Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:BY8233

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2013
Datum publicatie
11-01-2013
Zaaknummer
AWB 12/2115 WW44
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:501, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag om een bouwvergunning en monumentenvergunning voor een LED-scherm aan de voorgevel van het City Theater te Amsterdam geweigerd. Geen strijd met het bestemmingsplan. Het LED-scherm hangt iets uit de gevel en hangt daarmee feitelijk boven gronden met de bestemming ‘openbare ruimte’, maar die overschrijding bedraagt niet meer dan 0,20 m. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften, waarin voor een aantal genoemde gevallen expliciet een overschrijding van maximaal 0,20 m is toegestaan. Nu verweerder niet tijdig een beslissing heeft genomen op de aanvraag, stelt de rechtbank vast dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend.

Geen sprake van een negatief advies van de Commissie voor Welstand en Monumenten. De Commissie heeft in haar advies verklaard geen bezwaar te hebben, waarbij nadrukkelijk als voorwaarden zijn aangegeven de door het stadsdeel gestelde voorwaarden ten aanzien van de bedrijfsuren, lichtsterkte en de frequentie van de beelden. Niet is gebleken dat deze voorwaarden niet als voorschriften in een monumentenvergunning kunnen worden opgenomen. De voorwaarde ten aanzien van de inhoud van de lichtbeelden is door de Commissie niet genoemd en kennelijk niet relevant bevonden voor de waarborging van de monumentale waarde van het pand. Indien verweerder van mening was dat het advies onduidelijk of onvolledig was in verband met de gewenste voorwaarde, had het op zijn weg gelegen om op dat punt een nadere motivering aan de Commissie te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/2115 WW44

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

1. City V.O.F.,

gevestigd te Hoornaar,

2. [A] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

3. [B] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

4. [C] B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseressen,

gemachtigde mr. M.H.J. van Driel,

en

Het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. L.C. Elewoud.

Tevens heeft als belanghebbende aan het geding deelgenomen:

Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad,

gemachtigde [D].

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2010 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van City V.O.F. om een monumentenvergunning te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 18 augustus 2010 ( het primaire besluit II) heeft verweerder de aanvraag van City V.O.F. om een bouwvergunning te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft verweerder de bezwaren van eiseressen tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard (het bestreden besluit).

Eiseressen hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2012.

Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde en namens City V.O.F. is tevens verschenen [E], [hoedanigheid] van City V.O.F. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien om de behandeling van de zaak te heropenen en deze naar een zitting van de meervoudige kamer te verwijzen. De Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad heeft zich in dit stadium als derde belanghebbende in het geding gesteld.

De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de behandeling van de zaak voortgezet ter zitting van 28 november 2012. Eiseressen zijn daarbij vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Namens City V.O.F. zijn tevens verschenen [E] en [F], [hoedanigheden] van City V.O.F. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad heeft zich laten vertegenwoordigen door [D], [functie] van de vereniging.

Overwegingen

1. Feiten en omstandigheden

1.1. Eind 2007/begin 2008 is het City Theater aan het Kleine Gartmanplantsoen te Amsterdam grootschalig gerenoveerd. Sindsdien zijn hierin een bioscoop, horeca (Little Buddha) en een speelautomatencasino (Jack’s Casino) gevestigd. De voorgevel van het pand is tevens gereconstrueerd in de oude staat, overeenkomstig het ontwerp van de architect [G]. Boven de entree en geïntegreerd in de gevel bevindt zich een groot reclamevlak waarop voorstellingen werden aangekondigd. Voor het aanbrengen van een reclamedrager binnen het vergunde reclamevlak is een afzonderlijke bouw- en monumentenvergunning vereist.

1.2. Eiseressen hebben op 14 december 2009 een monumentenvergunning en een bouwvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van een LED-scherm aan de voorgevel van het City Theater. Bij primaire besluiten van respectievelijk 2 augustus 2010 en

18 augustus 2010 heeft verweerder die aanvragen afgewezen.

1.3. Bij brief van 27 oktober 2010 heeft verweerder eiseressen meegedeeld dat er wel bereidheid bestaat om mee te werken aan het plaatsen van een LED-scherm, mits voldaan wordt aan de volgende tussen partijen besproken voorwaarden:

- Uitgangspunt moet zijn, dat het scherm een onderdeel is van de totale gevelcompositie, die zowel in daglichtsituatie als in de nachtsituatie de balans van de gevelcompositie niet mag verstoren.

- Lichtsterkte: het scherm moet overdag op ca. 12% en in de donkere uren op ca. 8% van de maximaal mogelijke lichtopbrengst worden begrensd.

- Bedrijfsuren: de bedrijfsuren worden gekoppeld aan de openingsuren van de horecavoorziening (zondag t/m donderdag van 9.00 uur tot 03.00 uur en op vrijdag en zaterdag van 9.00 uur tot 04.00 uur).

- Inhoud (content): Het scherm dient voor filmaankondigingen gebruikt te worden. Daarnaast onderschrijft het stadsdeel de ‘sex, drugs en Rock-‘n-roll clausule’, zoals door Data-display is opgesteld.

- Frequentie/wisseling van beeld: Uitgangspunt voor het stadsdeel is de rustige uitstraling van het gevelbeeld, in principe mag alleen gebruik gemaakt worden van stilstaande het gehele beeldscherm vullende beelden, met een minimale duur van 5 minuut per beeld. Beeldwisseling zou d.m.v. overvloeiers van minimaal

5 seconden moeten plaatsvinden.

1.4. Tijdens de bezwaarprocedure hebben eiseressen op 23 november 2010 een nieuwe aanvraag ingediend voor het LED-scherm, waarbij de voorwaarden, zoals genoemd in de hiervoor weergegeven brief van verweerder van 27 oktober 2010, onderdeel uitmaken van de aanvraag. Deze aanvraag is vergund bij omgevingsvergunning van 25 februari 2011 (hierna: de omgevingsvergunning). De verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op bouwen, strijdig gebruik en een gemeentelijk monument. Deze vergunning is onherroepelijk geworden.

1.5. Verweerder heeft in zijn besluitvorming waarop de onderhavige procedure ziet geweigerd om een monumentenvergunning voor het aanbrengen van een reclamedrager op een monument (hierna: de monumentenvergunning) te verlenen. Verweerder heeft aan die weigering ten grondslag gelegd dat de Commissie Welstand en Monument (hierna: de Commissie) een positief advies onder voorwaarden heeft gegeven. Op grond van artikel 12 van de Monumentenverordening 2005 Stadsdeel Centrum kunnen aan een monumenten-vergunning echter alleen voorschriften worden verbonden in het belang van de monumentenzorg. Nu de voorwaarden waar de Commissie vanuit is gegaan niet aan de monumentenvergunning kunnen worden verbonden, moet het advies worden opgevat als een negatief advies, aldus verweerder. Verder is het LED-scherm volgens verweerder in strijd met het Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten (PvEM). Het PvEM schrijft immers een restauratieve aanpak voor. Een LED-scherm past daar niet in, omdat dit niet strekt tot “herstel in de oude luister” en dus in strijd is met het geldende toetsingskader voor monumenten.

1.6. Verweerder heeft eveneens geweigerd om een bouwvergunning voor het LED-scherm (hierna: de bouwvergunning) te verlenen, omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan Leidse- en Weteringbuurt 1998 (hierna: het bestemmingsplan) en met de redelijke eisen van welstand. Verweerder legt daaraan ten grondslag dat het bouwplan (het scherm) uitsteekt uit de gevel en aldus buiten het bouwvlak met de bestemming Gemengde Doeleinden valt. Ook het feit dat een monumentenvergunning ontbreekt, staat in de weg aan het verlenen van een bouwvergunning.

1.7. Eiseressen kunnen zich met deze besluiten niet verenigen. Zij hebben gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voeren daartoe ondermeer aan dat het bouwplan valt binnen de bestemmingsgrenzen, zodat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Doordat verweerder niet op tijd op de aanvraag heeft beslist, is dus, nu geen strijd met de vigerende bestemming bestaat, de bouwvergunning van rechtswege verleend. Ten aanzien van de monumentenvergunning hebben eiseressen zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van een negatief advies van de monumentencommissie. De door verweerder gewenste voorwaarden kunnen, met uitzondering van de voorwaarde met betrekking tot de inhoud van de beelden, wel degelijk aan de monumentenvergunning worden verbonden. Indien verweerder het advies van de Commissie niet zorgvuldig of onvolledig achtte, had verweerder de Commissie om een nadere motivering moeten vragen, aldus eiseressen.

2. Beoordeling van de weigering van de bouwvergunning.

2.1. In artikel 11, vijfde lid, van het bestemmingsplan is bepaald dat het is toegestaan de in dit plan aangegeven bestemmingsgrenzen en bebouwingsvoorschriften, waaronder mede begrepen maximale bouw- en goothoogten, te overschrijden ten behoeve van stoepen, stoeptreden, funderingen, plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, Franse balkons, wanden van ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer dan 0,20 meter bedraagt.

2.2. Het City Theater is gebouwd op gronden met de bestemming Gemengde Doeleinden. Tussen partijen is niet in geschil dat het LED-scherm zelf past binnen de planvoorschriften van deze bestemming. De voorgevel van het gebouw is echter geplaatst op of nabij de grens met de bestemming Openbare Ruimte. Het LED-scherm, dat iets uit de gevel steekt, hangt dan ook feitelijk boven gronden met de bestemming Openbare Ruimte. Partijen twisten over de vraag in welke mate de bestemmingsgrens precies wordt overschreden, maar zij zijn het erover eens dat die overschrijding niet meer dan 0,20 meter uit de gevel bedraagt. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat hij dit schat op circa 0,15 meter; eiseressen houden het op 0,10 meter.

2.3. De rechtbank overweegt dat artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften voor een aantal daar genoemde gevallen expliciet een overschrijding van de bestemmingsgrens toestaat tot maximaal 0,20 meter. Een LED-scherm wordt in deze bepaling niet expliciet genoemd. Wel bevat het eerste lid van artikel 11 een aantal voorbeelden van (uitstekende) delen die bij een gebouw aangetroffen kunnen worden. De rechtbank merkt allereerst op dat uit de tekst van deze bepaling niet valt af te leiden dat deze limitatief is bedoeld, gelet op het gebruik van de zinsnede “en dergelijke delen van gebouwen”. Dat een relatief recente technische voorziening als een LED-scherm niet is genoemd, maakt dan ook niet dat deze niet kan vallen onder de noemer “en dergelijke delen van gebouwen”, in het eerste lid van artikel 11. Daartoe is verder van belang dat het artikellid een aantal zeer uiteenlopende voorbeelden noemt van onderdelen van gebouwen die kunnen uitsteken, waardoor aan die toevoeging een ruimere dan de door verweerder voorgestane betekenis kan worden toegekend. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van verweerder dat dit artikellid alleen betrekking heeft op onderdelen van een gebouw die al bij de oprichting aanwezig waren en niet op onderdelen die later zijn aangebracht. Dit onderscheid is niet in de tekst van de bepaling terug te vinden, noch valt deze af te leiden uit de voorbeelden, zodat dit dan ook geen reden kan zijn om geen toepassing aan artikel 11 te geven. De rechtbank is gezien het voorgaande, met eiseressen van oordeel dat verweerder ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 11, eerste lid, van de planvoorschriften. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de overschrijding van de bestemmingsgrens door het LED-scherm minder dan 0,20 m bedraagt, betreft het een overschrijding die volgens het bestemmingsplan aanvaardbaar is.

2.4. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat er geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De weigeringsgrond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet doet zich dan ook niet voor, zodat verweerder hier ook na heroverweging ten onrechte aan heeft vastgehouden.

2.5. Nu vaststaat dat verweerder niet binnen de beslistermijn van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet een beslissing heeft genomen op de aanvraag, welke hij heeft ontvangen op 14 december 2009, en er niet blijkt van een besluit tot verdaging van de beslissing, stelt de rechtbank vast dat de gevraagde bouwvergunning reeds op grond van artikel 46, vierde lid, van de Woningwet van rechtswege was verleend op het moment dat verweerder bij zijn besluit van 18 augustus 2010 tot weigering daarvan besloot.

2.6. De rechtbank komt daarom niet meer toe aan een beoordeling van de andere weigeringsgronden voor de bouwvergunning die verweerder in het bestreden besluit heeft gehandhaafd, te weten, de strijd met de redelijke eisen van welstand en het ontbreken van een monumentenvergunning. De weigering van de monumentenvergunning zelf zal hierna worden beoordeeld, maar het ontbreken daarvan kon er niet aan in de weg staan dat de bouwvergunning van rechtswege is verleend.

2.6. Gezien het voorgaande zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet tevens aanleiding om het primaire besluit te herroepen en zelf in de zaak te voorzien met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, onder c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal bepalen dat aan eiseressen een bouwvergunning van rechtswege is verleend voor het bouwen van een LED-scherm, overeenkomstig de door hen ingediende aanvraag van 10 december 2009. Verweerder zal dit op de gebruikelijke wijze administratief dienen te verwerken en dienen bekend te maken, waarbij wordt gewezen op de rechtsmiddelen die tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning openstaan.

3. Beoordeling van de weigering van de monumentenvergunning.

3.1. In het kader van de aanvraag van een monumentenvergunning dient verweerder een advies aan de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam (de Commissie) te vragen. De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder in het geval het zijn vaste adviseur betreft, in beginsel van dat advies mag uitgaan, tenzij dat onzorgvuldig tot stand is gekomen, onvoldoende is gemotiveerd of kennelijk onjuist is. Dit is anders indien de eisende partij een tegenadvies heeft ingebracht. Daarvan is in het onderhavige geval echter geen sprake.

3.2. De Commissie heeft in haar advies van 3 maart 2010 verklaard geen bezwaar te hebben tegen de afgifte van een monumentenvergunning. Zij heeft daarbij het volgende overwogen:

“De commissie gaat vanwege het in de architectuur geïntegreerde reclamevak, de karakteriserende kunstlichttoepassingen van de architect [G] en de locatie in het “centrum van vermaak”, in dit specifieke geval akkoord met het plaatsen van het LED-scherm. Zij geeft daarbij nadrukkelijk als voorwaarde aan dat de door het stadsdeel gestelde voorwaarden ten aanzien van de bedrijfsuren, de lichtsterkte en de frequentie van beelden opgenomen worden in de vergunning.”

3.3. Uit het advies blijkt dat de Commissie van oordeel is dat de monumentenzorg met inachtneming van de expliciet genoemde voorwaarden is gewaarborgd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet afdoende kenbaar heeft gemotiveerd of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze voorwaarden niet zien op bij het waarborgen van de monumentenzorg te betrekken elementen, als gevolg waarvan verweerder deze niet als voorschriften in een monumentenvergunning zou kunnen opnemen. Deze voorwaarden hebben immers, gelet op het advies van de vaste door verweerder geraadpleegde terzake deskundige Commissie, betrekking op de bescherming van (de uitstraling van) het monument, zodat niet valt in te zien waarom deze niet in het belang van het monumentenzorg handhaafbaar zouden zijn. Dat betekent dat de verweerder het advies van de Commissie ten onrechte als negatief advies heeft aangemerkt. Gelet hierop is de rechtbank niet gebleken dat verweerder dit advies niet kon volgen. Dat verweerder dit niet heeft gedaan, lijkt vooral ingegeven door zijn wens om ook een voorwaarde ten aanzien van de inhoud van de lichtbeelden op het reclamevlak te stellen. De rechtbank wijst er echter op dat de deskundigen van de Commissie dit aspect niet hebben genoemd en daarmee kennelijk niet relevant hebben bevonden voor de waarborging van de monumentale waarde van het pand.

