Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9530

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
13-611
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling, vreemdeling, uitzetting, artikel 6, tweede lid, IVRK

“Hangende de verblijfsrechtelijke procedure, of na ommekomst daarvan, kan zich de situatie voordoen dat de minderjarige zodanig onder de dreiging van een mogelijke, dan wel inmiddels nakende, uitzetting gebukt gaat, dat sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen en/of gezondheid van die minderjarige als bedoeld in artikel 254, eerste lid, BW. Ook kan zich de situatie voordoen dat aannemelijk is dat de feitelijke uitzetting naar een ander land een dergelijke bedreiging voor de minderjarige ten gevolge zal hebben. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 1992 (NJ 1992, 541) leidt de rechtbank af dat indien zich een van deze situaties voordoet, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald dan wel, naar is te voorzien, zullen falen, de rechter over kan gaan tot het uitspreken van een ondertoezichtstelling van die minderjarige.

Het gevolg hiervan is dat daar waar op grond van het vreemdelingenrecht geen recht op verblijf wordt vergund, langs de band van het jeugdrecht alsnog recht op (tijdelijk) verblijf kan ontstaan wanneer voldaan is aan de criteria voor een ondertoezichtstelling. Deze uitkomst komt overeen met artikel 6, tweede lid, IVRK waarin is bepaald dat staten die partij zijn bij dit verdrag in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind waarborgen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0120

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Ondertoezichtstelling

Zaaknummer: 13-611/539597

[jw.sys.1.zaaknummer]Beschikking van de rechtbank, meervoudige kamer, naar aanleiding van het verzoekschrift van [moeder] (de moeder) ingediend door haar raadsman mr. A. El Aqde,

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren te [stad] op [datum].

[moeder], wonende te [stad], is de moeder.

[vader], wonende te [stad], is de vader.

De ouders zijn belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

Als belanghebbende is aangemerkt: de moeder.

1 Verloop van de procedure

Op 9 april 2013 heeft de mr. El Aqde namens de moeder een verzoekschrift met bijlagen ingediend, strekkende tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarige voor de duur van één jaar.

Ter terechtzitting van 21 mei 2013 is de behandeling van het verzoek aangehouden, onder meer in afwachting van een beslissing door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) inzake de verblijfsstatus van [minderjarige]. De rechtbank verwijst voor het verdere verloop naar het proces-verbaal van voornoemde terechtzitting.

De rechtbank heeft nadien kennisgenomen van de beslissing van de IND, d.d. 14 oktober 2013, inhoudende de afwijzing van het verzoek tot verlenging van de verblijfsvergunning.

Op 17 december 2013 heeft de rechtbank het verzoek ter terechtzitting met gesloten deuren voortgezet.

Verschenen en gehoord zijn:

  • -

    de minderjarige, afzonderlijk gehoord,

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. El Aqde en de heer [naam 1], tolk in de Arabische taal,

  • -

    mevrouw [naam 2], namens de Raad voor de Kinderbescherming (Raad),

  • -

    mevrouw [naam 3], namens het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA).

2 Standpunten van partijen en belanghebbenden

De raadsman heeft namens de moeder het verzoek tot ondertoezichtstelling gehandhaafd.

Bij [minderjarige] is sprake van angstklachten. Deze angsten betreffen het ontmoeten van haar vader en het uitgezet worden naar Marokko. De aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning ‘Beschikking conform Minister’ is afgewezen. In de motivering van deze afwijzing heeft de IND van groot belang geacht dat er geen ondertoezichtstelling is. De IND heeft het standpunt ingenomen dat geen sprake is van inmenging in het familie- of gezinsleven (artikel 8 EVRM). De raadsman heeft betoogd dat de IND in zekere zin verkeerd is geïnformeerd aangezien de behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling is aangehouden en er derhalve nog een beslissing door de rechtbank moet worden genomen. In de afwijzingsbeslissing is de IND verder niet ingegaan op de andere namens de moeder aangevoerde omstandigheden. De raadsman heeft verklaard dat hij tegen de beslissing bezwaar heeft gemaakt.

De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij nog geen vooruitgang in de situatie van [minderjarige] ziet. [minderjarige] is nog steeds erg angstig. Ze heeft nog veel last van onverwerkte trauma’s, slaapt onrustig en is regelmatig in paniek als zij denkt dat zij haar vader ergens ziet. [minderjarige] vindt het moeilijk om contacten op te bouwen en te onderhouden met jongens en mannen. Daarnaast is zij bang dat zij ieder moment naar Marokko kan worden gestuurd. Moeder vervolgt dat de behandeling bij InGeest is gestopt. [minderjarige] is wel doorverwezen naar een maatschappelijk werkster van school zodat zij met iemand over haar angsten kan blijven praten. Desgevraagd heeft moeder verklaard dat zij heeft vernomen dat vader hertrouwd is. Hij heeft met geen van zijn kinderen contact.

Namens de Raad heeft mevrouw [naam 2] ter zitting naar voren gebracht dat [minderjarige] een veerkrachtig maar kwetsbaar meisje is. Er is sprake van een traumatisch verleden waar een aantal angsten uit voort zijn gekomen. Met behulp van begeleiding en behandeling in het vrijwillig kader houdt zij zich goed staande en kon de bedreiging in haar ontwikkeling vooralsnog worden afgewend. Daarnaast kampen [minderjarige] en haar moeder echter met de onzekerheid en angst voor een uitzetting. Nu de aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen, betreft dit een reële angst, hetgeen een onvoorspelbare en kwetsbare opvoedsituatie in de hand werkt. Mevrouw [naam 2] benadrukt dat een (dreiging van) uitzetting een ernstige bedreiging oplevert voor een kind dat in Nederland is geboren en getogen. Zeker nu [minderjarige] de Arabische taal niet machtig is, zij slechts één keer in Marokko is geweest, en er behoudens een zieke oude overgrootmoeder geen sprake is van een netwerk. Een uitzetting zou een enorme ontworteling in het leven van [minderjarige] betekenen. Zowel psychisch als fysiek. De vraag die beantwoord moet worden is of er een andere manier is om die bedreiging af te wenden dan middels een ondertoezichtstelling. De Raad is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, mede gelet op het feit dat de aanvraag onder meer is afgewezen omdat er geen sprake is van een ondertoezichtstelling. Mevrouw [naam 2] adviseert derhalve namens de Raad de ondertoezichtstelling uit te spreken.

Desgevraagd heeft mevrouw [naam 2] ter zitting nog verduidelijkt dat de ernstige bedreiging die er moet zijn om een ondertoezichtstelling uit te kunnen spreken, bij [minderjarige] bestaat uit zogenaamde “gestapelde” problematiek. Zij heeft in het verleden veel huiselijk geweld meegemaakt en is daardoor getraumatiseerd. Dit maakt haar reeds kwetsbaar. Daarbovenop komt de dreiging van uitzetting naar Marokko terwijl zij in Nederland is geboren en getogen en zij in Marokko in feite niets en niemand heeft. Een dreigende uitzetting leidt niet bij ieder kind direct tot een ernstige bedreiging in de zin van artikel 1:254 van het BW. Bij [minderjarige], die al veel heeft meegemaakt en getraumatiseerd is, is dit anders. Het is de combinatie van factoren die maakt dat de bedreiging ontstaat.

Mevrouw [naam 3] heeft ter zitting namens het BJAA naar voren gebracht dat de behandeling van [minderjarige] bij InGeest in november is afgerond. Bij de intake leek het erop dat sprake was van psychiatrische problematiek. In de loop van de behandeling is gebleken dat hiervan geen sprake is. Wel zijn de angsten van [minderjarige] gebleven. [minderjarige] heeft de gesprekken bij InGeest als prettig ervaren. Echter, gelet op het gebrek aan psychiatrische problematiek hoort zij niet langer thuis bij InGeest. De behandelaar heeft [minderjarige] wel doorverwezen naar een maatschappelijk werkster op haar school omdat het van groot belang is dat zij met een vertrouwenspersoon kan blijven praten. Het is gebleken dat [minderjarige] een sterk meisje is en zij heeft in de afgelopen periode wel degelijk vooruitgang gemaakt. Op school heeft zij het ook weer meer naar haar zin en is zij omringd door vriendinnen. Het BJAA vraagt zich af in hoeverre een ondertoezichtstelling in deze zaak van meerwaarde kan zijn, maar sluit zich wel aan bij hetgeen de Raad heeft gezegd over de gevolgen voor [minderjarige] van een gedwongen verblijf in Marokko.

[minderjarige] heeft ter zitting – verkort en zakelijk weergegeven - verklaard dat zij nog angstig is voor haar vader en voor een gedwongen vertrek naar Marokko. Zij kan zich niets voorstellen bij een leven daar. De enige keer dat zij in Marokko is geweest – in 2012 op bezoek bij haar zieke overgrootmoeder - wilde zij na twee weken weer dolgraag terug naar huis.

3 Overwegingen en oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat bij de vraag of [minderjarige] onder het bereik van artikel 1:254 BW valt, verblijfsrechtelijke omstandigheden een grote rol spelen. De rechtbank ziet daarom aanleiding eerst de navolgende inleidende en algemene opmerkingen te maken.

Inleidende opmerkingen

De vraag of een minderjarige vreemdeling1 in Nederland mag verblijven is een vraag die primair langs de lijnen van het vreemdelingenrecht moet worden beantwoord. Indien de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afwijzend op een verblijfsaanvraag beslist, staat tegen deze afwijzing de weg van bezwaar en/of beroep open. Indien de procedure niet uitmondt in een recht op verblijf, dient de minderjarige vreemdeling Nederland in beginsel te verlaten.

Hangende de verblijfsrechtelijke procedure, of na ommekomst daarvan, kan zich de situatie voordoen dat de minderjarige zodanig onder de dreiging van een mogelijke, dan wel inmiddels nakende, uitzetting gebukt gaat, dat sprake is van een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen en/of gezondheid van die minderjarige als bedoeld in artikel 254, eerste lid, BW. Ook kan zich de situatie voordoen dat aannemelijk is dat de feitelijke uitzetting naar een ander land een dergelijke bedreiging voor de minderjarige ten gevolge zal hebben.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 5 juni 1992 (NJ 1992, 541) leidt de rechtbank af dat indien zich een van deze situaties voordoet, en andere middelen ter afwending van die bedreiging hebben gefaald dan wel, naar is te voorzien, zullen falen, de rechter over kan gaan tot het uitspreken van een ondertoezichtstelling van die minderjarige.

Voorts begrijpt de rechtbank de motivering van de afwijzende beschikking op[minderjarige] verblijfaanvraag2 aldus dat indien een niet-rechtmatig in Nederland verblijvende minderjarige vreemdeling onder toezicht wordt gesteld, hij in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘Beschikking conform Minister’.

Het gevolg van het voorgaande is dat daar waar op grond van het vreemdelingenrecht geen recht op verblijf wordt vergund, langs de band van het jeugdrecht alsnog recht op (tijdelijk) verblijf kan ontstaan wanneer voldaan is aan de criteria voor een ondertoezichtstelling. De rechtbank begrijpt dat dit op het eerste oog kan overkomen als een ongewenste of in ieder geval onzuivere inmenging door het jeugdrecht op een primair verblijfsrechtelijk vraagstuk. Bij nadere doordenking van de situatie is daar naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van nu de twee rechtsgebieden hun eigen invalshoek, regelgeving en toetsingskader hebben. De rechtbank sluit daarbij aan bij hetgeen AG Moltmaker heeft overwogen in zijn conclusie bij voornoemd arrest van de Hoge Raad. De enkele dreigende uitzetting hoeft niet altijd mee te brengen dat er een ernstige bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen en/of gezondheid van die minderjarige ontstaat, als bedoeld in artikel 254, eerste lid, BW.

Naar het oordeel van de rechtbank zal het sterk van de individuele casus afhangen of die bedreiging door de (dreigende) uitzetting in het leven wordt geroepen. De voorgeschiedenis van het kind, de psychische en lichamelijke toestand van het kind, de gezinssituatie, de worteling in Nederland en/of het buitenland, en mogelijk andere ouder- en kindfactoren dienen te worden bezien in samenhang met de (dreigende) uitzetting om te bepalen of zich al dan niet de bedreiging voordoet die er moet zijn om te komen tot een ondertoezichtstelling.

