Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9524

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
11-02-2014
Zaaknummer
C/13/537276 / HA ZA 13-263
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming betalingsregeling. Veroordeling onder voorwaarde. Voldoende belang bij vordering. Artikel 3:296 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/537276 / HA ZA 13-263

Vonnis van 4 december 2013

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.P.W. Tonen,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. L. Keukens, die zich als zodanig in deze procedure heeft onttrokken.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 26 februari 2013 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 15 mei 2013 met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 29 mei 2013 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] en zijn voormalige partner [eiseres] zijn in 2005 met ABN AMRO (hierna: de bank) een tweetal kredietovereenkomsten aangegaan, op grond waarvan de bank aan hen een krediet tot maximaal € 1.000,-- en een krediet tot maximaal € 35.000,-- ter beschikking heeft gesteld (hierna: de kredietovereenkomsten). [gedaagde] heeft de kredieten volledig opgenomen. [eiseres] en [gedaagde] zijn hoofdelijk verbonden jegens de bank tot terugbetaling van de kredieten.

2.2

[eiseres] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [gedaagde] voor tijdige en algehele aflossing van de kredieten aan de bank zou zorg dragen en [eiseres] ter zake zou vrijwaren van aanspraken van de bank. [gedaagde] heeft niet voldaan aan de aflossingsverplichtingen jegens de bank, waardoor de geleende bedragen vermeerderd met rente en kosten geheel opeisbaar zijn geworden. Per 21 februari 2012 bedroegen de vorderingen van de bank uit hoofde van de kredietovereenkomsten op [eiseres] en [gedaagde] respectievelijk € 2.480,-- en € 52.800,86.

2.3

Wegens deconfiture van [gedaagde] heeft de bank [eiseres] aangesproken tot terugbetaling van deze vorderingen. [eiseres] is ter aflossing van de vorderingen met de bank een betalingsregeling overeengekomen van € 50,-- per maand (hierna: de betalingsregeling). [eiseres] en [gedaagde] zijn overeengekomen dat [gedaagde] de bedragen die [eiseres] volgens de betalingsregeling aflost, per ommegaand aan haar zal vergoeden. Tot de dag van dagvaarding heeft [eiseres] aan de bank een bedrag van € 2.080,- en nadien nog een bedrag van € 100,-- afgelost zonder dat zij daarvoor vergoeding van [gedaagde] heeft ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis wordt veroordeeld om:

  • -

    aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 2.080,-- te vermeerderen met € 50,-- per maand, alsmede de overige bedragen die [eiseres] na februari 2013 ter aflossing van de kredietovereenkomsten heeft voldaan;

  • -

    aan [eiseres] te voldoen de wettelijke rente over € 2.080,-- vanaf de dag der dagvaarding en over de afzonderlijke nadien door [eiseres] betaalde aflossingsbedragen vanaf de datum dat deze daadwerkelijk door haar zijn voldaan, tot aan de dag der algehele voldoening door gedaagde;

  • -

    de proceskosten aan [eiseres] te voldoen.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde wettelijke rente en proceskostenveroordeling.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de betalingsafspraken tussen partijen (rov. 2.3) is [gedaagde] gehouden om de bedragen die [eiseres] ter aflossing van de kredietovereenkomsten aan de bank heeft betaald aan [eiseres] te vergoeden. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [eiseres] tot de dag van de dagvaarding (te weten 26 februari 2013) een bedrag van € 2.080,- aan de bank heeft afgelost zonder dat [gedaagde] dat bedrag aan [eiseres] heeft vergoed, zal de vordering van [eiseres] tot betaling door [gedaagde] van dat bedrag worden toegewezen. Gelet op die betalingsafspraken zal ook de vordering van [eiseres] tot betaling door [gedaagde] van de bedragen die zij na 26 februari 2013 ter aflossing van de kredietovereenkomsten aan de bank heeft voldaan en die [gedaagde] niet aan [eiseres] heeft vergoed, worden toegewezen.

4.2

De rechtbank begrijpt de vordering van [eiseres] verder zo dat zij tevens vordert dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan haar te vergoeden die bedragen die zij na datum vonnis volgens de betalingsregeling aan de bank zal aflossen. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [gedaagde] de met [eiseres] getroffen betalingsafspraken in het verleden niet regelmatig en volledig is nagekomen, heeft [eiseres] voldoende belang bij deze vordering. [gedaagde] heeft de vordering niet betwist, zodat hij op grond van artikel 3:296 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek tevens zal worden veroordeeld om - indien en voor zover [eiseres] na datum dagvaarding volgens de betalingsregeling aflost aan de bank - het bedrag van de betreffende aflossing per ommegaande aan [eiseres] te vergoeden.

4.3

Over het bedrag van € 2.080,-- zal de wettelijke rente - zoals onvoldoende betwist is gevorderd - worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding. Over de bedragen die [eiseres] na 26 februari 2013 ter aflossing van de kredietovereenkomsten aan de bank heeft voldaan en die [gedaagde] niet aan [eiseres] heeft vergoed, zal de wettelijke rente - zoals ook onvoldoende betwist is gevorderd - worden toegewezen vanaf de datum dat de betreffende aflossingsbedragen door [eiseres] aan de bank zijn voldaan. Ook de gevorderde wettelijke rente over de na datum vonnis door [eiseres] nog aan de bank te betalen - en door [gedaagde] aan [eiseres] te vergoeden - aflossingsbedragen is toewijsbaar, met dien verstande dat deze verschuldigd is met ingang van de dag waarop [eiseres] het betreffende aflossingsbedrag aan de bank zal hebben voldaan en betaling door [gedaagde] aan [eiseres] van dat aflossingsbedrag op die dag uitblijft.

4.4

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding €  92,82

- griffierecht 75,00

- salaris advocaat 768,00 (2 punten × tarief € 384,00)

Totaal €  935,82

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 2.080,--, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding - te weten 26 februari 2013 - tot de dag van volledige betaling door [gedaagde];

5.2

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de bedragen die [eiseres] na 26 februari 2013 ter aflossing van de kredietovereenkomsten aan de bank heeft voldaan en die [gedaagde] niet aan [eiseres] heeft vergoed, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag dat zij de betreffende aflossingsbedragen aan de bank heeft voldaan tot de dag van volledige betaling door [gedaagde];

5.3

veroordeelt [gedaagde] om - indien en voor zover [eiseres] na datum vonnis volgens de betalingsregeling zal aflossen aan de bank - telkens het betreffende aflossingsbedrag per ommegaand aan [eiseres] te betalen, welk bedrag (indien deze betaling door [gedaagde] aan [eiseres] uitblijft) wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag dat [eiseres] de betreffende aflossing aan de bank heeft voldaan tot de dag van volledige betaling door [gedaagde];

5.4

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 935,82;

5.5

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Berge Henegouwen en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2013.