Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9504

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2013
Datum publicatie
13-02-2014
Zaaknummer
2060837 \ HA EXPL 13-593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Geoordeeld wordt dat ABN Amro tot tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van de verificatievergadering mocht overgaan en dat zij dat mocht doen door ten laste van eiser onder Nationale Nederlanden executoriaal derdenbeslag te leggen. De vordering van ABN Amro is niet verjaard. Ook de bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van de executoriale titel die het proces-verbaal van een verificatievergadering oplevert, is niet verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RI 2014/70

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2060837 \ HA EXPL 13-593

Uitspraak: 18 december 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [plaats], [land],

eiser,

nader te noemen [eiser],

gemachtigde mr. D. Roesink,

t e g e n

de naamloze vennootschap

ABN Amro Bank N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen ABN Amro,

gemachtigde mr. J. Meuleman.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 15 mei 2013 inhoudende de vordering van [eiser], met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van ABN Amro, met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 4 september 2013 heeft een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan en de daarin genoemde andere stukken bevinden zich bij de stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

De rechtsvoorganger van ABN Amro heeft op of omstreeks [datum] een krediet in rekening-courant van f 20.000,- verstrekt aan [eiser]. Nadat het krediet al meerdere malen was verhoogd, heeft ABN Amro bij brief van [datum] een krediet van f 200.000,- en een extra krediet van f 100.000,- aan [eiser] verleend.

1.2

Bij brief van [datum] heeft ABN Amro het aan [eiser] in rekening-courant verstrekte krediet met onmiddellijke ingang opgezegd en [eiser] verzocht zijn schuld bij ABN Amro uiterlijk [datum] integraal af te lossen of een aflossingsregeling voor te stellen. [eiser] heeft niet aan dat verzoek voldaan.

1.3

Vervolgens is [eiser] bij vonnis van de rechtbank Zutphen van [datum] in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. J.M.J. Huver tot curator. Mr. Huver is later vervangen, laatstelijk door mr. E.R. Looyen.

1.4

Bij brief van [datum] heeft ABN Amro aan de curator meegedeeld dat zij tot aan de faillissementsdatum uit hoofde van een aan [eiser] verstrekt krediet in rekening-courant een bedrag van f 206.703,88, inclusief rente en kosten, van [eiser] te vorderen heeft. Verzocht wordt dat bedrag op te nemen op de lijst van voorlopig erkende schuldvorderingen.

1.5

Daarop heeft de curator ABN Amro bij brief van [datum] bericht dat de vordering van f 206.703,88 op de lijst van voorlopig erkende crediteuren is geplaatst.

1.6

Op [datum] is de verificatievergadering gehouden in het faillissement van [eiser]. Het proces-verbaal van de verificatievergadering houdt, voor zover relevant, het volgende in:

“(…)

Na uitroeping van de vergadering is niemand verschenen.

(…)

De plv. rechter-commissaris leest voor de lijst van de door de curator voorlopig erkende schuldvorderingen.

In dit faillissement is geen lijst van betwiste schuldvorderingen neergelegd.

Daar niemand bezwaar maakt tegen de verificatie van de door de curator voorgedragen vorderingen, brengt vervolgens de plv. - rechter-commissaris deze vorderingen over op de navolgende lijst van erkende schuldeiseres:

(…)

Concurrent:

Bedrijf

Adres 1

Plaats

Bedrag in gulden

Bedrag in euro

(…)

ABN-AMRO Bank

(…)

(…)

206.703.88

93.797,79

(…)

(…)”

1.7

Bij brief van 12 december 2006 schrijft de curator, voor zover relevant, het volgende aan ABN Amro:

“(…)

Bovengenoemd faillissement (rechtbank: van [eiser]) is op [datum]. geëindigd als gevolg van het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. (…) van uw vordering ad € 93.797,79 (rechtbank: zal) een bedrag van € 23.042,55 worden voldaan. (…)

Voor het onbetaald gebleven deel van uw vordering kunt u zich weer rechtstreeks wenden tot [eiser].

(…)”

1.8

Onder meer op 4 november 2008, 10 november 2008, 5 maart 2009, 25 september 2009 en 10 maart 2011 zijn door Bazuin & Partners gerechtsdeurwaarders incasso en juridisch advies (hierna: Bazuin) sommatiebrieven ter zake van de vordering van ABN Amro naar [eiser] verstuurd. Daarover is tussen de gemachtigde van [eiser] en Bazuin gecorrespondeerd.

1.9

Bij exploot van [datum] heeft Bazuin de grosse van het proces-verbaal van de verificatievergadering aan [eiser] betekend, met bevel tot betaling.

1.10

Bij exploot van [datum] heeft Bazuin uit hoofde van de grosse van voornoemd proces-verbaal van de verificatievergadering ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij N.V. (hierna: Nationale Nederlanden) op, kort gezegd, de door [eiser] te ontvangen pensioenuitkering.

1.10

Bij e-mailbericht van 31 juli 2011 aan Bazuin heeft de gemachtigde van [eiser] ABN Amro verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, het gelegde beslag op te heffen. Daaraan is geen gevolg gegeven.

Vordering en verweer

2.

[eiser] vordert samengevat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, ABN Amro:

te bevelen het op [datum] ten laste van hem onder Nationale Nederlanden gelegde beslag op te heffen, zulks op straffe van een dwangsom;

te verbieden invorderingsmaatregelen jegens hem te nemen in verband met onderhavige vordering, zulks op straffe van een dwangsom;

te veroordelen om aan hem te voldoen € 15.488,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de momenten van uitkering aan de deurwaarder als vermeld in productie 4 bij dagvaarding, althans vanaf 31 juli 2011, althans vanaf 15 mei 2013;

te veroordelen om aan hem terug te betalen hetgeen na 1 maart 2013 op zijn pensioenuitkering van Nationale Nederlanden wordt ingehouden;

te veroordelen in de buitengerechtelijke (incasso)kosten volgens Besluit normering buitengerechtelijke incassokosten, althans volgens het rapport Voor-werk II;

te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen die der tenuitvoerlegging van de uitspraak, alsmede de wettelijke rente daarover, nadat voldoening daaraan niet binnen 14 dagen na een minnelijk verzoek daartoe mocht hebben plaatsgevonden.

3.

[eiser] legt daaraan ten grondslag dat ABN Amro binnen de in artikel 36 van de Faillissementswet (hierna: Fw) genoemde termijn een procedure had moeten beginnen. Nu zij dat niet heeft gedaan, is het vorderingsrecht van ABN Amro voor haar restantvordering op [eiser] verjaard. Dit betekent dat de door ABN Amro, na het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, getroffen invorderingsmaatregelen moeten worden teruggedraaid en dat de door Nationale Nederlanden aan Bazuin afgedragen bedragen (tot 1 maart 2013 € 15.488,21 en daarna € 978,82 per maand) aan [eiser] moeten worden betaald. Verder maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.

4.

ABN Amro voert verweer tegen de vordering en voert daartoe - kort weergegeven - het volgende aan. Zij betwist dat haar vordering op [eiser] is verjaard. Ter comparitie heeft ABN Amro daartoe als eerste grond aangevoerd dat een proces-verbaal van een verificatievergadering een executoriale titel is en gelijk moet worden gesteld aan een rechterlijke uitspraak, zoals genoemd in artikel 3:324 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De verjaringstermijn, die ingaat na de verificatievergadering van [datum], bedraagt derhalve 20 jaar. Als tweede grond heeft ABN Amro aangevoerd dat de vordering tijdig is gestuit. Nadat zij het krediet in juli 1993 had opgeëist, heeft zij de vordering op[datum] bij de curator ingediend. Dit is een stuitingshandeling. Ook de erkenning door de curator op de verificatievergadering van [datum] is een stuitingshandeling. Daardoor is een nieuwe termijn gaan lopen van 5 jaar, en derhalve tot [datum]. Nu in 2008 door ABN Amro stuitingsbrieven zijn verzonden en het proces-verbaal van de verificatievergadering op [datum] aan [eiser] is betekend, is volgens ABN Amro tijdig gestuit. Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de vordering van ABN Amro op [eiser] wel is verjaard, stelt ABN Amro zich op het standpunt dat dan een natuurlijke verbintenis resteert. Hetgeen [eiser] heeft betaald hoeft derhalve niet te worden terugbetaald. Verder kan de beslaglegging niet als onrechtmatig worden aangemerkt en is het de vraag welke schade [eiser] door de beslaglegging heeft geleden. De vordering van ABN Amro is namelijk wel afgenomen, aldus steeds ABN Amro.

Beoordeling

5.

Partijen twisten over de vraag of ABN Amro ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag heeft mogen leggen onder Nationale Nederlanden. In dat kader is van belang of de vordering van ABN Amro al dan niet is verjaard. De kantonrechter overweegt als volgt.

6.

Vaststaat dat ABN Amro haar vordering bij brief van [datum] bij de curator in het faillissement van [eiser] heeft ingediend (zie hiervoor 1.4). De indiening van een vordering ter verificatie in een faillissement moet in beginsel worden aangemerkt als een daad van rechtsvervolging in de zin van artikel 3:316 BW (MvA II, Parl. Gesch. 3, p. 934). Het enkele feit dat de brief in casu ver voor de daadwerkelijke verificatievergadering aan de curator is verzonden maakt dit op zichzelf genomen niet anders. Vervolgens begint met de aanvang van de volgende dag een nieuwe verjaringstermijn te lopen (artikel 3:319 lid 1 BW). Partijen zijn het erover eens dat die termijn 5 jaar is. Niet in geschil is dat het faillissement van [eiser] op [datum] is geëindigd, zodat de nieuwe verjaringstermijn zou aflopen gedurende het faillissement. Het faillissement vormt echter een verlengingsgrond van de verjaringstermijn. Anders dan [eiser] betoogt, wordt aan toepassing van art. 36 Fw echter niet toegekomen omdat de vordering van ABN Amro in het proces-verbaal van de verificatievergadering is geplaatst op de lijst van erkende schuldeisers (zie hiervoor 1.6). Door die erkenning staat de vordering van ABN Amro op [eiser] zowel in het faillissement als na afloop van het faillissement onherroepelijk vast. Immers, in artikel 121 lid 4 Fw en artikel 196 Fw is bepaald dat de erkenning van een vordering in het faillissement respectievelijk tegen de schuldenaar kracht van gewijsde zaak heeft. De stelling van [eiser] dat hij, tot voor kort, niet meer wist waar de vordering van ABN Amro betrekking op had, baat hem dan ook niet (in ieder geval niet tegenover ABN Amro). Het bepaalde in art. 3:316 lid 2 BW is niet van toepassing nu de ingediende vordering tot een executoriale titel in de vorm van een in kracht van gewijsde gegaan proces-verbaal van de verificatievergadering heeft geleid.

7.

Het proces-verbaal van de verificatievergadering levert ingevolge het bepaalde in artikel 196 Fw, in samenhang met artikel 197 Fw, voor de daarin als erkend vermelde vorderingen de voor tenuitvoerlegging vatbare titel tegen de schuldenaar op, tenzij deze gedurende het faillissement de vordering overeenkomstig artikel 126 Fw heeft betwist. Vaststaat dat de vordering van ABN Amro door [eiser] niet ex art. 126 Fw is betwist. Dat [eiser], zoals hij stelt, de vordering van ABN Amro niet heeft kunnen betwisten omdat hij niet wist dat de verificatievergadering plaatsvond, maakt dat, indien al juist, niet anders. Dit betekent dat ABN Amro na afloop van het faillissement een voor tenuitvoerlegging vatbare titel tegen [eiser] had. De stelling van [eiser] dat ABN Amro na afloop van het faillissement een nieuwe executoriale titel tegen hem had moeten verkrijgen voor het onvoldaan gebleven deel van de vordering, wordt dan ook verworpen.

8.

Voor zover [eiser] bedoeld heeft te stellen dat de bevoegdheid om tot tenuitvoerlegging van voormelde titel over te gaan is verjaard, gaat dat betoog niet op. De vraag is allereerst of de executoriale titel die het proces-verbaal van de verificatievergadering oplevert verjaart. Er is immers geen wettelijke bepaling die de verjaring van deze executoriale titel regelt. Bij gebreke van een wettelijke bepaling moet worden aangenomen dat deze titel niet verjaart (zie ook: B. Wessels, Insolventierecht, Deel V: Verificatie van schuldvorderingen, 2011, nr. 5111).

Indien aansluiting zou moeten worden gezocht bij een wettelijke bepaling, dan zou analoge toepassing van het bepaalde in art. 3:324 BW, zoals ABN Amro heeft betoogd, inderdaad het meest voor de hand liggen, gezien de overeenkomsten tussen de in dat artikel genoemde en hier aan de orde zijnde titels. In geval van toepassing van artikel 3:324 BW geldt evenwel dat de verjaringstermijn nog niet is verlopen en ook overigens is de verjaring door de in 1.8 en 1.9 genoemde handelingen gestuit.

9.

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, anders dan ABN Amro heeft betoogd, de erkenning van de vordering op de verificatievergadering van [datum] geen stuiting in de zin van art. 3:318 BW oplevert. De curator kan in het algemeen niet als de vertegenwoordiger van de gefailleerde worden beschouwd. De erkenning van de vordering door de curator ter verificatievergadering kan om die reden niet als een erkenning in de zin van art. 3:318 BW worden aangemerkt. Een andersluidend oordeel zou ook moeilijk te verenigen zijn met de omstandigheid dat een erkenning door de curator gepaard kan gaan met een betwisting door gefailleerde ex art. 126 Fw.

10.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het ABN Amro vrij stond om tot tenuitvoerlegging van het proces-verbaal van de verificatievergadering over te gaan en dat zij dat mocht doen door ten laste van [eiser] onder Nationale Nederlanden executoriaal derdenbeslag te leggen. De vordering tot opheffing van het beslag zal om die reden worden afgewezen. Dit betekent dat de door ABN Amro getroffen invorderingsmaatregelen niet teruggedraaid hoeven te worden en dat de door Nationale Nederlanden aan Bazuin afgedragen en nog af te dragen bedragen niet aan [eiser] terugbetaald hoeven te worden. De hiervoor onder 2, sub II., III. en IV, opgenomen vorderingen zullen daarom eveneens worden afgewezen. Ook de vordering betreffende buitengerechtelijke (incasso)kosten zal in het licht van het vorenstaande worden afgewezen.

11.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt [eiser] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ABN Amro.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ABN Amro tot op heden begroot op € 600,00, inclusief eventueel verschuldigde btw, aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. W.A.H. Melissen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter