Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9523

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2013
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
13/674096-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Artikel 149a, tweede lid, Sv

Rijksrechercherapport toepassing geweld door verbalisant is processtuk

Artikel 32, tweede lid, Sv

Rijksrechercherapport toepassing geweld door verbalisant

Zonder nadere motivering is niet duidelijk dat dit proces-verbaal als gevoelige informatie in de zin van artikel 32, tweede lid, Sv aangemerkt dient te worden. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de uitzonderingsgrond genoemd in artikel 32, tweede lid, Sv ook niet bedoeld voor een situatie als hier aan de orde.

Artikel 34 Sv

Niet is gemotiveerd waarom getuigen ernstige overlast zullen ondervinden of in de uitoefening van hun ambt ernstig zullen worden belemmerd, indien het volledige rapport van de Rijksrecherche (met getuigenverklaringen) bij de processtukken worden gevoegd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/124

Uitspraak

RK:

BESLISSING

op het bezwaarschrift ex artikel 32 lid 4, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager],

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [1978],

verder te noemen: klager

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 25 november 2013 ingediend. Desgevraagd heeft de officier van justitie bericht geen gebruik te maken van de mogelijkheid te worden gehoord naar aanleiding van het bezwaarschrift.

Relevante feiten en omstandigheden

Klager is op 4 april 2011 samen met drie medeverdachten aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet. Bij de aanhouding is door een politieagent geschoten, waarbij klager in zijn buik en aan zijn onderbeen gewond is geraakt. Tegen de betrokken politieagent is namens klager op 19 april 2011 aangifte gedaan van poging doodslag.

Door de verdediging is aan de officier van justitie verzocht om verstrekking van een proces-verbaal van het Rijksrechercheonderzoek naar het schietincident. Er is tussen de officier van justitie en de verdediging meermalen gecorrespondeerd over de weigering van de officier van justitie dit stuk aan het dossier toe te voegen. Op verzoek van de zaaksrechter-commissaris, mr. M.A.H. van Dalen-Van Bekkum, heeft de officier van justitie een formeel standpunt ingenomen.

In een brief van 12 november 2013 heeft de officier van justitie – zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht:

  • -

    1. de verdediging is inzage geboden in het Rijksrecherchedossier;

  • -

    2. aan de verdediging is een deel van het rapport verstrekt;

  • -

    3. de niet verstrekte stukken, waaronder de getuigenverklaringen van de
    verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] worden niet aan het
    strafdossier inzake verdachte gevoegd, omdat:
    * het geen processtukken zijn in de zin van artikel 149a, lid 2 Sv: de verklaringen
    zijn afgelegd in het onderzoek naar het toegepaste geweld en zien niet op de
    verdenking tegen verdachte;
    * indien het wel processtukken zijn, dan kan de officier van justitie op grond van
    artikel 32, tweede lid, Sv bepalen dat geen afschrift wordt verstrekt. Daarbij gaat
    het met name om de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (namelijk die van
    de betrokken politiemensen), aldus de officier van justitie;
    * indien het verzoek is gebaseerd op artikel 34 Sv, worden de stukken niet verstrekt
    op grond van artikel 34, vierde lid, Sv, meer in het bijzonder op grond van de
    belangen van getuigen.

Tegen deze weigering richt zich het bezwaarschrift van de verdediging.

De rechter-commissaris overweegt het volgende.

Processtukken

Ingevolge artikel 149a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering behoren tot de processtukken alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b Sv.

De situatie als bedoeld in artikel 149b Sv doet zich hier niet voor: door de rechter-commissaris is geen machtiging verleend als bedoeld in dat artikel en een dergelijke machtiging is evenmin gevorderd door de officier van justitie.

Door de raadsvrouw is betoogd dat het vuurwapengebruik bij de aanhouding van de verdachte niet voldeed aan de wettelijk eisen, met name niet aan artikel 7, eerste lid van de Ambtsinstructie voor de politie.

De rechter-commissaris deelt het standpunt van de verdediging dat, indien wordt vastgesteld dat bij de aanhouding onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, dit gevolgen zou kunnen hebben voor een door een rechter te nemen beslissing in de strafzaak. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechter-commissaris niet worden gesteld dat het rapport van de rijksrecherche redelijkerwijs niet van belang zou kunnen zijn voor de door de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissing.

Artikel 30 en 32 Sv: kennisname en verstrekking van processtukken
Ingevolge artikel 30, eerste lid, Sv wordt op diens verzoek aan de verdachte de kennisneming verleend van de processtukken tijdens het voorbereidende onderzoek door de officier van justitie.

Ingevolge artikel 32, eerste lid, Sv kan de verdachte van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, een afschrift krijgen.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan de officier van justitie in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, bepalen dat van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt.

In dit geval is de verdediging door de officier van justitie in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van het rapport van de rijksrecherche. De officier van justitie heeft echter geweigerd om dit rapport in zijn geheel te verstrekken. Wel zijn aan de verdediging enkele delen van het rapport verstrekt. De officier van justitie heeft voor wat betreft de weigering van de verstrekking van getuigenverklaringen gewezen op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer genoemd in artikel 32, tweede lid Sv.

Blijkens de wetsgeschiedenis (onder meer TK 2009-2010, 32 468, nr. 3, pag. 32 en 33) heeft de wetgever de uitzonderingsgrond ‘bescherming van de persoonlijke levenssfeer’ in artikel 32, tweede lid, Sv opgenomen met het oog op situaties waarin verdere verspreiding of openbaarmaking van gevoelige informatie zwaarder dient te wegen dan het belang van verdachte om in de ruimst mogelijke zin te kunnen beschikken over de inhoud van het procesdossier. Daarbij is met name gesproken over (het voorkomen van de verspreiding van) gegevensdragers die kinderpornografisch materiaal bevatten en video opnamen van verhoren van kwetsbare (bijvoorbeeld jeugdige) getuigen.

In de Nota naar aanleiding van verslag merkt de Minister op (naar aanleiding van het verschil in redactie tussen de artikelen 34, vierde lid jo 187d, eerste lid Sv): “De weigeringsgronden van artikel 32, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn anders geformuleerd omdat zij alleen betrekking hebben op beperkingen die ongeoorloofde verspreiding van gevoelige processtukken willen tegengaan.”

Op grond van artikel 32, vijfde lid Sv is tot stand gekomen het besluit van 15 december 2011, houdende regels inzake het procesdossier en de kennisneming en verstrekking van afschriften van processtukken gedurende het voorbereidend onderzoek (verder: het Besluit). Gezien de toelichting bij het besluit (pag. 9/10) is uitgangspunt dat processtukken waarvan de kennisneming is toegestaan, in beginsel altijd in afschrift moeten worden verstrekt. De situatie dat kan worden volstaan met inzage in de processtukken zonder het verstrekken van afschriften is en blijft beperkt tot de situatie als bedoeld in artikel 32, tweede lid Sv. Voorts is gewezen op de rol en de verantwoordelijkheid van de raadsman ten aanzien van in afschrift ontvangen processtukken. Daarbij is opgemerkt dat artikel 32 Sv en de Gedragsregels van de Nederlandse Orde van advocaten waarborgen bevatten tegen een ongeoorloofde openbaarmaking van stukken uit het procesdossier. Tot slot wordt benadrukt dat de enkele vrees dat processtukken door de verdediging openbaar zouden kunnen worden gemaakt, op zichzelf niet als een voldoende zwaarwegend belang kan worden aangemerkt om af te zien van het verstrekken van afschriften.

Beoordeeld dient te worden of het verstrekken van het volledige proces-verbaal van het Rijksrecherche onderzoek zoals verzocht, in strijd komt met het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Gelet op het voorgaande is daarbij relevant of het verstrekken kan leiden tot openbaarmaking van gevoelige informatie, waarbij het belang om een dergelijke openbaarmaking te voorkomen dient te worden afgewogen tegen het belang dat klager in de ruimste zin kan kennisnemen van processtukken.

In dit geval is door de Rijksrecherche onderzoek gedaan naar het schietincident. De bevindingen zijn neergelegd in een proces-verbaal. Zonder nadere motivering is niet duidelijk dat dit proces-verbaal, waarin zich getuigenverklaringen bevinden, als gevoelige informatie in de zin van artikel 32, tweede lid, Sv aangemerkt te worden. Naar het oordeel van de rechter-commissaris is de uitzonderingsgrond genoemd in artikel 32, tweede lid, Sv ook niet bedoeld voor een situatie als hier aan de orde. Gelet op het voorgaande dient dan ook het belang van klager om kennis te nemen van het proces-verbaal van de Rijksrecherche te prevaleren.

Weigering op grond van artikel 34 Sv

Ingevolge artikel 34, vierde lid, Sv kan de officier van justitie het voegen van de stukken onderscheidenlijk de kennisneming daarvan weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan wel indien hij voeging onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen. In het laatste geval behoeft de officier van justitie een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris.

In artikel 187d, eerste lid, Sv worden de volgende belangen vermeld:

 a. de getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd,

 b. een zwaarwegend opsporingsbelang wordt geschaad, of

 c. het belang van de staatsveiligheid wordt geschaad.

De rechter-commissaris stelt voorop dat in dit geval geen machtiging als bedoeld in artikel 34, vierde lid Sv is verleend en dat een dergelijke machtiging door de officier van justitie ook niet is gevorderd. Dit is niet onverklaarbaar nu de officier van justitie zich op het standpunt heeft gesteld dat het geen processtukken zijn. Om proceseconomische overwegingen zal de rechter-commissaris beoordelen of aan de voorwaarden is voldaan op grond waarvan op grond van artikel 34, vierde lid Sv het voegen van stukken kan worden geweigerd.

Blijkens de wetsgeschiedenis (TK 2009-2010, 32 468, nr. 3 p. 27-29) gaat het bij het achterwege laten van voegen van stukken op grond van artikel 34 Sv om informatie waarvan in beginsel voortdurende afscherming noodzakelijk wordt geacht ter bescherming van bepaalde gerechtvaardigde belangen.
Zoals hiervoor is overwogen is wat betreft het proces-verbaal van het Rijksrechercheonderzoek voldaan aan het relevantiecriterium, zodat sprake is van een processtuk.

Indien een processtuk blijvend wordt onthouden op de grond genoemd in artikel 187d, eerste lid, onder a Sv, namelijk dat de getuige ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig zal worden belemmerd, dan zal dat op zijn minst genomen (in de vordering van de officier van justitie aan de rechter-commissaris) moeten worden gemotiveerd. De officier van justitie heeft geen argumenten naar voren gebracht op grond waarvan in dit geval moet worden aangenomen dat de genoemde getuigen ernstige overlast zullen ondervinden of in de uitoefening van hun ambt ernstig zullen worden belemmerd, indien het volledige rapport van de Rijksrecherche (met hun getuigenverklaringen) bij de processtukken worden gevoegd. Dit is overigens ook niet aannemelijk, te meer niet nu de genoemde getuigen in de strafzaak gehoord worden door de rechter-commissaris.

Dit brengt de rechter-commissaris tot de conclusie dat niet aannemelijk is gemaakt, en evenmin is geworden, dat in dit geval permanente onthouding noodzakelijk is. De officier van justitie zal worden opgedragen het volledige proces-verbaal van het Rijksrechercheonderzoek te voegen bij de processtukken.

Beslissing

De rechter-commissaris verklaart het bezwaar gegrond en draagt de officier van justitie op binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking bij de processtukken te voegen het volledige proces-verbaal van het Rijksrechercheonderzoek met betrekking tot het schietincident op 4 april 2011 en dit stuk aan de verdediging te verstrekken.

Deze beslissing is op 31 december 2013 gegeven door mr.drs. A.M. Ruige

rechter-commissaris

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.