3.4. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de Commissie er waarschijnlijk rekening mee heeft gehouden dat verweerder alleen een monumentenvergunning zou verlenen onder voorwaarden, waaronder de voorwaarde met betrekking tot de inhoud van de beelden, omdat daarvan in verweerders aanbiedingsbrief van 12 februari 2010 aan de Commissie al melding was gemaakt. De rechtbank merkt in dit verband allereerst op dat in deze brief zowel een welstandsadvies ten behoeve van de bouwvergunning als een monumentenadvies is gevraagd. In deze brief is geen onderscheid gemaakt tussen de door verweerder voorgestane voorwaarden in het kader van de welstand en de voorwaarden in het kader van de monumentenzorg. Er kan dus niet zonder meer vanuit worden gegaan dat alle door verweerder genoemde voorwaarden een rol hebben gespeeld bij de afweging van de Commissie in het kader van de monumentenvergunning. Zo blijkt uit het advies ook dat de Commissie getoetst heeft aan de Beleidsregels voor Gevelreclame, welke uitsluitend van belang zijn bij beoordeling van de welstand in het kader van de bouwvergunning. Vast staat dat de Commissie de voorgenomen voorwaarde die verweerder in deze brief ten aanzien van de inhoud van de beelden heeft opgenomen, niet heeft overgenomen in haar advies. Gezien het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden geconcludeerd dat de Commissie deze voorwaarde van belang heeft geacht voor het waarborgen van de bij de monumentenzorg betrokken belangen, waarover is geadviseerd.

3.5. Nu alle voorwaarden die door de Commissie van belang zijn geacht in het kader van de monumentenzorg aan de monumentenvergunning verbonden kunnen worden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een negatief advies. Indien verweerder van mening was dat dit advies niet volledig of onduidelijk was in verband met de door verweerder gewenste voorwaarde ten aanzien van de inhoud van de beelden, had het op zijn weg gelegen om op dat punt een nadere motivering aan de Commissie te vragen. Verweerder heeft dit echter niet gedaan.

3.6. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerders besluit om ook na heroverweging vast te houden aan zijn weigering aan eiseressen een monumentenvergunning te verlenen, onzorgvuldig tot stand is gekomen en op ondeugdelijke en niet draagkrachtige wijze is gemotiveerd. Het bestreden besluit is dan ook tot stand gekomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd.

3.7. De rechtbank ziet geen ruimte om tot finale geschilbeslechting te komen ten aanzien van de monumentenvergunning, nu voor verweerder verschillende routes te bewandelen zijn, zoals het alsnog verlenen van de vergunning of het inwinnen van nader advies bij de Commissie. Verweerder zal daarom zelf, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen terzake van de monumentenvergunning.

3.8. De argumenten die naar voren zijn gebracht door de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad hebben hoofdzakelijk betrekking op aspecten van welstand. Zoals hiervoor is overwogen zijn deze aspecten niet langer aan de orde, nu er een bouwvergunning van rechtswege is ontstaan. Ter zitting heeft de Vereniging ook naar voren gebracht dat eiseressen zich niet houden aan de voorwaarden van de verleende omgevingsvergunning. Dit heeft echter te maken met handhaving van die vergunning en deze kwestie valt buiten de omvang van deze procedure. De rechtbank zal deze gronden dan ook onbesproken laten.

3.9. Nu het beroep gegrond wordt verklaard zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseressen betaalde griffierecht en proceskosten, begroot op € 1.092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen op een nadere zitting x € 437, -, per punt; wegingsfactor 1) te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 18 augustus 2010;

- draagt verweerder op de terzake van de van rechtswege verleende vergunning in acht te nemen publicatieverplichtingen na te leven;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit, voor zover dit de beslissing op bezwaar tegen het besluit van 18 augustus 2010 betreft;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar gericht tegen het besluit van 2 augustus 2010, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak ten aanzien van de monumentenvergunning is overwogen;

- bepaalt dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht van € 310 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 1.092,50, te betalen aan eiseressen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, voorzitter, mrs. P.H.A. Knol en M. Verberne, leden, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2013.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB