindiging van het contract zijn er wederzijds géén verplichtingen, zakelijk dan wel privé tussen AC, [C] en [A] cq Eventplanet. M.a.w. fiscus rekrea, faillissement etc is allemaal inbegrepen evenals het afzien van een ontslagvergoeding door [A] en de verkoop van de aandelen door [A].

(…)”

2.4. Bij faxbericht van 12 december 2008 heeft mr. Diepraam [B] een voorstel voor een minnelijke regeling gedaan. Mr. Diepraam schrijft onder meer het volgende:

“(…)

(A) De arbeidsovereenkomst tussen AC en uw cliënt wordt met ingang van 15 december 2008 met wederzijds goedvinden beëindigd. Het loon (pro rata) over december 2008 zal aan uw cliënt worden uitbetaald, vermeerderd met de door hem tot 15 december 2008 opgebouwde aanspraken in verband met vakantiegeld en niet-opgenomen vakantiedagen. Uitgaande van de thans gelegde loonbeslagen gaat het om een bedrag van ongeveer € 3.000,= netto.

(…)

(C) De artikelen 12 tot en met 17 uit de arbeidsovereenkomst van uw cliënt blijven onverkort van toepassing, met dien verstande dat de werking van het in artikel 13 opgenomen concurrentie-beding geografisch wordt beperkt tot Halfweg (NH) en het gebied binnen een straal van 25 km rondom Halfweg.

(…)

Het relatiebeding uit artikel 14 van de arbeidsovereenkomst zal in die zin worden beperkt, dat het van toepassing zal zijn op klanten en/of relaties aan wie AC in de periode van 1 augustus 2007 tot en met 15 december 2008 facturen heeft gestuurd, of van wie zij op enige andere wijze (via incasso of overboeking) betalingen heeft ontvangen.

(…)

Cliënten wensen uiterlijk zaterdag 13 december a.s. om 17.00 uur uitsluitsel te krijgen over de vraag of tussen partijen al dan niet overeenstemming bestaat over voorgaande regeling. Indien het hiervoor gedane voorstel dan niet is aanvaard, zal het komen te vervallen en zal [C] overgaan tot executie van het meegestuurde vonnis. Een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst volgt spoedig daarna.

(…) ”

2.5. Nadat tussen partijen een geschil is ontstaan over de vraag of [B]

mr. Diepraam terecht heeft laten weten dat [A] het onder 2.4. besproken voorstel accepteerde, is [A] in rechte veroordeeld tot nakoming daarvan.

2.6. [A] heeft vervolgens vorderingen tegen [B] ingesteld uit hoofde van beroepsaansprakelijkheid.

2.7. Bij vonnis van 8 september 2010 (441789 / HA ZA 09-3478) heeft deze rechtbank de onder 2.6. bedoelde vorderingen van [A] afgewezen. De rechtbank heeft onder meer het volgende overwogen:

“4.8. (…) Uit het vorenstaande volgt dat [A] niet in het aan hem opgedragen bewijs is geslaagd, hetgeen betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat [A] op zaterdag 13 september 2008 aan mr. [B] opdracht heeft gegeven om namens hem met het schikkingsvoorstel van AC in te stemmen.

(…)

4.10. Gelet op het verweer van mr. [B] heeft [A] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd onderbouwd dat de alternatieven die er lagen beter waren dan het schikkingsvoorstel waaraan [A] thans gebonden is. Hieruit volgt dat niet geoordeeld kan worden dat mr. [B] door zijn advies aan [A] niet heeft gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat. (…)”

2.8. Bij arrest van 13 maart 2012 (200.083.014/01) heeft het gerechtshof te Amsterdam voor recht verklaard dat [B] toerekenbaar tekort geschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [A]. Tevens is [B] veroordeeld tot vergoeding van de hierdoor door [A] geleden schade, ter begroting van welke schade de zaak is verwezen naar de schadestaatprocedure.

2.9. In het onder 2.8. genoemde arrest heeft het hof onder meer het volgende over-wogen:

“(…)

3.3 De grieven 1 tot en met 7 hebben alle betrekking op de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [A] niet geslaagd is in het hem opgedragen bewijs. (…)

3.4 Het hof stelt voorop dat het er bij de bewijsopdracht om gaat of de mededelingen die [A] op 13 december 2008 aan mr. [B] heeft gedaan, door laatstgenoemde in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs zo mochten worden begrepen, dat [A] definitief instemde met het voorstel van Action Company B.V., zoals dat was verwoord in het voorstel van mr. Diepraam van 12 december 2008 (…).

3.5 [A] heeft zelf als getuige verklaard dat het voorstel van Action Comapny BV voor hem volstrekt niet acceptabel was, omdat het ongeveer € 30.000,-- slechter uitpakte voor hem dan zijn eigen voorstel. (…) De verklaring van [A] dat hij op 13 december 2008 niet akkoord was met het voorstel van mr, Diepraam, wordt voorts ondersteund door het feit dat er een verschil van ongeveer

€ 30.000 zat tussen het eigen voorstel van [A] en het als finaal betitelde voorstel van mr. Diepraam. Het hof verwijst naar het eigen voorstel van [A] van 11 december 2008 (r.o. 2.11), zoals hij dat zond naar mr. [B], en het afwijkende voorstel van Action Company BV dat is neergelegd in het bericht van mr. Diepraam van 12 december 2008 (r.o. 2.13).

3.6 (…) Naar ’s hofs oordeel legt de eigen verklaring van mr. [B] (…) echter onvoldoende gewicht in de schaal om af te doen aan het van de zijde van [A] bijgebrachte bewijs. Het hof overweegt hierbij dat mr. [B] geen bevredigende verklaring heeft gegeven voor aanvaarding van het voorstel door [A], gegeven het feit - zo is niet gemotiveerd betwist door mr. [B] - dat dit € 30.000,-- lag onder het eigen minimumvoorstel van [A], en [A] in feite brodeloos zou worden door de formulering van het concurrentiebeding. (…)

3.8 Aldus komt het hof tot de conclusie dat uit de beschikbare bewijsmiddelen redelijkerwijs is af te leiden dat de mededelingen die [A] op 13 december 2008 aan mr. [B] heeft gedaan, door laatstgenoemde in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet zo mochten worden begrepen, dat [A] definitief instemde met het voorstel van Action Company B.V., zoals dat was verwoord in het voorstel van mr. Diepraam van 12 december 2008 (…) Daarmee is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [A] geslaagd is in het hem opgedragen bewijs.

(…)

3.10 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat mr. [B] zonder instructie van [A] mr. Diepraam heeft laten weten dat [A] het voorstel van Action Company B.V. van 12 december 2008 had aanvaard. Daarmee heeft mr. [B] een beroepsfout gemaakt jegens [A] en is hij aansprakelijk voor de schade die hij daardoor heeft geleden.

3.11 [A] heeft terzake verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. Deze vordering is toewijsbaar, nu voldoende aannemelijk is dat [A] schade heeft geleden door de beroepsfout van mr. [B], in die zin dat voor [A] een beter onderhandelingsresultaat met Action Company B.V. mogelijk was geweest. Het hof verwerpt het verweer van mr. [B], dat er in het geheel geen causaal verband bestaat tussen zijn beroepsfout en de door [A] gevorderde schade. In de schadestaatprocedure dient aan de orde te komen wat de omvang is van de schade van [A].

(…)”

3. Het geschil

3.1. In de onderhavige schadestaatprocedure vordert [A] dat [B], bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld tot betaling van € 274.778,64 met wettelijke rente en met veroordeling van [B] in de kosten van het geding inclusief nasalaris.

3.2. [A] legt aan zijn vordering de door het hof aanwezig geachte toerekenbare tekortkoming van [B] in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [A] ten grondslag. Volgens [A] volgt uit het arrest van het hof dat er een beter onderhandelings-resultaat met AC mogelijk was geweest als [B] zich naar behoren van zijn taak als advocaat had gekweten.

3.3. [A] stelt dat de schade bestaat uit:

Ten aanzien van de afwikkeling van het ontslag

a) achterstallig salaris per 2 december 2008 € 5.617,75

b) wettelijke verhoging € 1.404,44

c) afkoop van de opzegtermijn € 22.680

d) ontslagvergoeding € 21.000

e) vergoeding in verband met onregelmatig ontslag € 38.880

f) vergoeding in verband met kennelijk onredelijk ontslag € 36.000

g) schade aan de auto € 2.500

h) verkoopprijs aandelen € 9.000

----------------

Totaal € 137.082,19

AF: Reeds betaald door AC in het kader van de schikking € 7.754,62 -

----------------

Subtotaal derhalve € 129.327,57

Juridische kosten

JIJ Advocaten € 7.000

Plasman CS Advocaten € 5.355

----------------

Totaal € 12.355

----------------

AF: Reeds betaalde proceskosten in hoger beroep € 3.053,93 -

Subtotaal derhalve € 9.301,07

----------------

Inkomstenderving € 120.000

----------------

Overige schade

Schade aan persoonlijke eigendommen € 16.150

----------------

Totaal € 274.778,64

3.4. [B] voert verweer.

3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Vaststelling schade

4.1. In deze procedure gaat het om de vaststelling van de schade die [A] door de beroepsfout van [B] heeft geleden. Om de geleden schade vast te kunnen stellen, zal

de rechtbank zich een oordeel moeten vormen over de financiële situatie, waarin de beroeps-fout van [B] wordt weggedacht. Die situatie dient vervolgens te worden vergeleken met de financiële situatie zoals deze zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, zodat het nadeel inzichtelijk wordt. Over deze laatste situatie bestaat, zo blijkt uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, geen geschil, zodat ten aanzien daarvan van de ter zitting overgelegde faxbrief van mr. Diepraam van 12 december 2008 (zie hiervoor onder 2.4.) kan worden uitgegaan. De hypothetische situatie waarin [A] zou hebben verkeerd zonder beroepsfout is lastiger en niet met volledige zekerheid vast te stellen. Deze situatie kan slechts bij benadering worden vastgesteld. Daarbij spelen de door [B] gevoerde verweren een rol, zodat de rechtbank deze verweren eerst zal beoordelen.

Welke beroepsfout?

4.2. Tussen partijen in geschil is of - zoals [B] aanvoert - uitsluitend van de door het gerechtshof in rechtsoverweging (hierna: r.o.) 3.10 genoemde beroepsfout uit moet worden gegaan (zoals hiervoor onder 2.9. weergegeven), of dat - zoals [A] stelt - tevens tekortkomingen van [B] van voor die tijd bij het oordeel van de rechtbank omtrent de omvang van de schade moeten worden betrokken. [A] verwijst voor die overige verwijten naar de dagvaarding in eerste aanleg in de aansprakelijkheidskwestie.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat tussen partijen uitsluitend het zonder instructie van [A] accepteren door [B] van het voorstel van 12 december 2008 van AC onherroepelijk als beroepsfout vast staat. Anders dan [A] stelt, volgt het tegendeel niet uit het arrest van het hof: niet uit de in algemene termen in het dictum opgenomen verklaring voor recht en evenmin uit de overige rechtsoverwegingen. Het dictum moet in samenhang met de rechtsoverwegingen worden gelezen, terwijl het hof de beroepsfout in rechtsoverweging 3.10 duidelijk heeft beperkt tot het zonder instructie van [A] aanvaarden van het voorstel (hierna ook: de beroepsfout). Hierbij is van belang dat [A] in hoger beroep uitsluitend grieven heeft gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij niet in het hem opgedragen bewijs was geslaagd, zodat het geschil in hoger beroept beperkt was tot het antwoord op de vraag of [B] mocht begrijpen dat [A] met het voorstel van AC had ingestemd (zie r.o. 3.3 en 3.4 van het arrest van het hof als hiervoor onder 2.9. weergegeven). [A] kan de overige verwijten - die hij in eerste aanleg ten aanzien van de aansprakelijkheid aan het adres van [B] heeft gemaakt - thans niet opnieuw aan de orde stellen in het kader van de discussie omtrent de omvang van de schade. Uitgangspunt van de schadestaatprocedure is immers dat de schade wordt vastgesteld die het gevolg is van de fout die tot aansprakelijkheid heeft geleid. Derhalve moet sprake zijn van vastgestelde civielrechtelijke aansprakelijkheid, waarbij heeft te gelden dat niet iedere onjuiste handeling of onjuist advies van een advocaat civielrechtelijke aansprakelijkheid schept. De door [A] ter zitting naar voren gebrachte overwegingen van het hof houden alle geen vaststelling van civielrechtelijke aansprakelijkheid in, maar zijn overwegingen die door het hof zijn gemaakt in het kader van de bewijswaardering (schending van gedragsregel 8 voor advocaten, verwijzing naar een uitspraak van de tuchtrechter, consequenties van het concurrentiebeding) of in het kader van beantwoording van de vraag of verwijzing naar de schadestaatprocedure moest plaatsvinden (beter onderhandelingsresultaat mogelijk). Deze overwegingen impliceren dan ook geen andere dan de in r.o. 3.10 genoemde beroepsfout.

4.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van [B] slaagt en dat voor de omvang van de schade uitsluitend naar de in 3.10 van het arrest geformuleerde beroepsfout moet worden gekeken.

Hypothetische situatie zonder beroepsfout

4.5. Partijen verschillen van mening over het scenario dat zich zou hebben voltrokken indien de beroepsfout wordt weggedacht.

4.6. [A] stelt dat hij het in dat geval op een ontbindingsprocedure had laten aankomen. Voorwaarde voor hem voor het instemmen met de beëindiging van het dienstverband was volgens [A] dat hij in een andere vorm met AC zou blijven samenwerken, ter onderbouwing waarvan hij heeft gewezen op het onder 2.2. aangehaalde faxbericht van 3 december 2008. Nu het [A] op 15 december 2008 duidelijk is geworden dat AC niet met hem samen wilde werken, zou hij met geen enkel nader voorstel van AC hebben ingestemd.

4.7. [B] betwist dat een eventuele verdere samenwerking voorwaarde voor [A] was om in te stemmen met de door AC gewenste beëindiging met wederzijds goedvinden van de arbeidsovereenkomst. Volgens [B] was dit een wens van [A], welke hij door middel van voornoemd faxbericht van 3 december 2008 aan AC heeft voorgelegd, maar was dit iets wat partijen verder zelf zouden bespreken en stond dit geheel los van de onderhandelingen over het einde van het dienstverband. [B] wijst er in dit verband op dat dit uit de tekst van het faxbericht van 3 december 2008 blijkt en dat de verdere samenwerking in geen van de voorstellen, ook niet in dat van [A] zelf van 11 december 2008, is genoemd. [B] voert voorts als verweer dat het zonder de beroepsfout niet tot een beter onderhandelingsresultaat was gekomen omdat AC dreigde haar faillissement aan te vragen, ter onderbouwing waarvan [B] wijst op het negatieve vermogen als vermeld in de door hem overgelegde jaarcijfers van AC over 2008 en 2009. In ieder geval had het resultaat van de onderhandelingen niet beter kunnen zijn dan het door [A] zelf op 11 december 2008 aan [B] gerichte voorstel, aldus [B].

4.8. De rechtbank acht het, de beroepsfout wegdenkend, het meest waarschijnlijk dat partijen alsnog een schikking zouden hebben bereikt die voor [A] gunstiger zou zijn dan de thans getroffen regeling. Dat AC, zoals [B] heeft betoogd, daartoe niet bereid was en dat zij dan haar eigen faillissement zou hebben aangevraagd, is naar het oordeel van de rechtbank niet waarschijnlijk en volgt in ieder geval niet uit het enkele feit dat AC in die tijd over een negatief eigen vermogen beschikte. De rechtbank wijst er in dit verband bovendien op dat mr. Diepraam in zijn faxbericht van 12 december 2008 dreigt een verzoekschrift tot ontbinding (van de arbeidsovereenkomst) in te zullen dienen indien [A] niet met het voorstel akkoord gaat. Kennelijk was AC voornemens de door haar ingeslagen weg om aan te sturen op het einde van de arbeidsovereenkomst door te zetten. Ondanks haar aankondiging een procedure te starten, acht de rechtbank de kans dat AC zou hebben dooronderhandeld met [A] groter, nu in een ontbindingsprocedure uitsluitend over het einde van de arbeidsovereenkomst, de einddatum en een vergoeding voor [A] zou worden beslist, zodat de vorderingen die zij zelf op [A] meende te hebben buiten beschouwing zouden zijn gebleven en daarover nog afzonderlijke procedures gevoerd hadden moeten worden. Evenmin acht de rechtbank het waarschijnlijk dat [A] het op een ontbindingsprocedure (en overige procedures) zou hebben laten aankomen, zoals hij stelt. In de fax van mr. [B] van 3 december 2008 en het voorstel van [A] van 11 december 2008 valt juist steun te vinden voor het standpunt van [B] dat de eventuele verdere samenwerking tussen partijen en de beëindiging van de arbeidsovereenkomst los van elkaar stonden. Bovendien valt uit r.o. 3.5 van het hof af te leiden dat de reden voor [A] om niet in te stemmen met het voorstel van AC was gelegen in het feit dat dit circa € 30.000 lager lag dan zijn eigen voorstel (van 11 december 2008) en dus geen verband hield met de thans door hem naar voren gebrachte toekomstige samenwerking. Daar komt bij dat tussen partijen onweersproken vast staat dat [A] zich in een dreigende faillissementssituatie bevond, hetgeen een extra prikkel voor hem was om tot een regeling te komen.

Verschil getroffen regeling en hypothetische regeling

4.9. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden hoe de hypothetische - voor [A] betere - regeling er dan uit was komen te zien en hoe deze zich verhoudt tot de getroffen regeling. Ter beantwoording van deze vraag, overweegt de rechtbank allereerst dat tussen partijen in rechte vast staat (zie r.o. 3.5 van het hof) dat er tussen de getroffen regeling en een voor [A] aanvaardbare regeling een verschil van circa € 30.000 zat. De rechtbank stelt vast dat hiermee de bandbreedte van het verschil tussen de getroffen regeling en de hypothetische regeling - in ieder geval wat de arbeidsrechtelijk ingegeven vorderingen van [A] betreft - gegeven is: dat verschil ligt tussen de € 0 en de € 30.000.

4.10. De getroffen regeling komt er in arbeidsrechtelijke zin op neer dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 15 december 2008 met wederzijds goedvinden is beëindigd en dat [A] nog een bedrag van € 3.000 netto aan - zo begrijpt de rechtbank - pro rata salaris over december 2008 en een uitkering wegens niet-genoten vakantiedagen ontving. Volgens het voorstel kreeg [A] geen vergoeding mee. Het tussen partijen geldende concurrentie- en relatiebeding werd qua reikwijdte beperkt ten opzichte van hetgeen partijen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst waren overeengekomen en zijn de aandelen van [A] in AC voor € 1 per aandeel overgedragen. Over de teruggave van spullen aan [A] is niets afgesproken. Voor het overige zag de regeling op andere tussen partijen bestaande geschilpunten, waarbij hoofdzakelijk werd geregeld dat AC een deel van de vorderingen, die zij op [A] meende te hebben, kwijtschold en ten aanzien van een ander deel een betalingsregeling trof.

4.11. Ervan uitgaande dat het [A] net als in de werkelijke situatie op 15 december 2008 duidelijk zou zijn geworden dat AC geen verdere samenwerking met hem wenste aan te gaan, acht de rechtbank het waarschijnlijk dat partijen uiteindelijk tot een regeling zouden zijn gekomen, waarbij de arbeidsovereenkomst op een later moment zou zijn beëindigd en waarbij [A] wel een vergoeding zou hebben ontvangen, maar die voor het overige niet afwijkt van de getroffen regeling. Gelet op het feit dat partijen op 1 augustus 2008 (derhalve zeer kort voor het treffen van de regeling) een schadeloosstelling bij voorbaat zijn overeen-gekomen, samengevat inhoudende dat [A] bij einde dienstverband een vergoeding van (6 x € 3.500 =) € 21.000 zou ontvangen, en dat (uitgaande van indiening van een verzoekschrift door AC begin januari 2009 en een zitting begin februari 2009) een beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2009 in de rede had gelegen, komt de rechtbank schattenderwijs tot het oordeel dat het verschil tussen de getroffen regeling en de hypothe-tische regeling ((6 + 2,5 =) 8,5 x € 3.500 =) € 29.750 bruto bedraagt. Wat het concurrentie- en relatiebeding betreft, acht de rechtbank het - vanuit het commerciële belang dat AC daarbij heeft - niet waarschijnlijk dat AC bereid was dit nog verder in te perken of dit zelfs te laten vervallen. Alleen om die reden al kan de vordering tot inkomstenderving niet worden toegewezen. Ook de vordering tot vergoeding van schade aan persoonlijke eigen-dommen zal niet worden toegewezen, omdat [A], in het licht van het gemotiveerde verweer van [B] op dit punt, onvoldoende heeft gesteld dat hij de gevorderde schade als gevolg van de beroepsfout van [B] heeft geleden.

4.12. Resteert nog de door [A] gevorderde vergoeding van juridische kosten in de aansprakelijkheidskwestie in eerste aanleg en hoger beroep. De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan dat het hof zich hierover reeds heeft uitgelaten door [B] in die kosten te veroordelen. Voor wat het meerdere van die kosten betreft, is de rechtbank van oordeel dat [A] onvoldoende heeft gesteld waarom deze als schade op [B] kunnen worden verhaald. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.13. De slotsom is dat de vordering van [A] tot het netto equivalent van € 29.750 bruto zal worden toegewezen en dat het meer gevorderde zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.14. [B] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op:

- vast recht € 1.436,00

- salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief toegewezen bedrag € 452,00)

-------------

Totaal € 2.340,00

Nakosten

4.15. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.

Wettelijke rente

4.16. De wettelijke rente zal als onweersproken worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding, nu [A] geen eerdere ingangsdatum heeft gesteld.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt [B] tot betaling aan [A] van het netto equivalent van € 29.750 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2012;

5.2. veroordeelt [B] in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 2.340,00;

5.3. veroordeelt [B] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [B] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. van de Poel en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2013.?