Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9459

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
AMS 12-2921
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

AWBZ, verantwoording persoonsgebonden budget 2011

Voor de verantwoording van het bestede persoonsgebonden budget over de eerste helft van het jaar 2011 kon het zorgkantoor aan betrokkene niet de verplichting opleggen om naast zorgovereenkomsten en declaraties ook betalingsbewijzen over te leggen. De rechtbank bepaalt dat het zorgkantoor de verantwoording van het pgb moet accorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/2921

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. B.C.F. Kramer,

en

Agis Zorgkantoor,

verweerder,

gemachtigde A. Gerritsen.

Procesverloop

Bij besluit van 26 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de verantwoording van het persoonsgebonden budget (pgb) van eiseres over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 voor een bedrag van € 14.560,00 afgewezen.

Bij besluit van 1 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2012. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting geschorst en het vooronderzoek hervat. Bij brief van 14 december 2012 heeft eiseres nadere informatie verstrekt en nadere stukken in het geding gebracht. Hierop heeft verweerder bij brief 20 december 2012 gereageerd. Bij brief van 21 januari 2013 heeft eiseres daarop gereageerd.

De rechtbank heeft de zaak opnieuw ter zitting behandeld op 22 augustus 2013. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen, maar heeft op verzoek van de rechtbank op 22 augustus 2013 per e-mail nog informatie verstrekt, waarop de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres, geboren[geboortedatum], ontvangt zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Aan eiseres is bij besluit van 7 december 2010 voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 26 december 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend voor de functie verpleging klasse 7+opslag voor een totaalbedrag van € 90.894,58.

1.2.

Bij brieven van 15 juni 2011 en 25 augustus 2011 heeft verweerder de ouders van eiseres verzocht om het toegekende pgb voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 door middel van een verantwoordingsformulier te verantwoorden. Zij hebben dit formulier op 30 augustus 2011 ingevuld aan verweerder geretourneerd. Bij brief van eveneens 30 augustus 2011 heeft verweerder aan de ouders van eiseres meegedeeld dat eiseres is geselecteerd voor een intensieve controle. In dat kader heeft verweerder de ouders van eiseres verzocht getekende exemplaren van de zorgovereenkomsten met de zorgverleners toe te zenden, evenals kopieën van hun paspoort of identiteitsbewijs. Daarnaast heeft verweerder verzocht om declaraties, facturen en/of loonstroken, alsmede een overzicht van betalingen aan de zorgverleners te verstrekken.

1.3.

Verweerder heeft op grond van de toegezonden stukken de verantwoording van het pgb over de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2011 tot het bedrag van € 31.000,- akkoord bevonden. De verantwoording van het bedrag van € 14.560,-, dat betrekking heeft op de zorg die is verleend door [naam] ([naam]), [naam 1] ([naam 1]) en [naam 2] ([naam 2]), heeft verweerder bij het primaire besluit afgewezen, omdat hiervoor niet de vereiste stukken zijn overgelegd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd. Eiseres heeft hiertegen gemotiveerd beroep ingesteld.

2.

Uit het verhandelde ter zitting op 19 november 2012 en de daarop volgende correspondentie volgt dat verweerder de door eiseres in beroep overgelegde zorgovereenkomsten met[naam], [naam 1] en [naam 2], ondanks de daarin geconstateerde gebreken, alsmede de declaraties van deze drie zorgverleners alsnog heeft geaccepteerd. Verweerder stelt zich thans nog op het standpunt dat ten aanzien van zorgverlener[naam 2] een bedrag van € 720,- en ten aanzien van zorgverlener[naam] een bedrag van € 5.500,- niet is verantwoord. De verantwoording van deze bedragen blijft afgewezen, omdat eiseres ten aanzien van deze bedragen geen betalingsbewijzen heeft verstrekt, aldus verweerder.

3.

Eiseres heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat verweerder de verplichting om betalingsbewijzen over te leggen niet mag stellen, omdat deze verplichting niet is opgenomen in artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (hierna: Rsa), zoals dat luidde in 2011. De verplichting om bankafschriften over te leggen is pas in 2012 in dit artikel opgenomen. Ook heeft eiseres verwezen naar diverse paragrafen in het Uitvoeringsprotocol Regeling Persoonsgebonden Budget AWBZ 2010 (hierna: het Uitvoeringsprotocol), waarin de verplichting tot het overleggen van betalingsbewijzen volgens eiseres ook niet wordt gesteld.

4.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het geschil zich thans nog beperkt tot de afwijzing van de verantwoording van de bedragen van € 720,- en € 5.500,-. De rechtbank stelt vast dat verweerder de afwijzing van de verantwoording van deze bedragen enkel nog baseert op de omstandigheid dat eiseres geen betalingsbewijzen heeft overgelegd van deze bedragen aan respectievelijk[naam 2] en[naam].

4.2.

Op grond van artikel 2.6.11, eerste lid, aanhef en onder f, van de Rsa - tenzij anders vermeld verwijst de rechtbank steeds naar de regelgeving die gold in 2011 - bevat de verleningsbeschikking van het zorgkantoor aan de verzekerde ten minste de verplichtingen van de verzekerde. De rechtbank stelt vast dat verweerder in dit geval in de verleningsbeschikking van 7 december 2010 onder het kopje ‘verplichtingen’ heeft opgenomen dat eiseres overeenkomsten en declaraties gedurende zeven jaar dient te bewaren. Verweerder heeft in de verleningsbeschikking niet opgenomen dat eiseres ook betalingsbewijzen moet kunnen verstrekken. Dit is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2.6.9, eerste lid, onderdelen c en d van de Rsa, waarin staat dat de verzekerde overeenkomsten en declaraties gedurende zeven jaar bewaart en desgevraagd ter beschikking stelt aan het Zorgkantoor. Ook hierin staat niet dat betalingsbewijzen dienen te worden bewaard.

4.3.

Verweerder heeft betoogd dat de verplichting om betalingsbewijzen over te leggen is gebaseerd op artikel 2.6.14 van de Rsa en paragraaf 6.3 van het Uitvoeringsprotocol, waarin staat dat het Zorgkantoor in het geval van een intensieve controle checkt op onder meer een betalingsoverzicht.

4.4.

De rechtbank stelt echter vast dat op pagina 6 van het Uitvoeringsprotocol onder “Algemene uitgangspunten Uitvoeringsprotocol PGB AWBZ 2010” staat dat het Zorgkantoor voor de toekenning en vaststelling van de subsidie voor een pgb aan de pgb-houder geen andere voorwaarden stelt dan die in de Rsa worden genoemd. Zoals de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 4.2 heeft vastgesteld, wordt in artikel 2.6.9 van de Rsa niet de verplichting genoemd om betalingsbewijzen te bewaren. Voorts staat op pagina 7 van het Uitvoeringsprotocol dat de pgb-houder zich over de AWBZ-brede zorg informeert aan de hand van de CVZ brochure ‘Persoonsgebonden budget: Zelf uw zorg inkomen in 8 stappen 2010’ (www.cvz.nl). Pagina 16 van de versie van deze brochure uit 2011 vermeldt het volgende: “Het Zorgkantoor controleert of u het verantwoordingsformulier correct heeft ingevuld. Ook kan het Zorgkantoor de declaraties en zorgovereenkomsten bij u opvragen.” Dat er ook betalingsbewijzen kunnen worden opgevraagd staat er niet. Op pagina 12 van het Uitvoeringsprotocol staat verder dat de toekenningsbeschikking de rechten en plichten vermeldt van het Zorgkantoor en pgb-houder conform artikel 2.6.9 van de Rsa. Ten slotte is op pagina 18 van het Uitvoeringsprotocol de inhoud van het standaard model verantwoordingsformulier opgenomen. De standaard eigen verklaring hierin luidt als volgt: “Alle in dit formulier opgenomen kosten kunnen door mij verantwoord worden met overeenkomsten en declaraties. Ik weet dat het zorgkantoor het recht heeft om deze overeenkomsten en declaraties op te vragen.”

4.5.

De rechtbank is met eiseres van oordeel dat in al deze informatie in het Uitvoeringsprotocol en de CVZ-brochure wordt benadrukt dat de pgb-houder desgevraagd zorgovereenkomsten en declaraties van de zorgverleners aan het zorgkantoor moet overleggen en geen verplichting wordt opgelegd om ook betalingsbewijzen te verstrekken.

Alleen in paragraaf 6.3 van het Uitvoeringsprotocol staat dat het Zorgkantoor in het geval van een intensieve controle checkt op, onder meer, een betalingsoverzicht van de geleverde zorg. Nog daargelaten de vraag of het leveren van een betalingsoverzicht hetzelfde is als het moeten vertrekken van betaalbewijzen – is deze verplichting niet te rijmen met alle hiervoor in rechtsoverweging 4.4 aangehaalde passages in het Uitvoeringsprotocol en de CVZ-brochure.

4.6.

De rechtbank constateert dat de verplichting om bij de verantwoording van het bestede pgb naast zorgovereenkomsten en declaraties ook betaalbewijzen te verstrekken, bij de wijziging van de Rsa per 1 januari 2012 in artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder d, is opgenomen (zie Stct. van 20 december 2011, nr. 22958). Ook is toen de CVZ brochure ‘Persoonsgebonden budget: Zelf uw zorg inkomen in 8 stappen 2012’ (www.cvz.nl) aangepast. Op pagina 17 van deze brochure is vermeld: Het zorgkantoor controleert of u het verantwoordingsformulier correct hebt ingevuld. Ook kan het zorgkantoor de declaraties, zorgovereenkomsten en bankafschriften (onderstreping rechtbank) bij u opvragen.”

4.7.

Gelet op hetgeen in de rechtsoverwegingen 4.2, 4.4 en 4.5 is overwogen komt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder eiseres bij de intensieve controle ter verantwoording van het bestede budget over de eerste helft van het jaar 2011 naast de verplichting om zorgovereenkomsten en declaraties over te leggen niet tevens kon verplichten om betalingsbewijzen over te leggen. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat de verplichting om betalingsbewijzen over te leggen wel geldt vanaf 1 januari 2012.

4.8.

Het beroep van eiseres zal gelet op het voorgaande gegrond worden verklaard. De overige door eiseres aangevoerde gronden behoeven geen bespreking meer.

4.9.

De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rsa. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat verweerder de namens eiseres gegeven verantwoording van het pgb over de maanden januari tot en met juni 2011 accordeert tot het bedrag van € 45.560,-.

5.

Gelet op het feit dat eiseres pas na het instellen van beroep de zorgovereenkomsten met zorgverleners[naam],[naam 2] en [naam 1] en de declaraties van zorgverlener[naam] heeft overgelegd, acht de rechtbank een veroordeling van verweerder in de proceskosten niet op zijn plaats.

6.

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep dient verweerder wel het griffierecht ter hoogte van € 42,- aan eiseres te vergoeden. Deze verplichting volgt immers rechtstreeks uit artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder de namens eiseres gegeven verantwoording van het pgb over de maanden januari tot en met juni 2011 accordeert tot het bedrag van € 45.560,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 42,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk, rechter,

in aanwezigheid van mr. N. Abu Ghazaleh, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB