Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9946

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-01-2013
Datum publicatie
03-04-2015
Zaaknummer
13/480199-09 12/8081
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Wet DNA afname bij veroordeelden, bezwaar gegrond, uitzonderingsbepalingen in dit geval van toepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/480199-09

RK: 12/8081

BESCHIKKING

op het bezwaarschrift ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

wonende op het adres [adres, te plaats],

te dezer zake woonplaats kiezend op het kantooradres van haar raadsman,

mr. T.H.L. Kneepkens, [adres, te plaats],

verder te noemen veroordeelde.

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 3 december 2012 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 17 januari 2013 de raadsman van veroordeelde, mr. T.H.L. Kneepkens, advocaat te Amsterdam en de officier van justitie, mr. M. Diependaal, in besloten raadkamer gehoord.

Veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Beoordeling

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.

Bij bevel van 11 oktober 2012 heeft de officier van justitie bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van haar DNA-profiel.

Op 28 november 2012 is het celmateriaal van veroordeelde afgenomen. Het bezwaarschrift is op 3 december 2012 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van de Wet genoemde termijn van veertien dagen.

Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in haar bezwaar.

Als grondslag van het bevel heeft gediend het vonnis van 3 januari 2012 van de politierechter van deze rechtbank, waarbij veroordeelde ter zake van “Medeplegen van in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming” (artikel 227B Wetboek van Strafrecht (Sr)) is veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf oor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis waarvan 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank. De raadsman van veroordeelde heeft in raadkamer ter aanvulling op het bezwaarschrift aangevoerd hetgeen staat vermeld in zijn in raadkamer overgelegde pleitaantekeningen.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard omdat de uitzonderingen voor afname DNA zoals in de Wet beschreven niet op veroordeelde van toepassing zijn en recidive niet valt uit te sluiten.

De rechtbank overweegt het volgende.

De Wet heeft als uitgangspunt dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet celmateriaal wordt afgenomen. Artikel 2 lid 1 van de Wet heeft betrekking op misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

De rechtbank stelt vast dat artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht, waarvoor veroordeelde tot een werkstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv.

Aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 juncto artikel 1, onder c van de Wet is derhalve voldaan.

De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 13 mei 2008 (LJN-nummers BC8231 en BC8234) voorop gesteld dat tekst, doel en strekking van de Wet blijkens de wetsgeschiedenis als uitgangspunt hebben dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2 lid 1 van de Wet, celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid genoemde uitzonderingen voordoet.

Aan de uitzonderingen genoemd in artikel 2 lid 1, aanhef en onder b van de Wet geeft de Hoge Raad een beperkte uitleg. De officier van justitie beveelt de afname ‘tenzij redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde’. De Hoge Raad overweegt dat de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ blijkens de wetsgeschiedenis ziet op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt volgens de Hoge Raad samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat dan om de situatie dat een DNA-onderzoek, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden niet kan worden gerechtvaardigd.

Andere dan bovengenoemde maatstaven doen volgens de Hoge Raad afbreuk aan het door de wetgever beoogde systeem van ruime afname van DNA-materiaal, waarin slechts plaats is voor de twee bovengenoemde beperkt uit te leggen uitzonderingen. Voor een verdere belangenafweging is in het systeem van de Wet geen plaats.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de zaak van veroordeelde uitgaan van het hierboven geschetste toetsingskader.

-Aard van het misdrijf-

De rechtbank stelt vast dat de wetgever gelet op de tekst van artikel 2, eerste lid van de Wet geen enkel misdrijf dat wordt genoemd in artikel 67 lid 1 Sv op voorhand heeft willen uitsluiten, zodat in beginsel van iedere veroordeelde als bedoeld in de Wet DNA-materiaal dient te worden afgenomen.

Ten aanzien van de aard van het misdrijf overweegt de rechtbank dat tijdens de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel misdrijven zijn genoemd waarbij doorgaans geen celmateriaal wordt achtergelaten, te weten valsheid in geschrift, meineed, schuldheling en verduistering.1 Deze delictsomschrijvingen kunnen echter niet categorisch worden uitgesloten, omdat bij deze misdrijven telkens gevallen denkbaar zijn waarin DNA-onderzoek wel van betekenis kan zijn. In deze gevallen dient te worden gekeken naar de aard van het concreet gepleegde delict waarop het bevel tot afname ziet, met de toets of het bepalen en verwerken van een DNA-profiel in dat geval redelijkerwijs van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten. Handelen in strijd met artikel 227b Sr is een misdrijf waarbij op het eerste gezicht geen celmateriaal wordt achtergelaten.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde gelet op de aard van dit concrete in de onderliggende strafzaak gepleegde delict redelijkerwijs van belang kan zijn voor het voorkomen, opsporen, vervolgen dan wel berechten van strafbare feiten.

In dit concrete geval heeft veroordeelde samen met haar onjuiste informatie verstrekt aan de Gemeente Amstelveen, afdeling Werk en Inkomen over de zwarte werkzaamheden en oncontroleerbare inkomsten van de partner van veroordeelde, waarmee zij samenwoonde, bij het bedrijf [bedrijf 1]. De rechtbank is van oordeel dat in dit concrete geval, DNA-onderzoek in beginsel redelijkerwijs niet van betekenis zal kunnen zijn voor de opheldering van dergelijke door veroordeelde gepleegde strafbare feiten. Mogelijk nog wel bij de door haar partner gepleegde stafbare feiten, nu met behulp van DNA-onderzoek in theorie zou kunnen worden aangetoond dat hij werkzaamheden verrichtte in het bedrijf van zijn zus, maar naar het oordeel van de rechtbank niet ten aanzien van veroordeelde. In een geval als het onderhavige zal in beginsel ook in het voorbereidend onderzoek geen celmateriaal voor DNA-onderzoek worden afgenomen vanwege het vereiste belang van het onderzoek, zodat er sprake is van een door de wetgever bedoelde uitzondering.

- Recidivegevaar -

Indien de aard van het concreet gepleegde delict zich verzet tegen de DNA-afname, dient het DNA-profiel van veroordeelde onder bepaalde in de wetsgeschiedenis genoemde omstandigheden toch te worden bepaald en verwerkt. Zo kunnen er omstandigheden zijn die aannemelijk maken dat de veroordeelde zal recidiveren ter zake van andere misdrijven waarvoor DNA-onderzoek van belang kan zijn of indien de veroordeelde in het verleden ook andere misdrijven heeft begaan waarbij doorgaans celmateriaal achterblijft.2 Hierbij is van belang of in zijn algemeenheid, bijvoorbeeld op grond van een uittreksel uit de Justitiële Documentatie of andere bijzondere omstandigheden deze persoon betreffend, sprake kan zijn van een concreet recidivegevaar voor misdrijven waar DNA-onderzoek in de toekomst wel kan bijdragen aan het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten daarvan.

Van belang hierbij is dat het niet - als voorwaarde verbonden aan het geven van het bevel - aan het openbaar ministerie is om dit recidivegevaar aan te tonen. De Wet vereist slechts dat op

grond van de bijzondere omstandigheden van de persoon kan worden vastgesteld dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde van belang kan zijn.

Van dergelijke omstandigheden is in het onderhavig geval evenwel niet gebleken.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn ter voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten begaan door veroordeelde.

Het overig aangevoerde behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.

Conclusie

Nu het bevel tot DNA-afname bij veroordeelde niet voldoet aan de daaraan door de Wet gestelde eisen, zal de rechtbank het bezwaar gegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaarschrift gegrond en beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond zal worden vernietigd.

Deze beslissing is op 17 januari 2013 gegeven en uitgesproken door

mr. P.B. Martens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde géén rechtsmiddel open.

1 Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 3, p. 10-11 en Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 5, p. 14.

2 Kamerstukken I 2003/04, 28 685, C, p. 9 en Kamerstukken II 2002/03, 28 685, nr. 5, p. 14.