Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9563

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AMS 13-3454
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerder dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht doordat hij zou hebben opgegeven te verblijven op het adres van een vriend, terwijl na onderzoek is gebleken dat eiser daar niet slaapt maar overal en nergens. Eiser heeft gedurende de aanvraagprocedure steeds aangegeven dat hij dakloos is en af en toe bij een vriend slaapt. Indien verweerder van mening was dat eiser door zijn verblijf op het adres van de vriend niet als dakloze kon worden aangemerkt, had het op zijn weg gelegen om te controleren of eiser daar daadwerkelijk bestendig verblijf had. Nu verweerder dat heeft nagelaten, kan niet meer worden vastgesteld of eiser bestendig verblijf had op dat adres. Uit de door eiser verstrekte informatie en de verklaring van de vriend blijkt dat eiser maar kort bij hem heeft verbleven. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat eiser recht heeft op bijstand over de periode van 9 december 2012 tot en met 17 maart 2013 naar de norm voor een dakloze. Verweerder heeft de vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase gematigd met 50% omdat eiser gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. De rechtbank oordeelt echter dat voor een vermindering van het bedrag aan proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, tweede lid, van het Bpb niet beslissend is of eiser gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, maar of eiser op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld. Nu verweerder in het bestreden besluit alsnog bijstand heeft toegekend, ook al is dat per een latere datum dan de aanvraag, is eiser niet op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen volledige proceskostenvergoeding van € 944,- toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/3454

uitspraak van de enkelvoudige kamer op 31 december 2013 in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.W.F. Menick,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde mr. C.J. Telting.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 27 november 2012 om een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) afgewezen.

Bij besluit van 16 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en bijstand toegekend vanaf 18 maart 2013.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser bijstand toegekend met ingang van 18 maart 2013. Daarbij heeft verweerder aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 472,-.

2.

Tussen partijen is in geschil of eiser ook recht heeft op bijstand over de periode van 27 november 2012 tot en met 17 maart 2013 en of verweerder de proceskostenvergoeding mocht matigen met 50%.

3.1.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden. Eiser heeft zich op 27 november 2012 gemeld om bijstand aan te vragen. Eiser heeft toen een zogenaamd
-dagen formulier meegekregen. Uit het door eiser ingevulde formulier is gebleken dat hij in de periode van 27 november 2012 tot en met 3 december 2012 het merendeel van de week in Zaandam heeft verbleven. Op 4 december 2012 heeft eiser wederom een 7-dagen formulier meegekregen. Uit dat ingevulde formulier is gebleken dat eiser in de periode van 4 tot en met 8 december 2012 in Zaandam heeft verbleven en op 9 en 10 december 2012 in de winteropvang in Amsterdam. Op 11 december 2012 heeft eiser wederom een
7-dagenformulier meegekregen. Daaruit is gebleken dat hij van 11 tot en met 13 december 2012 in de winteropvang in Amsterdam heeft verbleven en vanaf 14 december 2012 bij een vriend, de heer M. [naam], op de [adres] te Amsterdam.

3.2.

Op 18 december 2012 heeft eiser een aanvraagformulier ingediend, waarop hij heeft aangegeven dakloos te zijn en af en toe bij een vriend te verblijven. Voorts heeft eiser op 18 december 2012 een gesprek gehad bij het klantenteam bijzondere doelgroepen. Verweerder heeft uit dat gesprek geconcludeerd dat eiser een vaste verblijfplaats heeft op de [adres]. Verweerder heeft eiser daarop doorverwezen naar het Werkplein Oost voor een aanvraag om bijstand, omdat verweerder hem niet langer als dakloze heeft aangemerkt. Daar is hem onder andere verzocht een hoofdbewonersverklaring over te leggen. Eiser heeft een op 10 januari 2013 ondertekende hoofdbewonersverklaring overgelegd, waarin de hoofdbewoner [naam] heeft verklaard dat eiser sinds 9 december 2012 bij hem inwonend is op het adres [adres].

3.3.

Uit informatie van passantenverblijf HVO-Querido blijkt dat eiser van 15 tot en met 28 januari 2013 in de winteropvang heeft verbleven.

3.4.

Op 14 februari 2013 heeft verweerder telefonisch contact opgenomen met [naam]. In dit gesprek heeft [naam] vermeld dat hij eiser al 1,5 à 2 weken niet heeft gezien en heeft hij laten weten dat eiser niet echt bij hem verblijft omdat hij is gesteld op zijn privacy. Vervolgens heeft verweerder eiser opgeroepen om te verschijnen op een gesprek op 18 februari 2013. Eiser heeft tijdens dit gesprek verklaard dat hij vanaf begin december 2012 al niet meer bij [naam] woont. Hij heeft daar tien dagen verbleven. Eiser heeft daarbij aangegeven dat hij al zeker twee jaar op en van de straat leeft en dat hij in auto’s slaapt die hij openbreekt. Eiser heeft daarbij zijn rugtas getoond met daarin al zijn eigendommen en het breekijzer dat hij voor het openbreken van auto’s gebruikt.

4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht. Verweerder heeft hiertoe gesteld dat eiser heeft opgegeven te verblijven op de [adres], maar dat na onderzoek is gebleken dat eiser daar niet slaapt, maar overal en nergens. Hierdoor is de woonsituatie van eiser en derhalve het recht op bijstand niet vast te stellen. Gedurende de bezwaarprocedure heeft verweerder een nieuw onderzoek gedaan. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen met afsluitdatum 6 mei 2013. Op grond van deze bevindingen heeft verweerder bij het bestreden besluit geconcludeerd dat eiser vanaf 18 maart 2013 in maatschappelijke opvang verblijft, zodat eiser vanaf die datum in aanmerking komt voor bijstand. Voor wat betreft de periode van 27 november 2012 tot 18 maart 2013 heeft verweerder gesteld dat er sprake is van oncontroleerbare en niet verifieerbare gegevens omdat eiser overal en nergens in auto’s slaapt, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

5.

Eiser heeft aangevoerd dat hij maar kort op de [adres] heeft kunnen verblijven en dat hij op straat leeft en elke avond in een andere auto slaapt, waardoor het moeilijk is om zijn verblijfssituatie aan te tonen. Als verweerder hem dat had verteld had eiser elke dag kunnen aangeven in welke auto hij ging slapen. Eiser is van mening dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht.

6.

Het is vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat bij aanvragen om bijstand de bewijslast ter zake van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf rust (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 27 januari 2009 ECLI:NL:CRVB:2009: BH2381). Voorts dient volgens vaste rechtspraak van de CRvB de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven voor de beoordeling van (de voortzetting van) het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 17 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BV1751).

7.1.

De rechtbank stelt vast dat eiser tot en met 8 december 2012 het merendeel van de week in Zaandam heeft verbleven. In deze periode bestond er voor eiser gelet op artikel 40 van de WWB geen recht op bijstand jegens verweerder.

7.2.

Vanaf 9 december 2012 heeft eiser in Amsterdam in de winteropvang verbleven. In zoverre is het dus juist dat eiser bij zijn aanvraag heeft opgegeven dakloos te zijn. Tijdens het gesprek op 18 december 2012 heeft verweerder niettemin geconcludeerd dat eiser niet als dakloze kan worden aangemerkt omdat hij een vaste verblijfplaats zou hebben op het adres [adres]. Verweerder heeft vervolgens echter niet, bijvoorbeeld middels een huisbezoek, gecontroleerd of eiser daadwerkelijk woonachtig was op de [adres]. Voorts staat vast dat eiser van 15 tot en met 28 januari 2013 weer in de winteropvang heeft verbleven en dat hij ten tijde van het gesprek op 18 februari 2013 weer op straat leefde en in auto’s overnachtte. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eiser op dat moment in ieder geval weer als dakloze moeten aanmerken en maatwerk moeten verrichten zoals dat is omschreven in zijn beleid ‘de Uitvoeringspraktijk Werk en Bijstand’, paragrafen 4.8.1. en 4.8.2. Verweerder had eiser erop moeten wijzen dat hij gedurende de aanvraagprocedure elke dag zijn verblijf van de komende nacht moet doorgeven via sms, bellen, e-mail of een briefje in de grijze brievenbus bij de Werkpleinen of IJsbaanpad.

7.3.

Nu verweerder zowel heeft nagelaten om onderzoek te doen naar eisers verblijf op de [adres] als om maatwerk te verrichten op het moment dat eiser in ieder geval weer dakloos was, is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het beroep is dus gegrond. De rechtbank deelt niet het standpunt van verweerder dat eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenplicht doordat hij zou hebben opgegeven te verblijven op de [adres], terwijl na onderzoek is gebleken dat eiser daar niet slaapt maar overal en nergens. Eiser heeft gedurende de aanvraagprocedure steeds aangegeven dat hij dakloos is en af en toe bij [naam] op de [adres] slaapt. Indien verweerder van mening was dat eiser door zijn verblijf op de [adres] niet als dakloze kon worden aangemerkt, had het op zijn weg gelegen om te controleren of eiser daar daadwerkelijk bestendig verblijf had. Nu verweerder dat heeft nagelaten, kan niet meer worden vastgesteld of eiser bestendig verblijf had op dat adres. Uit de door eiser verstrekte informatie en de verklaring van [naam] op 14 februari 2013 blijkt dat eiser maar kort op de [adres] heeft verbleven.

8.

Ten aanzien van de toegekende vergoeding voor de proceskosten in de bezwaarfase overweegt de rechtbank dat op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in beginsel één punt voor het bezwaarschrift en één punt voor de hoorzitting en een wegingsfactor 1 moet worden berekend. Vermenigvuldigd met een tarief per punt van € 472,- komt dat neer op een vergoeding van € 944,-. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser gedeeltelijk in het gelijk is gesteld en heeft de vergoeding op grond van artikel 4 van zijn ‘Beleidsregels Wegingsfactoren Kosten in de bezwaarfase Werk en Inkomen’ gematigd met 50% tot € 472,-. De rechtbank is echter van oordeel dat voor een vermindering van het bedrag aan proceskostenvergoeding op grond van artikel 2, tweede lid, van het Bpb niet beslissend is of eiser gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, maar of eiser op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AW1316). De rechtbank is van oordeel dat nu verweerder in het bestreden besluit alsnog bijstand heeft toegekend, ook al is dat per een latere datum dan de aanvraag, eiser niet op een punt van ondergeschikt belang in het gelijk is gesteld. Verweerder heeft daarom ten onrechte geen volledige proceskostenvergoeding van € 944,- toegekend. Het beroep is ook op dit punt gegrond.

9.

Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 7.3 en 8 is geoordeeld, zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:12, eerste lid, en 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

10.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Aangezien verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht, kan het niet aan eiser worden toegerekend dat thans niet meer per dag is te herleiden waar eiser exact heeft verbleven in de periode van 9 december 2012 tot en met 17 maart 2013. Gelet daarop zal de rechtbank het primaire besluit herroepen en bepalen dat eiser recht heeft op bijstand over de periode van 9 december 2012 tot en met 17 maart 2013 naar de norm voor een dakloze. Verder zal de rechtbank eiser een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekennen van € 944,-. Bij de uitbetaling daarvan mag verweerder hetgeen reeds aan vergoeding is uitbetaald in mindering brengen.

11.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten begroot op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 472,- en wegingsfactor 1). Aangezien het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder tevens het door eiser betaalde griffierecht van € 44,- aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 5 maart 2013;

- bepaalt dat aan eiser bijstand wordt toegekend over de periode van 9 december 2012 tot en met 17 maart 2013;

- bepaalt dat verweerder de proceskosten van eiser voor de bezwaarfase vergoedt tot een bedrag van € 944,- (zegge: negenhonderd vierenveertig euro);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 44,- (zegge: vierenveertig euro) vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 944,- (zegge: negenhonderd vierenveertig euro) te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter,

in aanwezigheid van mr. N. Strikwerda, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2013.

de griffier,

de rechter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB