Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9663

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
27-03-2014
Zaaknummer
13-2051
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De korpschef van het landelijk politiekorps heeft zijn weigering om de geboortedatum en salarisgegevens op de aanstellingsbesluiten van een verbalisant te verstrekken onvoldoende gemotiveerd. Ook heeft de korpschef eiser in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond, maar ziet aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten omdat de korpschef zijn weigering in het verweerschrift alsnog heeft gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de korpschef openbaarmaking van de gegevens terecht weigeren op grond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob (eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer). Nu gemachtigde van eiser op deze weigeringsgrond ter zitting heeft kunnen reageren, ziet de rechtbank niet in dat opnieuw horen toegevoegde waarde heeft.

Ook heeft eiser verzocht om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is, omdat eiser zijn bezwaargronden niet heeft toegezonden voorafgaand aan de ingebrekestelling. Dit standpunt slaagt niet. De beslistermijn heeft zijn aanvang aan het einde van de bezwaartermijn en dit is niet afhankelijk van een eventuele toezending van bezwaargronden. Daarbij heeft de korpschef geen gebruik gemaakt van zijn mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder niet hoeft te wachten totdat hij de bezwaargronden heeft ontvangen omdat de mogelijkheid bestaat om toepassing te geven aan artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht. De langere beslistermijn dient dan ook voor rekening van de korpschef te komen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/2051

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. V. Quacken),

en

de korpschef van het landelijk politiekorps, namens deze, de politiechef van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. Y. Kuijt).

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een aantal documenten behorende bij beschikking 2670272 verstrekt.

Bij besluit van 12 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit deels gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2013.

Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

1.

Op 22 september 2012 heeft eiser een verzoek gedaan om alle documenten die betrekking hebben op de vermeende overtreding die bij verweerder bekend is onder nummer 2670272. Eiser heeft meegedeeld dat hij onder andere kopieën wil ontvangen van het brondocument, een op ambtseed opgemaakt en op proces-verbaal gelijkend document, waaruit ondubbelzinnig blijkt hoe de vermeende overtreding is waargenomen en de akte van beëdiging van de bevoegde dienstdoende verbalisant.

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser verstrekt:

- het brondocument;

- een op ambtseed opgemaakt en op een proces-verbaal gelijkend document, waaruit ondubbelzinnig blijkt hoe de vermeende overtreding is waargenomen;

- verklaring van eed of belofte.

Een akte van beëdiging is niet aanwezig, omdat de bon is uitgeschreven door een verbalisant. De heer [betrokkene] (verbalisant) is geen buitengewoon opsporingsambtenaar en beschikt om deze reden niet over een akte van beëdiging. Wel is een verklaring aanwezig, waaruit kan worden opgemaakt dat [betrokkene] de eed of belofte heeft afgelegd.

3.

Eiser heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en op 27 januari 2013 zijn gronden van bezwaar toegezonden. Eveneens heeft eiser een verzoek gedaan om toekenning van een dwangsom. Ten slotte heeft eiser bij brief van 27 januari 2013 verweerder verzocht om toezending van afschriften uit verweerders verzendadministratie betreffende de dagen 7, 8, 9 en 10 oktober 2012 waaruit blijkt welke documenten in de bovengenoemde periode naar eiser of diens gemachtigde zijn gestuurd.

4.

Bij brief van 28 februari 2013 heeft eiser een verzoek om toekenning van een dwangsom gedaan omdat verweerder nog niet heeft beslist op zijn verzoek van 27 januari 2013. Bij brief van eveneens 28 februari 2013 heeft eiser verzocht om de verzendadministratie van de afgelopen 30 dagen waaruit blijkt welke documenten er in die periode naar eiser of zijn gemachtigde zijn verstuurd. Voorts heeft eiser bij brief van 28 februari 2013 verweerder in gebreke gesteld omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser gericht tegen het primaire besluit.

5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de ontbrekende documenten bij het bestreden besluit aan eiser verstrekt. De ontbrekende documenten betreffen een drietal aanstellingsbesluiten van verbalisant [betrokkene]. Ten aanzien van de stelling van eiser dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt of de documenten onder de Wet openbaarheid bestuur (Wob) of de Wet politiegegevens (Wpg) vallen, heeft verweerder opgemerkt dat in de rechtspraak de discussie onder welke wet dergelijke verzoeken vallen nog niet is uitgekristalliseerd. Verweerder verklaart het bezwaar deels gegrond en vergoedt de proceskosten ten bedrage van € 472,-. Nu aan het bezwaar tegemoet wordt gekomen, is afgezien van het houden van een hoorzitting. Ten aanzien van het verzoek om toekenning van een dwangsom heeft verweerder overwogen dat de ingebrekestelling prematuur is verzonden. De termijn voor de te nemen beslissing begint te lopen vanaf het moment dat de gronden van het bezwaar kenbaar zijn gemaakt. Dat was op 29 januari 2013. Dit betekent dat de termijn voor het te nemen besluit op bezwaar is gaan lopen op 30 januari 2013. Dat betekent dat eiser de eenheid niet eerder dan 6 maart 2013 in gebreke had kunnen stellen. Tot slot heeft verweerder overwogen dat de verzoeken van 27 januari 2013 en 28 februari 2013 geen verzoeken op grond van de Wob betreffen, aangezien de documenten waar eiser om verzoekt niet zien op een bestuurlijke aangelegenheid. Het gaat om een verzendadministratie die niet te maken heeft met beleidsvorming, -uitvoering of -voorbereiding. De beslistermijn van vier weken is niet gaan lopen. Om eiser tegemoet te komen heeft verweerder informatie verschaft over de verzendadministratie, aldus verweerder.

6.

Bij de beoordeling van het beroep stelt de rechtbank voorop dat eiser ter zitting zijn beroepsgrond dat verweerder ten onrechte niet heeft overwogen of het verzoek van eiser beoordeeld dient te worden op grond van de Wob of de Wpg heeft laten vallen. De rechtbank zal deze beroepsgrond dan ook onbesproken laten.

7.1.

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat de verzoeken van 27 januari 2013 en 28 februari 2013 met betrekking tot de verzendadministratie geen verzoeken in het kader van de Wob zijn.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat de verzoeken met betrekking tot de verzendadministratie niet behoren tot het initiële verzoek om toezending van de stukken van 22 september 2012 waar ook het primaire besluit op ziet. Eerst in het bestreden besluit heeft verweerder zich uitgelaten over deze verzoeken, zodat deze overwegingen kunnen worden aangemerkt als primaire besluiten. Eiser heeft echter ook aangegeven - zowel in zijn beroepschrift als ter zitting - dat hij wil dat de reactie van verweerder op de verzoeken van 27 januari 2013 en 28 februari 2013 in een bezwaarprocedure door verweerder beoordeeld zullen worden. Er is dus geen toestemming op grond van artikel 7:1a van de Awb om de reactie van verweerder op deze verzoeken in beroep te beoordelen. Verweerder dient alsnog te beslissen op de bezwaren van eiser gericht tegen de overwegingen die verweerder in het bestreden besluit heeft gemaakt ten aanzien van de verzoeken van 27 januari 2013 en 28 februari 2013.

8.1.

Voorts heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder niet aan alle bezwaren tegemoet is gekomen. Uit het bestreden besluit volgt niet waarom enkele documenten slechts gedeeltelijk zijn verstrekt. Het bestreden besluit is daarom niet deugdelijk gemotiveerd, aldus eiser.

8.2.

De rechtbank volgt dit standpunt van eiser. De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar drie aanstellingsbesluiten van verbalisant [betrokkene] aan eiser heeft verstrekt, maar dat op deze documenten de geboortedatum en salarisgegevens zijn weggelakt. Uit het bestreden besluit volgt niet dat verweerder heeft geweigerd om deze gegevens te verstrekken en op welke weigeringsgrond uit de Wob deze weigering berust. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende gemotiveerd.

9.1.

Eiser heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte niet is gehoord. Verweerder mocht niet afzien van het horen omdat het bezwaar gedeeltelijk gegrond is verklaard, aldus eiser. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat terecht van horen is afgezien. Met het bestreden besluit is een gebrek in het primaire besluit hersteld en hiermee is volledig tegemoet gekomen aan het bezwaar van eiser. Eiser heeft immers alle documenten ontvangen die zien op de genoemde bestuurlijke aangelegenheid.

9.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat op de bezwaarfase gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het primaire besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013. Op grond van artikel 7:3, zoals het artikel toen luidde, kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien: (…) d. aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

9.3.

Uit overweging 8.2 volgt dat verweerder, door bepaalde gegevens in de verstrekte documenten niet te verstrekken, niet geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van eiser. Gelet op artikel 7:3 van de Awb had verweerder daarom niet mogen afzien van het horen van eiser. Het bestreden besluit kan ook om die reden niet in stand blijven.

10.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 8.2 en 9.3 zal het beroep gegrond worden verklaard en het bestreden besluit worden vernietigd.

11.1

De rechtbank ziet echter wel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder in het verweerschrift heeft gesteld dat de verstrekking van de geboortedatum en salarisgegevens van verbalisant [betrokkene] is geweigerd op grond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. Hierin is bepaald dat het verstrekken van informatie op grond van de Wob eveneens achterwege blijft voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting op dit standpunt van verweerder kunnen reageren. Niet valt in te zien dat opnieuw horen door verweerder toegevoegde waarde heeft. Dat gemachtigde voorafgaand aan de zitting geen contact heeft gehad met zijn cliënt, leidt niet tot een ander oordeel. Gemachtigde is immers inhoudelijk volledig op de hoogte van deze zaak.

11.2.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennisgenomen van de niet-verstrekte gegevens. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze gegevens, bezien in de context van de documenten waarin ze zijn opgenomen en in combinatie met andere gegevens, worden aangemerkt als gegevens waarvan de bekendmaking tot eenvoudige identificatie van verbalisant [betrokkene] kunnen leiden. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat artikel 10, tweede lid onder e, van de Wob in de weg staat aan de openbaarmaking van de geboortedatum en de salarisgegevens van verbalisant [betrokkene].

12.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen.

13.1.

Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb bepaalt dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen staat dan ook beroep bij de rechtbank open.

13.2.

Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb bepaalt dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra:

  1. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en;

  2. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

13.3.

In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing. In het tweede lid is bepaald dat de dwangsom de eerste veertien dagen € 20, - per dag bedraagt, de daaropvolgende veertien dagen € 30, - per dag en de overige dagen € 40, - per dag. Op grond van het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

13.4.

Op grond van artikel 7:10, eerste lid, van de Awb dient een bestuursorgaan binnen een termijn van zes weken te beslissen op een bezwaarschrift. Deze termijn gaat lopen vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Hierom eindigde de bezwaartermijn van het primaire besluit van 9 oktober 2012 op 20 november 2012. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 1 januari 2013 een besluit op het bezwaar had moeten nemen. Na het verstrijken van deze termijn heeft eiser verweerder bij brief van 27 januari 2013 in gebreke gesteld en verweerder een termijn van twee weken gegeven om alsnog op het bezwaar te beslissen. Dit betekent dat verweerder tot en met 11 februari 2013 het besluit kon nemen zonder een dwangsom te verbeuren. Verweerder heeft echter pas op 12 maart 2013 een besluit op het bezwaar genomen.

13.5.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is omdat dat eiser zijn bezwaargronden niet heeft toegezonden. Pas na ontvangst van de bezwaargronden is de beslistermijn gaan lopen, aldus verweerder. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit overweging 12.4 volgt immers dat de beslistermijn zijn aanvang heeft aan het einde van de bezwaartermijn en is dit niet afhankelijk van een eventuele toezending van bezwaargronden. Verweerder heeft hierbij geen gebruik gemaakt van zijn mogelijkheid om de beslistermijn te verlengen. Hierbij merkt de rechtbank op dat verweerder niet af hoeft te wachten totdat hij de bezwaargronden heeft ontvangen omdat de mogelijkheid bestaat om toepassing te geven aan artikel 6:6 van de Awb. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de langere beslistermijn voor rekening van verweerder dient te komen en dat verweerder een dwangsom verschuldigd is. De dwangsom wordt als volgt berekend:

- de eerste veertien dagen (12 februari 2013 tot en met 26 februari 2013) € 20, - per dag is € 280, - ;

- de daaropvolgende dertien dagen (27 februari 2013 tot en met 11 maart 2013) € 30, - per dag is € 390, -;

De door verweerder verbeurde dwangsom beloopt daarmee in totaal € 670, -.

13.6.

De rechtbank veroordeelt verweerder daarom tot betaling aan eiser van een dwangsom van € 670, -. binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een dwangsom aan eiser tot een bedrag van € 670,-, binnen zes weken na de datum van de uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B. Kleiss, rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschrift verzonden op:

D:C

SB