Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9952

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-01-2013
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
CV 12-23107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procedure over toepassing CAO UWV (arbeidstijd) per 1 januari 2003 van medewerkers van uitvoeringsinstelling USZO die is opgegaan in UWV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0743
AR 2015/1478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

SECTOR KANTON - LOCATIE AMSTERDAM

Kenmerk : CV 12-23107

Datum : 7 januari 2013

438

Vonnis van de kantonrechter te Amsterdam in de zaak van:

1. [eiser 1]

wonende te [plaats] , gemeente [plaats]

2. [eiser 2]

wonende te [plaats] ( [land] )

3. [eiser 3]

wonende te [plaats]

en

4. [eiser 4]

wonende te [plaats] , gemeente [plaats]

eisers

afzonderlijk nader aan te duiden met hun achternaam, tezamen nader te noemen [eisers tezamen]

gemachtigde mr. F.L.M. Vossen

t e g e n:

het publiekrechtelijk lichaam ZELFSTANDIG BESTUURSORGAAN (ZBO) UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen UWV

gemachtigde: mr. C. Nekeman

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 13 juli 2012 inhoudende de vordering van [eisers tezamen] met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van UWV met producties.

Bij tussenvonnis van 8 oktober 2012 is bepaald dat schriftelijk wordt voortgeprocedeerd. Vervolgens zijn ingediend:

- conclusie van repliek van [eisers tezamen] met producties.

UWV heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid tot het indienen van een conclusie van dupliek.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1.

[eisers tezamen] waren in dienst bij de uitvoeringsinstelling USZO op grond van een arbeidsovereenkomst voor fulltime, hetgeen bij het USZO een arbeidstijd van 36 uur per week betekende.

1.2.

Per 1 januari 2003 (volgens [eisers tezamen] ) althans 1 januari 2002 (volgens UWV) is het USZO tezamen met een aantal andere uitvoeringsinstellingen opgegaan in UWV.

1.3.

Met ingang van 1 januari 2003 is de CAO UWV van toepassing geworden op de arbeidsovereenkomsten van [eisers tezamen] Op grond daarvan bedraagt de arbeidstijd van een fulltime arbeidsovereenkomst 38 uur per week.

1.4.

[eisers tezamen] zijn feitelijk 36 uur blijven werken. Nadat UWV aan alle medewerkers uitdrukkelijk de mogelijkheid daartoe had geboden, zijn [eisers tezamen] met ingang van 2007 38 uur per week gaan werken.

1.5.

Op vordering van enkele (andere) medewerkers van UWV, die bij USZO een fulltime dienstverband hadden, heeft de kantonrechter te Amsterdam bij vonnis van 30 maart 2007 voor recht verklaard dat hun arbeidstijd met ingang van 1 januari 2003 38 uur per week bedraagt.

1.6.

Nadat UWV van dit vonnis in appel is gegaan heeft het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 27 januari 2009 (LJN BI2113) eveneens voor recht verklaard dat de arbeidstijd van de betreffende medewerkers met ingang van 1 januari 2003 38 uur per week bedraagt.

1.7.

In genoemd arrest heeft het hof onder meer overwogen:
”3.10 Het hof stelt voorop dat de overgangsbepaling van art. B.3 lid 1 naar haar bewoordingen en gelezen in samenhang met de hierboven weergegeven tekst van de preambule en van artikel 1.1 en 4.1 van de CAO, geen ruimte voor een andere interpretatie laat dan dat met ingang van 1 januari 2003 voor alle medewerkers van UWV een full-time dienstverband van 38 uur per week is gaan gelden. Aan het opnemen van deze overgangsbepaling ligt, gegeven de hiervoor aangeduide samenhang, de veronderstelling ten grondslag dat er een wijziging plaatsvindt van hetgeen rechtens gold vóór 1 januari 2003. De overgangsbepaling mist een redelijke grondslag als deze niet rechtstreeks betrekking zou hebben op de regeling van de werktijden in artikel 4.1 lid 1 CAO. De stelling van UWV dat de arbeidstijdenregeling veel meer inhoudt dan de omvang van de arbeidstijd wordt door het hof niet gevolgd: de kern van hoofdstuk 4 wordt gevormd door artikel 4.1. De overige bepalingen van dat hoofdstuk zijn daarvan een uitwerking. UWV heeft geen steekhoudende argumenten naar voren gebracht die in dit verband tot een ander oordeel aanleiding kunnen geven.”
en voorts:
”3.16. De conclusie uit de voorgaande overwegingen is dat artikel 4.1 lid 1 en B.3 lid 1 van de CAO inhouden dat voor oud medewerkers van USZO die werkzaam waren op fulltime basis, tot 1 januari 2003 een arbeidstijd van 36 uur gold en nadien, zoals voor alle werknemers van UWV werkzaam op fulltime basis, een arbeidstijd van 38 uur. De door UWV gestelde omstandigheden leiden ieder op zich zelf noch in onderlinge samenhang bezien tot een andere uitleg.”

1.8.

Nadat bovengenoemd arrest was gewezen heeft UWV een Beoordelingscommissie ingesteld om te beoordelen of medewerkers die voorheen in dienst waren bij USZO op grond van de overwegingen in dat arrest in aanmerking zouden komen voor een nabetaling, uitgaande van een arbeidstijd van 38 uur ingaande 1 januari 2003.

1.9.

[eisers tezamen] hebben elk bij brief van 31 juli 2009 een verzoek ingediend gericht op een nabetaling als onder 1.8 bedoeld. Zowel UWV als de Beoordelingscommissie hebben dat verzoek afgewezen.

1.10.

Bij hun verzoeken als hiervoor bedoeld hebben [eisers tezamen] een schriftelijke verklaring d.d. 14 juli 2009 overgelegd van [naam 1] , vanaf 31 december 2001 tot 1 augustus 2006 hun teamleider en direct leidinggevende, met de volgende tekst:
’Hierbij verklaar ik ( [naam 1] ) dat (naam en personeelsnummer van de betreffende eiser) bij overgang van USZO naar UWV zijn volledige dienstverband (100% wenste te behouden. Hij was bereid daarvoor 38 uur per week te gaan werken. Echter, het toenmalige personeelsbeleid maakte het onmogelijk te kiezen voor een 38 urig (100%) dienstverband.’

1.11.

[naam 2] , in de periode januari 2003 tot en met december 2008 ‘…respectievelijk manager IP-HPT manager Samenloop en manager Uitvoering van het BackOffice Overheid & Onderwijs’ van UWV, heeft op 21 juli 2009 schriftelijk onder meer verklaard dat hij:
…verzoeken tot uitbreiding van de urenomvang van hogerhand nooit heeft mogen honoreren. Deze gedragsregel was het uitvloeisel van het (tactische) beleid, dat in de regio Zuid (Limburg, naderhand oostelijk Noord-Brabant) werd uitgedragen.
(…)
Als reden van afwijzing werd aanvankelijk het voorkomen van vroegtijdige boventalligheid genoemd. Naderhand is op dit argument steeds terug gegrepen en heeft dit ontmoedigingsbeleid geleid tot berusting. Toch is herhaaldelijk door medewerkers in werkoverleggen deze kwestie aan de orde gesteld. Toen in september 2007 de mogelijkheid werd geboden om naar 38 uur over te gaan, hebben de meeste medewerkers van het BackOffice hiervan dan ook gebruik gemaakt.’

1.12.

De arbeidsovereenkomst van [eiser 4] met UWV is inmiddels geëindigd per 1 januari 2011. Daarbij hebben UWV en [eiser 4] een beëindigingsovereenkomst getekend, waarvan artikel 8 bepaalt:
’Na uitvoering van het bovenstaande verlenen werkgever en werknemer elkaar over een weer finale kwijting terzake van al hetgeen zij uit hoofde van het dienstverband en/of terzake van de beëindiging daarvan te vorderen mochten hebben.’

