Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9443

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
AWB 13-2155
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WWB. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juiste uitleg heeft gegeven aan het begrip redelijkerwijs door middel van het in de Beleidsregels opgenomen criterium contra-indicatie. De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van dit geval, verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een contra-indicatie om de proceskosten van bezwaar te vergoeden. De rechtbank kan zelf in de zaak voorzien door alsnog de proceskosten van bezwaar te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/2155

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam1], eiser

(gemachtigde mr. E. van den Bogaard),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. drs. J.M. Boegborn).

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat nog een vordering resteert aan teveel ontvangen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ten bedrage van € 8.250,21. De aflossingsverplichting is daarbij vastgesteld op € 137,50 per maand met ingang van 1 februari 2013.

Bij besluit van 19 maart 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2013. Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1.1. Bij het bestreden besluit overweegt verweerder het volgende. De aflossingsverplichting van € 137,50 per maand is ongedaan gemaakt, omdat deze is opgelegd zonder draagkrachtberekening. Het bezwaar van eiser is daarom gegrond. Voorafgaand aan het primaire besluit heeft verweerder getracht eiser telefonisch te bereiken op 24 december 2012, 2 en 7 januari 2013 om over een betalingsregeling te spreken. Daarop is geen reactie van eiser ontvangen. Er is sprake van een contra-indicatie om de proceskosten te vergoeden. Eiser had de zaak bijvoorbeeld kunnen regelen door middel van een simpel telefoontje met verweerder. Daarbij verwijst verweerder naar de Beleidsregels Wegingsfactoren Kosten Rechtsbijstand in de bezwaarfase Werk en Inkomen (hierna: de Beleidsregels).

1.2. Eiser heeft in beroep – kort gezegd – aangevoerd dat verweerder een onrechtmatig primair besluit heeft genomen en dat verweerder daarom gehouden is om proceskosten te vergoeden. Nu voor de bezwaarprocedure krachtens toevoeging rechtsbijstand is verleend, dient ervan te worden uitgegaan dat het inroepen van rechtsbijstand redelijk is te achten. Een primair besluit wordt onherroepelijk na het verstrijken van de bezwaartermijn. Een telefonische toezegging kan volgens vaste rechtspraak geen in rechte te respecteren verwachting genereren en verweerder niet binden. Eiser had na het primaire besluit daarom niet kunnen volstaan met een simpel telefoontje, aldus eiser.

2.1. In artikel 2, vierde en vijfde lid, van de Beleidsregels is bepaald – voor zover relevant – dat er geen sprake is van het redelijkerwijs inroepen van rechtsbijstand indien er sprake is van een contra-indicatie. Onder een contra-indicatie worden in ieder geval de volgende situaties verstaan:

- er is sprake van een evident foute beslissing (evidente rekenfout of eenvoudig

te constateren gebrek);

- belanghebbende had de zaak kunnen regelen door een simpel telefoontje met

het bestuursorgaan;

- belanghebbende had de zaak vanwege de eenvoud (en de hoogte van het

bedrag) best zelf kunnen doen;

- er komt een afwijkende beslissing, na een eerdere toezegging;

- het moeten maken van bezwaar is aan belanghebbende zelf te wijten.

2.2. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

3.1. De rechtbank stelt vast dat het door verweerder gehanteerde beleid een uitleg betreft van het criterium redelijkerwijs inroepen van rechtsbijstand, in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Het betreft dus beleid omtrent de uitleg van wettelijke voorschriften. De rechtbank is voor de uitleg van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb niet gebonden aan de interpretatie die verweerder in de Beleidsregels heeft neergelegd, omdat de uitleg van wettelijke bepalingen de exclusieve taak voor de rechter is. Dit betekent dat de rechtbank in volle omvang toetst of de uitleg die verweerder in zijn beleid aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb heeft gegeven juist is.

3.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder een juiste uitleg heeft gegeven aan het begrip redelijkerwijs door middel van het in de Beleidsregels opgenomen criterium contra-indicatie. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat het criterium contra-indicatie in de Beleidsregels niet uitputtend is geregeld. Zo worden er vijf situaties als voorbeeld genoemd waarin sprake is van een contra-indicatie, echter er is daarnaast ruimte om van geval tot geval te beoordelen of er sprake is van een contra-indicatie. In tegenstelling tot de uitspraak van deze rechtbank van 21 augustus 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5289) waarin is geoordeeld dat de Beleidsregels strijdig zijn met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover geen vergoeding van proceskosten van bezwaar plaatsvindt bij gevallen waarin een bedrag is gemoeid dat lager is dan € 500,-, is bij het criterium contra-indicatie geen sprake van een categoriale uitsluiting. Bovendien wijst de rechtbank nog op de memorie van toelichting met betrekking tot de wijziging van de Awb (Kamerstukken II 1999/2000,

27 024,

nr. 3, p. 7), waarin het volgende is opgenomen:

“In alle gevallen is de vergoeding overigens beperkt tot de kosten, die de belanghebbende redelijkerwijs in verband met de behandeling van het bezwaar of administratief beroep heeft moeten maken. Daarmee is, in aansluiting op het huidige artikel 8:75 en de jurisprudentie van de civiele kamer van de Hoge Raad (HR 17 november 1990, AB 1990, 81 (Velsen/De Waard), de zogenaamde «dubbele redelijkheidstoets» gecodificeerd: zowel het inroepen van rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn. Aan dit vereiste is bijvoorbeeld niet voldaan, indien de bijstand van een belastingadviseur wordt ingeroepen om een evidente rekenfout in een belastingaanslag te herstellen. Het is immers algemeen bekend, dat een eenvoudig telefoontje naar de belastingdienst daartoe ook volstaat.”

Uit het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden opgemaakt dat de memorie van toelichting ruimte biedt voor de uitleg die verweerder in de Beleidsregels bij wijze van voorbeelden aan artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, heeft gegeven.

4.1.

Gelet hierop is de volgende vraag aan de orde of verweerder terecht heeft beslist dat in de situatie van eiser sprake is van een contra-indicatie omdat eiser de zaak bijvoorbeeld had kunnen regelen door middel van een simpel telefoontje met verweerder. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.2.

Uit de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat op grond van een eerdere beroepszaak is komen vast te staan dat de inhoudingen op eisers uitkering te hoog waren omdat eiser geen draagkracht heeft. Gelet hierop diende een draagkrachtberekening plaats te vinden. Hiertoe heeft verweerder op 24 december 2012 eiser telefonisch geprobeerd te bereiken voor een betalingsregeling. Er werd niet opgenomen. Op 2 januari 2013 is eisers voicemail ingesproken met een verzoek om terug te bellen. Er is geen reactie bij verweerder ontvangen. Vervolgens is op 7 januari 2013 wederom de voicemail van eiser ingesproken met de mededeling dat wanneer niet zou worden gereageerd ambtshalve een betaalverplichting zou worden opgelegd. Eiser heeft ook hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft verweerder bij het primaire besluit van 15 januari 2013 een betaalverplichting van

€ 137,50 per maand opgelegd. Op 18 februari 2013 heeft eiser met verweerder telefonisch contact opgenomen, waarna verweerder eiser bij brief van 18 februari 2013 heeft verzocht om een achttal stukken te overleggen met betrekking tot eisers financiële situatie. Het gaat daarbij om inkomensspecificaties, bankafschriften, huurspecificaties en bewijzen omtrent huurtoeslag, bewijzen van schulden en leningen en ziektekostenverzekering, bewijzen van buitengewone lasten en kennisgevingen van de Belastingdienst over heffingskortingen. Op 11 maart 2013 heeft eiser alle verzochte stukken overgelegd. Bij besluit van 20 maart 2013 heeft verweerder de aflossingsverplichting vervolgens vastgesteld op € 100,- per maand.

4.3.

De rechtbank is gelet op de voornoemde omstandigheden van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een contra-indicatie om de proceskosten van bezwaar te vergoeden. Alleen al de omstandigheid dat verweerder zich genoodzaakt zag, om, na het telefonisch onderhoud met eiser op 18 februari 2013, aan eiser nog een brief te sturen met daarin opgesomd de stukken die nodig zijn om de draagkracht van eiser vast te stellen, leidt tot de conclusie dat de zaak niet door middel van slechts een simpel telefoontje was te regelen. Als dat het geval was geweest had verweerder immers in diezelfde brief van 18 februari 2013 het primaire besluit ongedaan gemaakt. Dat is echter eerst gebeurd bij het bestreden besluit van 19 maart 2013, meer dan een maand later. Dat verweerder zich mogelijk – gelet op de inhoud van het op 7 januari 2013 ingesproken voicemailbericht – genoodzaakt zag ambtshalve een betaalverplichting op te leggen nu eiser niet reageerde op (telefonische) verzoeken maakt dat niet anders. Van eiser kon immers niet verwacht worden dat hij het risico zou lopen dat een dergelijk ambtshalve genomen besluit rechtskracht zou krijgen doordat hij zou volstaan met een telefoontje en geen bezwaar zou maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat onderhavige situatie niet onder de Beleidsregels valt, in die zin dat de zaak door middel van een simpel telefoontje geregeld had kunnen worden. De rechtbank overweegt voorts dat onderhavige situatie evenmin valt onder één van de andere in artikel 2, vijfde lid, van de Beleidsregels opgenomen gedachtestreepjes. Immers, er is geen sprake van een evidente rekenfout, nu de draagkrachtberekening nog gemaakt moest worden. Ook kon eiser niet duidelijk zijn wat de draagkrachtberekening had moeten zijn, zodat geen sprake is van een eenvoudige zaak. Voorts is het vierde gedachtestreepje niet aan de orde. Tot slot overweegt de rechtbank dat de noodzaak tot het maken van bezwaar niet aan eiser zelf is te wijten, nu niet is komen vast te staan dat hij de telefonische oproepen van verweerder voorafgaand aan het primaire besluit heeft ontvangen en verweerder heeft nagelaten om eiser schriftelijk te benaderen om de informatie te vragen die nodig was voor de draagkrachtberekening en eiser daarbij te waarschuwen dat bij gebreke van die gegevens ambtshalve een betaalverplichting zou worden opgelegd.

5.1.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen, voor zover daarbij de kosten van rechtsbijstand van eiser in bezwaar zijn afgewezen.

5.2.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt. Verweerder heeft het bezwaar van eiser reeds gegrond verklaard, zodat de rechtbank dit niet alsnog hoeft te doen. Nu de gemachtigde van eiser in het bezwaarschrift heeft verzocht om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, is het aan de rechtbank om deze proceskostenvergoeding vast te stellen. Met betrekking tot de toepassing van de wegingsfactoren, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat de behandeling van een zaak in de bezwaarprocedure in beginsel behoort tot de categorie ‘gemiddeld’ (wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. In dat laatste geval ligt het op de weg van degene die zich erop beroept om de afwijking te onderbouwen. De rechtbank verwijst daartoe naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV3988).

5.3.

Nu verweerder geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die in dit individuele geval een afwijking kunnen onderbouwen van het hiervoor genoemde uitgangspunt, ziet de rechtbank geen aanleiding om de zaak niet als ‘gemiddeld’ aan te merken. De rechtbank zal daarom de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vaststellen op

€ 472,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, wegingsfactor 1). Deze uitspraak zal in de plaats treden van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

6.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep tegen het bestreden besluit gemaakte proceskosten. Deze kosten worden onder toepassing van het Bpb begroot op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, € 472,- per punt, wegingsfactor 1).

7.

Voorts zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiser betaalde griffierecht van € 44,- te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de kosten van rechtsbijstand van eiser in bezwaar zijn afgewezen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser een bedrag van € 472,- (zegge: vierhonderd tweeënzeventig euro) ter zake van kosten van bezwaar vergoedt;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,- (zegge: vierenveertig euro) aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het beroep tot een bedrag van

€ 944,- (zegge: negenhonderd vierenveertig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.I. van der Does, rechter,

in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 november 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB