Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9445

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
21-01-2014
Zaaknummer
13/737753-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toegestaan.

Verweer:

Mede onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 9 juni 1998, Arrest 1l) heeft de raadsman verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon door een undercover agent van de DEA is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten terwijl deze undercover agent op Nederlandse bodem opereerde. Hierdoor is de soevereiniteit van Nederland op onaanvaardbare wijze geschonden en wordt de opgeëiste persoon na uitlevering blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van zijn bij het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde rechten, met name het in artikel 6 van dit Verdrag gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Oordeel rechtbank:

Vooropgesteld moet worden dat de rechter die oordeelt over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in beginsel geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal dat de verzoekende Staat ter staving van de verdenking bij het verzoek tot uitlevering overlegt. Dat geldt evenzeer in geval het bewijs in Nederland ten behoeve van de Staat die uitlevering verzoekt is vergaard met behulp van door Nederland als aangezochte Staat verleende rechtshulp. Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering het risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht (vgl. HR 7 september 2004, NJ 2004, 595).

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de opgeëiste persoon is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet reeds was gericht of dat er anderszins sprake is van een zodanig risico.

De verdediging heeft evenmin aangevoerd dat de opgeëiste persoon ter zake geen rechtsmiddel ten dienste zou staan in de verzoekende staat. Ook van een ongeoorloofde inbreuk op de Nederlandse soevereiniteit is de rechtbank niet gebleken. Zij overweegt daarbij dat ook Nederlandse opsporingsambtenaren betrokken waren bij de opsporing en de bewijsgaring en vertrouwt op de mededeling van de officier van justitie dat de regels van de Nederlandse strafvordering daarbij zijn nageleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/737753-13

RK nummer: 13/5793

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 6 september 2013, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie ontvangen verzoek van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats], Israël, op [1970],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[GBA adres],

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting ‘[locatie 1]’,

Huis van Bewaring ‘[locatie 2]’ te [plaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang.

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 november 2013. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. al Mansouri.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman mr. R. Malewicz, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hebreeuwse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij de Israëlische nationaliteit heeft.

3 Inhoud van het uitleveringsverzoek

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in een door de griffier gewaarmerkte en als bijlage aan deze uitspraak gehechte fotokopie van het aanhoudingsbevel van 11 juli 2013, uitgevaardigd door the U.S. Department of Justice.

Het in die bijlage tussen [ ] geplaatste gedeelte dient als hier ingevoegd te worden beschouwd.

4 Genoegzaamheid der stukken

Standpunt verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de stukken niet genoegzaam zijn nu een duidelijke uiteenzetting van de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht, ontbreekt. De affidavit geeft slechts een algemene toelichting op zijn betrokkenheid en spreekt over een globale periode. De concrete betrokkenheid van de opgeëiste persoon per feit ontbreekt. Bovendien is het aantal feiten waarvoor uitlevering wordt verzocht onduidelijk. De affidavit spreekt over 21 feiten en in een e-mail d.d. 11 juli 2013 afkomstig van de U.S. Department of Justice (Criminal Division) aan [persoon A] (Ministerie van Veiligheid en Justitie te Den Haag) wordt gesproken over 8 feiten.

De raadsman heeft verzocht de uitlevering te weigeren.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman bestreden. Het uitleveringsverzoek voldoet aan de eisen die artikel 18 UW daaraan stelt. De betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten is voldoende omschreven in de affidavit. Deze feiten kunnen worden weergegeven als een samenspanning om verdovende middelen te verspreiden, als een samenspanning tot witwassen en als witwassen. Er is één concept tenlastelegging die meerdere verdachten betreft en om deze reden spreekt de affidavit van 21 feiten; dat betekent dat voor de opgeëiste persoon niet alle feiten gelden. De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd voor de feiten, genummerd 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 20 en 21 (en derhalve niet voor de feiten met de nummers 3 en 11 tot en met 19).

Oordeel rechtbank

De raadsman baseert een deel van zijn verweer op de in de e-mail van 11 juli 2013 weergegeven tekst van de ‘provisional arrest warrant’, waarin wordt gesteld dat “[opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in the United States District Court for the Central District of California….

Specifically, [opgeëiste persoon] has been charged with the following counts..[volgen feiten].. 1-8”. De basis voor het bevel tot ‘provisional arrest’ was een ‘criminal complaint’. Hiervoor is echter de ‘criminal indictment’ (genummerd 13-0511) van 25 juli 2013 in de plaats getreden, zo blijkt uit het aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie gerichte verzoek om uitlevering, afkomstig van de Amerikaanse autoriteiten van 30 augustus 2013. Bij de beoordeling of het uitleveringsverzoek voldoet aan de in artikel 18, tweede lid onder b UW gestelde vereisten gaat de rechtbank uit van de ‘criminal indictment’, waarin is gesteld dat “[opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in the United States on drug trafficking and money laundering charges. On 25 July 2013 the United States District Court for the Central District of California returned a criminal indictment, number 13-0511, charging [opgeëiste persoon] with.. [volgen counts 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 20 en 21]. The 25 July 2013 criminal indictment supersedes the criminal complaint which was the basis for provisional arrest.”

De uiteenzetting van de feiten, als bedoeld in artikel 18, tweede lid onder b UW.

De raadsman heeft er over geklaagd dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht niet of onvoldoende uit de stukken blijkt en dat het aantal feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd onduidelijk is.

De rechtbank verwerpt dit verweer en verwijst hiervoor naar de informatie zoals opgenomen in de ‘affidavit in support of the request for extradition’ waarin de ‘criminal indictment’ met nummer 13-0511 is weergegeven.

Onder punt 4 staat vermeld dat de opgeëiste persoon er van wordt verdacht vanaf november 2012 tot juli 2013 met andere personen in Europa en in de Verenigde Staten van Amerika betrokken te zijn geweest bij de smokkel van verdovende middelen en bij het witwassen van de opbrengsten uit die smokkel. Volgens de affadavit heeft de opgeëiste persoon een aantal keer contact gehad met een undercover agent en met deze gesprekken gevoerd over zijn plannen om hoeveelheden cocaïne van meer dan 100 kilogram van Zuid Amerika naar Europa te transporteren met gebruikmaking van de zeehavens van Rotterdam en Antwerpen (België). Het plan was cocaïne, heroïne en ecstasy te distribueren naar Europa en Azië. De opgeëiste persoon heeft aan de undercover agent verteld dat hij lid was van een bende die zich bezig houdt met drugssmokkel en de verkoop van verdovende middelen in Europa en elders, waarbij het met deze activiteiten verdiende geld buiten Europa naar bankinstellingen binnen de Verenigde Staten van Amerika werd overgeboekt.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende genoegzaam weergegeven van welke strafbare feiten de opgeëiste persoon wordt verdacht.

Het aantal feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht.

Uit deze criminal indictment blijkt dat de uitlevering wordt verzocht voor de feiten onder nummer 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 20 en 21. Het eerste feit heeft betrekking op betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij drugsdelicten en de overige feiten betreffen verdenkingen van witwassen.

De feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht zijn naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika strafbaar en daarvoor kan telkens een vrijheidsstraf van meer dan een jaar worden opgelegd, terwijl die feiten naar Nederlands recht als eenzelfde inbreuk op de Nederlandse rechtsorde strafbaar zijn en daarvoor telkens een vrijheidsstraf van meer dan een jaar kan worden opgelegd.

De feiten zijn naar Nederlands recht te kwalificeren als:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

en

medeplegen van witwassen.

5 Overige verweren.

Standpunt verdediging

Mede onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 9 juni 1998, [Arrest zaak A]) heeft de raadsman verzocht de overlevering te weigeren en heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon door een undercover agent van de DEA is uitgelokt tot het plegen van strafbare feiten terwijl deze undercover agent op Nederlandse bodem opereerde. Hierdoor is de soevereiniteit van Nederland op onaanvaardbare wijze geschonden en wordt de opgeëiste persoon na uitlevering blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van zijn bij het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde rechten, met name het in artikel 6 van dit Verdrag gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

Op deze grond moet de uitlevering worden geweigerd, aldus de raadsman.

Standpunt officier van justitie

Het is bestendige jurisprudentie dat de schending van soevereiniteit een interstatelijke kwestie is en niet een recht is waarop een opgeëiste persoon zich met succes kan beroepen, tenzij er aanwijzingen zijn dat alle basisbeginselen zijn overtreden. Dat laatste is niet aan de orde. Er moet vanuit worden gegaan dat deze undercover agent met toestemming van de Nederlandse autoriteiten op Nederlands grondgebied heeft geopereerd. Een dergelijk opsporingsmiddel is vastgelegd in de Nederlandse wet en wel in artikel 126h Wetboek van Strafvordering. Het betreft hier een verdenking. Indien de opgeëiste persoon bezwaar wil maken tegen de toegepaste opsporingsmethode zal hij dat aan de Amerikaanse rechter moeten kenbaar maken.

Oordeel rechtbank

Aangenomen moet worden dat Nederland, als door het EVRM en het IVBPR gebonden Staat, het resultaat van de onderhandelingen die hebben geleid tot het hier toepasselijke Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika heeft kunnen afstemmen op de aard en mate waarin de in de eerste twee genoemde verdragen neergelegde fundamentele rechtsbeginselen worden erkend in de Verenigde Staten van Amerika, terwijl sedertdien die verdragsrelatie is gecontinueerd. Uitgangspunt bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek is daarom dat er in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat bij de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon, de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten - welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR - zal respecteren. Dit betekent dat de verdragsrechtelijke verplichting tot uitlevering slechts dan moet wijken voor de ingevolge artikel 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om de rechten van dat verdrag te verzekeren indien (a) blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM toekomend recht, en in dat geval voorts (b) naar aanleiding van een voldoende onderbouwd verweer is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

Voorts moet worden vooropgesteld dat de rechter die oordeelt over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in beginsel geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal dat de verzoekende Staat ter staving van de verdenking bij het verzoek tot uitlevering overlegt. Dat geldt evenzeer in geval het bewijs in Nederland ten behoeve van de Staat die uitlevering verzoekt is vergaard met behulp van door Nederland als aangezochte Staat verleende rechtshulp. Dit zou slechts anders kunnen zijn, indien zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering het risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge artikel 6 EVRM toekomend recht (vgl. HR 7 september 2004, NJ 2004, 595).

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de opgeëiste persoon is gebracht tot andere handelingen dan waarop zijn opzet reeds was gericht of dat er anderszins sprake is van een zodanig risico. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat in de ‘affidavit’ staat vermeld dat “(…) [opgeëiste persoon] spoke to a DEA undercover agent (“UC”) on several occasions regarding [opgeëiste persoon]’s plan to import quantities of cocaine (…)” en dat “[d]uring the DEA undercover’s interactions with[opgeëiste persoon], [opgeëiste persoon] indicated that his primary line of business is drug trafficking, and [opgeëiste persoon] has introduced the DEA UC to four different individuals to attempt to import massive loads of cocaïne into Europe.” De verdediging heeft evenmin aangevoerd dat de opgeëiste persoon ter zake geen rechtsmiddel ten dienste zou staan in de verzoekende staat. Ook van een ongeoorloofde inbreuk op de Nederlandse soevereiniteit is de rechtbank niet gebleken. Zij overweegt daarbij dat ook Nederlandse opsporingsambtenaren betrokken waren bij de opsporing en de bewijsgaring en vertrouwt op de mededeling van de officier van justitie dat de regels van de Nederlandse strafvordering daarbij zijn nageleefd.

6 Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd is bevonden dat aan alle daarvoor in de Wet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, dient de gevraagde uitlevering toelaatbaar te worden verklaard.

7 Toepasselijke wetsartikelen.

de artikelen 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

de artikelen 2 en 5 van de Uitleveringswet;

de artikelen 1, 2, 9 en 11 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, met bijlage, gesloten te 's-Gravenhage op 24 juni 1980 (Trb. 1980, 11, Trb. 198, 133, Trb. 2004, 296), alsmede de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Verenigde Staten van Amerika ende Europese Unie (Trb. 2004, 297).

8 Beslissing.

Verklaart TOELAATBAAR de uitlevering van [opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen [ ] geplaatste deel van de bijlage.

Aldus gedaan door

mr. W.H. van Benthem, voorzitter,

mrs. B. Poelert en M.J.J.P. Luchtman, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 3 december 2013.

Ingevolge artikel 31 van de UW kan de opgeëiste persoon tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.

A