Vordering

2. [eisers tezamen] vorderen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te verklaren voor recht ‘…dat met ingang van 1 januari 2003 voor hen ex artikel 4.1 van de cao, een arbeidstijd van 38 uur per week geldt/gold, tot en met 31 juli 2007’;

  2. UWV te veroordelen tot het alsnog betalen van het verschuldigde salaris, inclusief emolumenten (waaronder extra afstorting pensioenpremies), gebaseerd op een 38-urige werkweek, onder afrek van het reeds voldane salaris en onder gelijktijdige verstrekking van een deugdelijke specificatie aan [eisers tezamen] ;

  3. UWV te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf de datum van opeisbaarheid van de betreffende loontermijn tot de voldoening;

  4. UWV te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 500,00 per dag dat zij in gebreke blijft te voldoen aan de onder a. en b. bedoelde vorderingen;

  5. UWV te veroordelen tot betaling van € 952,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

  6. UWV te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3. [eisers tezamen] stellen dat uit het hiervoor bedoelde arrest van het hof volgt dat hun arbeidstijd met ingang van 1 januari 2003 38 uur per week bedroeg, dat zij mondeling aan hun leidinggevende hebben verzocht om ook feitelijk 38 uur te mogen gaan werken en daartoe ook in staat waren geweest, maar dat zij daarop van die leidinggevende te horen hebben gekregen dat het beleid van UWV dit niet mogelijk maakte. Nu ook andere medewerkers die feitelijk slechts 36 uur hebben gewerkt, afkomstig van USZO, naar aanleiding van het hof-arrest een nabetaling hebben ontvangen op basis van 38 uur, mag dit [eisers tezamen] niet worden onthouden. Dat hun teamleider niet bevoegd was om te beslissen over uren-uitbreiding en dat de wel bevoegde manager zich geen verzoek van hen kan herinneren, mag hieraan niet in de weg staan, aldus [eisers tezamen] Volgens [eisers tezamen] bestaat er geen objectieve rechtvaardiging voor een ongelijke behandeling van hen ten opzichte van eerder bedoelde medewerkers, heeft UWV door urenuitbreiding althans nabetaling te weigeren gehandeld in strijd met haar verplichtingen als goed werkgever en is de weigering van UWV om tot nabetaling over te gaan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. [eisers tezamen] betwisten dat hun vorderingen zijn verjaard en verwijzen daarbij naar hun onder 1.9 bedoelde brieven. Voorts voeren zij in dat verband aan dat zij pas na het hof-arrest konden weten dat UWV een fout had gemaakt. UWV is ook buitengerechtelijke kosten verschuldigd omdat [eisers tezamen] zelf meerdere pogingen hebben gedaan om buiten rechte te regelen, de reactie van UWV op de brief van de gemachtigde was echter dermate duidelijk dat een dagvaarding noodzakelijk was.

Verweer

4. UWV verweert zich tegen deze vordering en voert aan dat de loonvorderingen geheel of gedeeltelijk zijn verjaard. Voorts voert UWV aan dat [eiser 4] niet ontvankelijk is in zijn vordering, althans dat deze moet worden afgewezen, omdat deze bij zijn vertrek een regeling met UWV is overeengekomen waarbij hij aan UWV finale kwijting heeft verleend. Voorts betwist UWV dat de (overgangsregeling van) de CAO tot gevolg had dat de arbeidsduur van alle (voormalige) USZO-medewerkers automatisch wijzigde van 36 in 38 uur. [eisers tezamen] behoren niet tot de categorie medewerkers waarop het hof-arrest betrekking had, reeds omdat [eisers tezamen] niet feitelijk 38 uur hebben gewerkt en omdat zij niet hebben aangetoond dat zij daadwerkelijk hebben verzocht om uitbreiding van het aantal uren aan een manager die bevoegd was daarover een beslissing te nemen. Evenmin hebben [eisers tezamen] aangetoond dat zij in de betreffende periode beschikbaar waren voor twee extra arbeidsuren. UWV betwist dat op voorhand al duidelijk was dat negatief zou worden beslist op een verzoek om urenuitbreiding en verwijst naar het beleid van de Raad van Bestuur UWV. UWV voert aan dat in de betreffende periode alle soortgelijke verzoeken tot uren-uitbreiding zijn afgewezen. Dat zij met toewijzing van dergelijke verzoeken terughoudend was doet aan het voorgaande niet af, aldus UWV. Dat [eisers tezamen] niet reeds vanaf 1 januari 2003 38 uur per week hebben gewerkt kan niet voor haar rekening komen als bedoeld in artikel 7:628 BW. De vordering tot nabetaling is ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW, aldus – steeds UWV. Voorts betwist UWV buitengerechtelijke kosten verschuldigd te zijn.

Beoordeling

5. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt.

6. [eisers tezamen] hebben niet gereageerd op de stelling van UWV inhoudende dat de door [eiser 4] in zijn vertrekregeling aan UWV verleende finale kwijting als geciteerd onder 1.12 met zich brengt dat hij jegens UWW geen aanspraken meer heeft. Het beroep van UWW op deze finale kwijting slaagt. Daarmee is ook het belang van [eiser 4] bij de gevorderde verklaring voor recht en bij de overige vorderingen komen te vervallen. De vorderingen voor zover ingesteld door [eiser 4] worden afgewezen. [eiser 4] wordt in de daarop betrekking hebbende proceskosten van UWV veroordeeld.

7. Op de vorderingen gericht op nabetaling van loon c.a. is artikel 3:308 BW van toepassing. Zij verjaren na verloop van vijf jaar, tenzij de verjaring wordt gestuit. De onder 1.9 bedoelde brieven van 31 juli 2009 van [eisers tezamen] aan UWV kunnen worden aangemerkt als een mededeling, waaruit voor UWV duidelijk werd dat [eisers tezamen] aanspraak maakten op nakoming van de verplichtingen tot nabetaling, welke onderwerp van de onderhavige vordering zijn. Daardoor werd de verjaring gestuit. Dat [eisers tezamen] de verjaring van deze vorderingen eerder hebben gestuit is niet gebleken. Dat het hof arrest op 27 januari 2009 is gewezen stond er niet aan in de weg dat [eisers tezamen] eerder hun aanspraken op nabetaling kenbaar hadden kunnen maken en de verjaring daarvan hadden kunnen stuiten. Dat betekent dat de vorderingen van [eisers tezamen] zijn verjaard voor zover zij betrekking hebben op de periode gelegen vóór 31 juli 2004.

8. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit de toepasselijke CAO-bepalingen en de door het hof gegeven uitleg daarvan als geciteerd onder 1.7, dat de arbeidstijd van het fulltime dienstverband van [eisers tezamen] ingaande 1 januari 2003 wijzigde van 36 naar 38 uur per week. Daarbij is ook van belang dat het hof het argument van UWV, inhoudende dat ‘…het merendeel van de oud-USZO medewerkers 36 uur is blijven werken ‘ heeft betrokken in haar oordeel, maar niet relevant heeft bevonden voor de uitleg van de overgangsrechtelijke bepalingen van de CAO. Dat [eisers tezamen] feitelijk niet reeds vanaf 1 januari 2003 38 uur per week zijn gaan werken doet niet af aan het feit dat zij vanaf die datum wel aanspraak hadden op werk voor die arbeidstijd.

9. Uit het voorgaande volgt op zichzelf niet dat [eisers tezamen] ook aanspraak hebben op nabetaling van loon over de periode tot 31 juli 2007, waarin zij feitelijk geen 38 uur per week hebben gewerkt. Met UVW wordt geoordeeld dat aanspraak op betaling van loon over twee extra uren slechts aanwezig kan zijn indien voldoende komt vast te staan dat [eisers tezamen] ook om twee extra uren hebben verzocht en daarvoor beschikbaar waren. Dit houdt mede verband met het feit dat de mogelijkheid om (niet meer dan) 36 uur te werken ook na 1 januari 2003 is blijven bestaan en dat dit voor medewerkers van UWV ook voordeel kon hebben, bijvoorbeeld omdat dit de mogelijkheid gaf om gedurende vier dagen negen uur te werken, zoals UWV heeft gesteld en [eisers tezamen] niet (gemotiveerd) hebben betwist.

10. Dat [eisers tezamen] aan hun toenmalige teamleider hebben verzocht om 38 uur te mogen werken heeft UWV op zichzelf niet betwist, althans – voor het geval UWV heeft bedoeld dit wel te betwisten – heeft UWV die betwisting onvoldoende onderbouwd, gelet op de inhoud van de onder 1.10 bedoelde verklaring. UWV heeft wel aangevoerd dat dit verzoek buiten beschouwing moet blijven omdat dit niet is gedaan bij een manager die bevoegd was om over extra uren te beslissen. UWV wordt hier niet in gevolgd. [eisers tezamen] hebben het verzoek gedaan aan hun direct leidinggevende. Deze kan uit de aard van zijn functie geacht worden UWV te vertegenwoordigen bij het geven van opdrachten aan [eisers tezamen] . Tenzij uitdrukkelijk anders is bedongen, hetgeen gesteld noch gebleken is, valt daardoor niet in te zien waarom hij niet als vertegenwoordiger van UWV kan worden aangemerkt voor zover het de in ontvangstneming van verzoeken van [eisers tezamen] aan UWV betreft.

11. De conclusie is dat voldoende vast staat dat [eisers tezamen] vanaf begin 2003 via hun teamleider aan UWV kenbaar hebben gemaakt dat zij 38 uur per week wilden werken en dat zij daartoe beschikbaar waren.

12. Dat deze teamleider met het oog op ‘het toenmalig personeelsbeleid’ de betreffende verzoeken (kennelijk) niet in behandeling heeft gegeven aan de daarvoor aangewezen managers van UWV, kan niet aan [eisers tezamen] worden tegengeworpen. Daarbij is ook van belang dat de stelling dat een dergelijke afweging van de teamleider voor de hand lag, gelet op het toenmalige beleid van (de betreffende regio van) UWV, steun vindt in de verklaring [naam 2] als geciteerd onder 1.11. Voorts zal van belang zijn geweest dat, zoals UWV heeft erkend, in de betreffende periode een reductie van 6300 arbeidsplaatsen plaats vond en dat er een vacaturestop bestond. UWV heeft in verband daarmee betwist dat het juist was dat in de betreffende periode nimmer verzoeken om urenuitbreiding werden gehonoreerd en heeft daarbij gewezen op mededelingen van de Raad van Bestuur aan het personeel. Een en ander vormt echter onvoldoende grond om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [naam 2] , aangezien die mededelingen niet uitsluiten dat (de verantwoordelijke managers van) UWV in de regio waarin [eisers tezamen] , [eiser 4] en [naam 2] werkzaam waren een beleid voerde(n) waarin dergelijke verzoeken bij voorbaat kansloos waren. Voldoende staat vast dat dit in de betreffende periode in elk geval zo is begrepen door de leidinggevende(n) van [eisers tezamen] Ook als zij zich daarbij hebben vergist en een formeel, schriftelijk verzoek wel (enige) kans van slagen had gehad, kan UWV dit niet aan [eisers tezamen] tegenwerpen nu de gevolgen van haar (mis)communicatie met haar leidinggevende medewerkers voor rekening van UWV dienen te blijven.

13. Het feit dat [eisers tezamen] in de betreffende periode feitelijk geen 38 uur hebben gewerkt staat niet in de weg aan hun aanspraken. Op de eerste plaats is de oorzaak daarvan gelegen in de weigering van UWV om gebruik te maken van het aanbod van [eisers tezamen] om gedurende de voor hen vanaf 1 januari 2003 normale arbeidstijd van 38 uur te werken, welke oorzaak voor rekening van UWV dient te blijven. Daarnaast heeft UWV niet betwist dat er andere medewerkers van UWV zijn die eveneens geen 38 uur maar 36 uur per week hebben gewerkt, maar over de betreffende periode wel een nabetaling hebben ontvangen, welke stelling [eisers tezamen] hebben onderbouwd met schriftelijke verklaringen. UWV heeft bij antwoord aangevoerd dat in de hier bedoelde gevallen door beslissingsbevoegde managers van de betrokken medewerkers is verklaard dat dezen wel (mondelinge) verzoeken tot een arbeidstijd van 38 uur hebben ingediend en dat in het geval van [eisers tezamen] de beslissingsbevoegde manager heeft verklaard zich geen verzoeken van [eisers tezamen] te herinneren. Volgens UWV staat daarom niet vast staat dat [eisers tezamen] dergelijke verzoeken hebben gedaan. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 1.10 tot en met 1.12 reeds is overwogen wordt geoordeeld dat dit verschil geen ongelijke behandeling van [eisers tezamen] rechtvaardigt. Van belang is of [eisers tezamen] jegens UWV aanspraak hebben gemaakt op een arbeidsduur van 38 uur en dat staat voldoende vast. Dit houdt geen verband met de vraag wie bevoegd was om daarover een beslissing te nemen. Nu UWV nabetalingen wegens het verschil tussen 36 en 38 uur arbeidsduur heeft gedaan aan medewerkers die evenmin feitelijk 38 uur hadden gewerkt en die evenmin een formeel schriftelijk verzoek voor een arbeidsduur van 38 uur hadden gedaan, kan UWV het ontbreken van een formeel schriftelijk verzoek en het feit dat [eisers tezamen] feitelijk slechts 36 uur hebben gewerkt ook niet aan [eisers tezamen] tegenwerpen.

14. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken op grond waarvan de vorderingen van [eisers tezamen] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zouden zijn. Zij zijn het gevolg van het feit dat UWV ten aanzien van de arbeidsduur van een fulltime dienstverband pas in 2007 een CAO-bepaling is gaan naleven waaraan zij reeds vanaf januari 2003 gebonden was. Voldoende staat vast dat de onderhavige kwestie sindsdien onderwerp van discussie binnen UWV is geweest, zodat UWV rekening heeft kunnen houden met vorderingen zoals de onderhavige.

15. Gesteld noch gebleken is dat [eisers tezamen] zelf noemenswaardige kosten hebben gemaakt bij hun pogingen om zelf buiten rechte een regeling te treffen met UWV. Voorts valllen de kosten van het verzenden van de enkele brief van de gemachtigde van [eisers tezamen] tot de kosten waarover wordt beslist bij de proceskostenveroordeling. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar.

16. Nu de hierna uit te spreken veroordelingen niet alleen ziet op betaling maar ook op het door UWV uitvoeren van herberekeningen, het afstorten van pensioenpremies en het verstrekken van specificaties, bestaat er aanleiding tot het opleggen van een dwangsom voor het geval daaraan niet wordt voldaan. Er bestaat wel aanleiding tot matiging daarvan en tot het verbinden van een maximum aan te verbeuren dwangsommen.

17. Dit betekent dat de vordering van [eisers tezamen] wordt toegewezen zoals hieronder wordt bepaald.

18. Bij deze uitkomst van de procedure wordt UWV veroordeeld in de proceskosten gevallen aan de zijde van [eisers tezamen]

BESLISSING

De kantonrechter:

Ten aanzien van de vorderingen ingesteld door [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] :

verklaart voor recht dat met ingang van 1 januari 2003 voor [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] op grond van artikel 4.1 van de Cao een arbeidstijd van 38 uur per week heeft gegolden in de periode 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2007;

veroordeelt het UWV tot het alsnog aan [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afzonderlijk betalen van het aan ieder van hen verschuldigde salaris, inclusief emolumenten (waaronder extra afstorting pensioenpremies), gebaseerd op een 38-urige werkweek, voor zover dat betrekking heeft op de periode vanaf 31 juli 2004 tot en met 31 juli 2007, onder afrek van het over die periode reeds aan hen betaalde salaris en onder gelijktijdige verstrekking aan ieder van hen van een deugdelijke specificatie;

veroordeelt het UWV tot betaling aan [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afzonderlijk van de wettelijke rente over het verschuldigde bedrag vanaf de datum van opeisbaarheid van de betreffende loontermijn tot de voldoening;

veroordeelt het UWV tot betaling aan [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afzonderlijk van een dwangsom van € 50,00 per dag dat UWV ten aanzien van de betrokken eiser in gebreke blijft te voldoen aan de onder II. bedoelde veroordelingen, met een maximum aan dwangsommen van € 5.000,00 per eiser;

veroordeelt UWV in de kosten van de procedure gevallen aan de zijde van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] , tot op heden begroot op;

- voor verschuldigd griffierecht

207,00

- voor het exploot van dagvaarding

97,64

- voor salaris van gemachtigde

800,00

In totaal:

1.104,64

één en ander, voorzover verschuldigd, inclusief BTW;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Ten aanzien van de vorderingen ingesteld door [eiser 4] :

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser 4] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van UWV, tot op heden begroot op € 800,00, één en ander, voorzover verschuldigd, inclusief BTW.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier

De kantonrechter