De rechtbank acht zich in voorgaande overwegingen en de consequentie dat via het jeugdrecht alsnog recht op verblijf kan worden gegenereerd, gesterkt door de specifieke opdracht die van artikel 6, tweede lid, van het IVRK uitgaat. Ingevolge voornoemd artikellid waarborgen de Staten die partij zijn bij dit verdrag in de ruimst mogelijke mate de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van het kind. Naar het oordeel van de rechtbank behelst de specifieke zorgplicht van dit artikellid niet alleen de minderjarige die op het eigen grondgebied verblijft maar ook de minderjarige die wordt uitgezet. De Staat dient zich er alsdan van te vergewissen dat de mogelijkheden tot overleven en de ontwikkeling van dat kind in het andere land gewaarborgd zijn te achten. Indien dat laatste niet het geval is, kan de Staat niet tot uitzetting overgaan en zal zij de mogelijkheden tot overleven en ontwikkeling op het eigen grondgebied dienen te waarborgen.

De onderhavige casus

De vraag waar de rechtbank zich thans voor ziet geplaatst is of aannemelijk is dat de

(dreiging van) uitzetting naar Marokko voor [minderjarige] ernstige schade van psychische of lichamelijke aard ten gevolge zal hebben. Voor de beantwoording van die vraag zijn de volgende omstandigheden van belang.

[minderjarige] is een inmiddels [leeftijd] meisje dat in Nederland is geboren en, als gevolg van een keuze van haar ouders, haar hele leven in Nederland heeft gewoond. [minderjarige] gaat in Nederland naar school en heeft hier te lande haar sociale leven. [minderjarige] spreekt Nederlands en is de in Marokko gangbare talen niet machtig. Zij is voor een korte periode, eenmalig, in Marokko geweest en vond het daar niet leuk. De familie van [minderjarige] verblijft in Nederland en België. Het enige in Marokko verblijvende familielid is een zieke overgrootmoeder.

[minderjarige] is een kwetsbaar meisje. Zij heeft een traumatisch verleden – huiselijk geweld - waar angsten uit voort zijn gekomen. [minderjarige] slaapt onrustig, raakt in paniek als zij haar vader meent te zien en vindt het in het algemeen moeilijk om contacten op te bouwen en te onderhouden met jongens of mannen. [minderjarige] is voor deze angsten bij InGeest in behandeling geweest. De behandeling is, bij gebreke van een psychiatrische component in de klachten, na een aantal sessies beëindigd. Thans heeft [minderjarige], via school, noodzakelijk geachte begeleiding van een maatschappelijk werkster.

De afwijzing van de verblijfsaanvraag zorgt voor een onvoorspelbare en kwetsbare opvoedsituatie. [minderjarige] heeft grote angst om naar Marokko te worden uitgezet.

Uitzetting naar Marokko zal een enorme fysieke én psychische ontworteling van [minderjarige]leven betekenen.

Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank met de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat de dreiging van de uitzetting naar Marokko een ernstige bedreiging van de geestelijke belangen en gezondheid van [minderjarige] oplevert. Voorts is het aannemelijk dat de uitzetting zelf voor [minderjarige] ernstige schade van psychische of lichamelijke aard ten gevolge zal hebben. Dat de moeder eventueel samen met [minderjarige] zou worden uitgezet, maakt dit laatste niet anders.

Nu afwijzend is beslist op [minderjarige] verblijfaanvraag en voornoemde bedreiging aldus niet op een andere manier dan via het uitspreken van een ondertoezichtstelling kan worden gekeerd, ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van de moeder toe te wijzen.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING:

De kinderrechter:

- stelt voornoemde minderjarige onder toezicht met ingang van 17 december 2013 voor de duur van een jaar;

- bepaalt dat de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door het Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, gevestigd te Amsterdam;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door

mr. R.H.G. Odink, voorzitter tevens kinderrechter,

mrs. R.H. de Vries en mr. H.J.M. Baldinger rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Nijland griffier.3

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2013.

1 Met de term vreemdeling wordt bedoeld de vreemdeling als omschreven in artikel 1, aanhef en onder m, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Beschikking van 14 oktober 2013

3 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH / fax: 020 – 541 1899).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.