Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9899

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
AWB - 12 _ 5262
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1723, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wav, juistheid boeterapport, rechtmatigheid controle, discrmiinatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/5262 WAV

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

eiser,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

verweerder,

(gemachtigde mr. R.E. van der Kamp).

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2012 heeft verweerder eiser een bestuurlijke boete opgelegd van

€ 12.000,-- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Hiertegen heeft eiser op 8 mei 2012 een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van

5 oktober 2012 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op 24 oktober 2012 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 5 oktober 2012.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2013. Eiser is ter zitting verschenen met zijn partner [naam]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting als getuige aanwezig [inspecteur 1], [inspecteur 2] en

[inspecteur 3], inspecteurs van de Arbeidsinspectie. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Het onderzoek is voortgezet op 22 oktober 2013. Eiser is ter zitting verschenen met zijn partner [naam]. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting als getuige aanwezig [inspecteur 1], inspecteur van de Arbeidsinspectie.

Overwegingen

1.

Verweerder heeft aan eiser een boete opgelegd van € 12.000,-- en daaraan het volgende ten grondslag gelegd.

Op donderdag 22 september 2011 zijn in het pand [adres 1] te Amsterdam vreemdelingen aangetroffen tijdens het verrichten van arbeid.

2.

De tewerkstelling betrof:

1.

[vreemdeling 1], van Ecuadoraanse nationaliteit,

2.

[vreemdeling 2], van Braziliaanse nationaliteit, en

3.

[vreemdeling 3], van Roemeense nationaliteit.

Alle personen zijn vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser beschikte niet over een tewerkstellingsvergunning voor deze vreemdelingen.

3.1

Eiser heeft betoogd dat er reden bestaat voor twijfel aan de juistheid van de observaties zoals die in het boeterapport zijn opgenomen en de verklaringen hierover ter zitting. Daarbij is van belang dat wisselende en tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd voor wat betreft de plaats waar de vreemdelingen zijn aangetroffen, de vraag of de vreemdelingen de eerste aangetroffen werklieden waren en de vraag waarom de overige werklieden niet om identiteitsbewijzen is gevraagd.

3.2

Volgens vaste jurisprudentie dient in beginsel te worden uitgegaan van de juistheid van een op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend boeterapport (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 januari 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH0484). Dit is slechts anders indien sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van dit uitgangspunt.

3.3

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aannemelijk gemaakt die er toe nopen dat niet van de juistheid van het boeterapport kan worden uitgegaan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel in het boeterapport als in de verklaringen van de inspecteurs ter zitting is aangegeven dat pas bij het betreden van een ruimte op de eerste etage werklieden in het pand werden aangetroffen. Door eiser is niet onderbouwd dat meer en/of andere werklieden ook in het pand aanwezig waren. De enkele stelling van eiser, die zelf niet aanwezig was, dat niet aannemelijk is dat de inspecteurs direct de betreffende vreemdelingen aantroffen, leidt dan ook niet tot concrete twijfel aan de juistheid van het boeterapport.

4.1

Eiser heeft verder aangevoerd dat sprake is geweest van het onrechtmatig binnentreden van een woning. Daarbij is volgens eiser van belang dat, in tegenstelling tot hetgeen door de inspecteurs is verklaard, het niet mogelijk is om vanaf de overzijde van de straat in het pand [adres 1] binnen te kijken. Er kon dan ook van buitenaf niet worden waargenomen dat er in het pand werkzaamheden plaatsvonden en dat het pand niet was bewoond.

4.2

De rechtbank volgt het betoog van eiser niet. Daarvoor is het volgende redengevend. In het boeterapport is vermeld dat de inspecteurs [inspecteur 2] en [inspecteur 1] aan de ingang van het pand zagen dat de trapopgang en de wanden niet waren bekleed en dat er wit stof op de trap lag. Ter zitting is verder door de inspecteurs verklaard dat zij vooraf aan de controle van buitenaf hebben waargenomen dat in het pand werkzaamheden plaatsvonden en dat zij geen tekenen van bewoning hebben gezien. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de samenhangende verklaringen van de inspecteurs, in voldoende mate aannemelijk dat zij konden vaststellen dat in het pand werkzaamheden werden verricht en dat er geen sprake was van bewoning. Daarbij neemt de rechtbank verder in aanmerking dat de enkele stelling van eiser dat een deel van het pand wel werd bewoond niet in voldoende mate is onderbouwd.

Ook acht de rechtbank van belang dat eiser desgevraagd in zijn verklaring van 1 november 2011 heeft verklaard dat hij op het adres [adres 2] te Amsterdam woonde, hetgeen ook volgt uit de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie, en dat eiser ten tijde van het gehoor op 11 november 2011 op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven dat het pand [adres 1] werd bewoond.

4.3

Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de bevindingen van de inspecteurs onjuist moeten worden geacht. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is geweest van een situatie waarin het binnentreden van het pand [adres 1] onrechtmatig moet worden geacht, omdat het pand als woning in gebruik was. De namens eiser op 11 oktober 2013 overgelegde foto’s doen aan het voorgaande niet af. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende. Al aangenomen dat de beide overgelegde foto’s de situatie gelijk aan de situatie ten tijde van de inspectie weergeven, hetgeen niet vaststaat, volgt uit de beide foto’s niet zonder meer dat het zicht van buitenaf op de eerste etage van het pand volledig was afgeschermd.

5.1

Eiser heeft verder aangevoerd dat bij de controle op 22 september 2011 sprake is geweest van discriminatie. Eiser heeft daarbij verwezen naar de wijze waarop de inspecteurs een selectie zouden hebben gemaakt van de te controleren personen. Eiser heeft hierover op 22 mei 2013 een klacht ingediend bij de dienst “Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW)”.

5.2

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat niet is gebleken van discriminatoir optreden door de inspecteurs. De rechtbank verwijst daarbij naar de uitkomst van het onderzoek door de Inspectie SZW. Daarin is overwogen dat door de donkere huids- en haarkleur wel het vermoeden ontstond dat er sprake zou kunnen zijn van vreemdelingen in de zin van de Wav, maar dat eveneens is gebleken dat de betreffende personen nagenoeg direct bij aanvang van de controle door de inspecteurs zijn aangetroffen. Niet is betwist dat in de ruimte waar de vreemdelingen zijn aangetroffen alle personen zijn bevraagd.

6.1

Uit het boeterapport volgt dat de eerdergenoemde vreemdelingen werkzaamheden hebben verricht voor eiser. Eiser heeft zelf ook verklaard dat de vreemdelingen, al dan niet door tussenkomst van de in de voorgaande alinea 2 onder 1 genoemde vreemdeling, werkzaamheden voor hem hebben verricht. Eveneens staat vast dat voor de vreemdelingen geen tewerkstellingsvergunning is verstrekt.

6.2

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

6.3

Op grond van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wav in samenhang met artikel

1, onder m, van de Vw 2000 wordt onder vreemdeling verstaan ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.

7.1

De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat de overtredingen niet althans minder verwijtbaar zijn. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 5 augustus 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ4603) heeft overwogen, wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was om de overtreding te voorkomen heeft gedaan. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.

7.2

Van volledige afwezigheid van de verwijtbaarheid is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak verder heeft overwogen, is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever, in de zin van de Wav, om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of aan de voorschriften van de Wav wordt voldaan. Vaststaat dat door eiser geen controle is uitgevoerd om na te gaan of aan de voorschriften van de Wav werd voldaan, zodat niet aannemelijk is geworden dat eiser al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Er is dan ook geen sprake van een verminderde mate van verwijtbaarheid.

7.3 De omstandigheid dat eiser de Wav niet opzettelijk heeft overtreden noopt niet tot matiging van de boete, nu dit een omstandigheid is die moet worden geacht bij de vaststelling van de beleidsregels te zijn betrokken. Dat, zoals eiser stelt, controle ondoenlijk is leidt evenmin tot een ander oordeel. Daarvoor is al redengevend dat in het onderhavige geval de vreemdelingen ook aan eiser zijn voorgesteld.

8.

Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MvK

Coll.:

D: C

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt zes weken.