Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9399

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
11-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_682
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat verweerder het bezwaarschrift van betrokkene tegen de herziening en terugvordering van studiefinanciering terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat het te laat is ingediend. Verweerder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres heeft ingestemd met digitale bekendmaking en dat het besluit tot herziening en terugvordering door middel van plaatsing op “Mijn DUO” op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Er is geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het besluit tot herziening en terugvordering van de studiefinanciering is weliswaar in rechte onaantastbaar geworden, maar dat betekent niet dat ook de feiten die verweerder daaraan ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. In het kader van de oplegging van de boete kan eiseres die feiten in volle omvang betwisten. Verweerder heeft zich op grond van de bevindingen van het huisbezoek terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet woonde op het adres waaronder zij in de GBA stond ingeschreven, zodat zij geen recht had op een uitwonendenbeurs. De rechtbank acht de boete van 50% van het teruggevorderde bedrag in lijn met de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 9.9 van de Wsf 2000. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die matiging van de boete in dit geval rechtvaardigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 13/682

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2013 in de zaak tussen

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. M. Sloot,

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

verweerder,

gemachtigde mr. G.J.M. Naber.

Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitwonendenbeurs van eiseres met ingang van 1 juli 2012 herzien en omgezet in een thuiswonendenbeurs. Het bedrag van € 762,16 aan te veel ontvangen studiefinanciering heeft verweerder aangemerkt als een schuld.

Bij besluit van 29 november 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder eiseres een boete van € 381,08 opgelegd, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde van feitelijke bewoning op het adres waaronder zij in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven.

Bij besluit van 31 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 juli 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 7 augustus 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Bij brief van 30 oktober 2013 heeft verweerder nadere stukken in het geding gebracht.

De rechtbank heeft de zaak vervolgens ter zitting behandeld op 12 november 2013.

Eiseres is verschenen bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van de herziening van de studiefinanciering

1.

In geschil is de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij niet heeft ingestemd met het digitaal bekendmaken van berichten studiefinanciering.

2.2.

Verweerder heeft betoogd dat eiseres op 5 juni 2012 om 22.40 uur heeft gekozen voor de digitale ontvangst van berichten studiefinanciering en daartoe het e-mailadres [e-mail] heeft doorgegeven.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eiseres voor digitale bekendmaking van berichten studiefinanciering heeft gekozen. Verweerder heeft daartoe een e-mail van 30 oktober 2013 overgelegd, waarin een afbeelding van een apparaatonafhankelijke bitmap is geplaats waaruit blijkt dat eiseres op 5 juni 2012 om 22.40 uur heeft ingestemd met “keuzedigibeschik”. Vervolgens is door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) op 5 juni 2012 om eveneens 22.40 uur een geautomatiseerde e-mail naar het e-mailadres van eiseres toegezonden met daarin de bevestiging van de registratie van haar e-mailadres. In deze mail staat duidelijk vermeld dat eiseres haar e-mailadres heeft geregistreerd bij verweerder en dat haar e-mailadres uitsluitend wordt gebruikt om berichten te versturen die betrekking hebben op de DUO. Het betoog van eiseres dat uit de overgelegde stukken niet duidelijk blijkt dat het gaat om het akkoord van eiseres voor digitale verzending volgt de rechtbank niet. De rechtbank verwijst hiervoor naar de datum en het tijdstip van de registratie van haar e-mailadres, 5 juni 2012 om 22:40, en de bevestigingsmail hiervan, 5 juni 2012 om 22:40, naar het onderwerp van de mail “bevestiging registratie e-mailadres” en naar de inhoud van deze mail.


2.4. Blijkens de door verweerder gehanteerde Algemene Voorwaarden (AV) brengt deze registratie met zich dat de berichten die betrekking hebben op de DUO in beginsel niet langer per reguliere post aan eiseres worden verzonden, maar dat zij deze berichten kan raadplegen op de website “Mijn DUO”. Het betoog van eiseres dat uit het feit dat zij nog reguliere post ontvangt van verweerder blijkt dat zij geen toestemming heeft gegeven voor digitale verzending, slaagt niet. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat alleen de berichten studiefinanciering digitaal bekend worden gemaakt en dat bijvoorbeeld controle post en boetebesluiten per reguliere post verzonden blijven worden. Ook uit de AV onder ‘Berichten online ontvangen’ onder 3 volgt dat er poststukken per reguliere post verzonden zullen worden, ook indien de student voor elektronische berichtgeving heeft gekozen.

3.1.

Voorts is tussen partijen in geschil of verweerder het primaire besluit I op de voorgeschreven wijze aan eiseres bekend heeft gemaakt en daarmee de bezwaartermijn is aangevangen.

3.2.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 7 augustus 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1216) uitspraak gedaan over de elektronische berichtgeving door verweerder. Daarin is -kort gezegd- overwogen dat gelet op de tekst van artikel 2:17, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als tijdstip waarop een bericht studiefinanciering elektronisch is verzonden, het tijdstip geldt waarop dit bericht is geplaatst op de website “Mijn DUO”. Op dat moment is het bericht te raadplegen en is het dus toegankelijk voor de geadresseerde als bepaald in artikel 2:17, eerste lid, van de Awb. Dit leidt vervolgens tot de conclusie dat die datum tevens de datum is waarop het besluit is bekendgemaakt in de zin van artikel 3:41 van de Awb. Op grond van artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift tegen een bericht studiefinanciering derhalve aan met ingang van de dag na plaatsing ervan op de website. Naar het oordeel van de CRvB komt daarmee aan de verzending van het e-mailbericht waarin betrokkene wordt geattendeerd op een op de website geplaatst nieuw bericht, in dit verband geen betekenis toe.

3.3.

In de vorengenoemde uitspraak heeft de CRvB geoordeeld dat de door verweerder beschreven systematiek ten aanzien van elektronische berichtgeving onvoldoende aanknopingspunten biedt om op grond daarvan aan te nemen dat de besluiten toegankelijk waren op de website. Naar het oordeel van de CRvB bood ook het in die zaken overgelegde outputbestand niet de vereiste duidelijkheid en verifieerbaarheid omtrent de datum van plaatsing van de daarin vermelde berichten studiefinanciering op de website. Het outputbestand bevatte geen verwerkingsdatum en de CRvB voegt hieraan toe dat, wat er ook zij van de hardbouncelijst, met een dergelijke lijst een datum van plaatsing van besluiten op de website niet kan worden bewezen. Hetzelfde geldt voor de aan betrokkene verstuurde e-mail.

3.4.

Anders dan in de in de uitspraak van de CRvB voorliggende situatie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in de onderhavige zaak met de door hem aangedragen gegevens wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit I op 29 oktober 2012 op de website “Mijn DUO” is geplaatst. In dit geval heeft verweerder naast een outputbestand ook een printscreen Digitaal Archief overgelegd met datum 29 oktober 2012. Uit deze printscreen kan worden afgeleid dat het aan eiseres gerichte bericht van 26 oktober 2012 daadwerkelijk is geplaatst op “Mijn DUO” op 29 oktober 2012. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiseres ook niet heeft ontkend dat het bericht te raadplegen was op “Mijn DUO”. Eiseres heeft ter zitting vermeld dat zij indertijd niet op “Mijn DUO” heeft gekeken of daar een bericht was geplaatst.

3.5.

Nu verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het primaire besluit I op 29 oktober 2012 is geplaatst op “Mijn DUO”, is het primaire besluit I daarmee op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. De termijn voor het indienen van het bezwaar is aangevangen de dag na plaatsing van dit bericht. De bezwaartermijn liep derhalve van 30 oktober 2012 tot en met 10 december 2012. Eiseres heeft haar bezwaarschrift pas op 17 december 2012 per reguliere post naar verweerder toegezonden, waarna het op 18 december 2012 door verweerder is ontvangen. Dit betekent dat het bezwaar niet tijdig is ingediend.

4.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij (ook) de e-mail van verweerder van 2 november 2012 niet heeft ontvangen, waarin verweerder eiseres erop heeft geattendeerd dat het bericht studiefinanciering van 26 oktober 2012 is geplaatst op “Mijn DUO”.

4.2.

De rechtbank begrijpt de stelling van eiseres aldus dat zij door het niet-ontvangen van de attentie e-mail te laat op de hoogte is geraakt van het besluit en dat zij aldus een beroep doet op verschoonbare termijnoverschrijding. Deze beroepsgrond slaagt niet. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiseres naar de DUO heeft gebeld nadat zij had gemerkt dat zij in oktober 2012 minder studiefinanciering had ontvangen. In dat telefoongesprek is eiseres naar eigen zeggen verteld dat haar studiefinanciering was verlaagd en vervolgens is er per post een afschrift van het primaire besluit I naar eiseres verzonden, dat zij binnen zeven (werk)dagen heeft ontvangen. Volgens eiseres wordt de studiefinanciering doorgaans rond de 24ste van de maand overgemaakt en vond het telefoongesprek plaats vóórdat zij de brief van 31 oktober 2012 met daarin de aankondiging van de boete had ontvangen. De rechtbank leidt hieruit af dat het telefoongesprek uiterlijk op 31 oktober 2012 moet hebben plaatsgevonden en dat eiseres aldus op die datum alsnog bekend is geworden met het herzieningsbesluit. Nu eiseres heeft gewacht met het indienen van het bezwaarschrift tot 17 december 2012, is reeds daarom geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding nu eiseres niet zo spoedig mogelijk een bezwaarschrift heeft ingediend.

5.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Ten aanzien van de boete

6.1.

Ingevolge artikel 9.9, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.

6.2.

In artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 is bepaald dat indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, Onze Minister hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

6.3.

Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb legt het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

7.

In geschil is de vraag of verweerder aan eiseres terecht een boete van 50% van de te veel toegekende en teruggevorderde studiefinanciering heeft opgelegd.

8.1.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat nu het bezwaar tegen de herziening en terugvordering van de studiefinanciering niet-ontvankelijk is, in het kader van de boete als vaststaand moet worden aangenomen dat eiseres niet woonachtig was op het GBA-adres [adres 1] te [woonplaats] (hierna: [adres 1]) en dus niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000.

8.2.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het besluit tot herziening en terugvordering van de studiefinanciering is weliswaar in rechte onaantastbaar geworden, maar dat betekent niet dat ook de feiten die verweerder daaraan ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. In het kader van de oplegging van de boete kan eiseres die feiten in volle omvang betwisten.

9.1.

De vraag die derhalve voorligt is of eiseres met ingang van 1 juli 2012 voldeed aan de verplichtingen voor een uitwonende studerende als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000.

9.2.

De rechtbank stelt vast dat eiseres studiefinanciering ontving naar de norm voor een thuiswonende op grond van de Wsf 2000. Op 11 juni 2012 heeft eiseres zich ingeschreven in de GBA op het adres [adres 1]. Op 16 juni 2012 heeft eiseres aan verweerder doorgegeven dat zij is verhuisd naar [adres 1]. Op 2 oktober 2012 heeft verweerder een huisbezoek laten plaatsvinden op de [adres 1]. Tijdens dit onderzoek zijn er geen persoonlijke spullen en geen studiespullen van eiseres aangetroffen in de woning. De tante van eiseres was bij het huisbezoek aanwezig en heeft verklaard dat er geen spullen van eiseres in de woning aanwezig zijn en dat die liggen in de woning van haar ouders op het adres [adres 2]. Tevens is geconstateerd dat er geen slaap- en bergruimte aanwezig is voor eiseres.

9.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op grond van de onderzoeksbevindingen terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres ten tijde van het onderzoek niet woonachtig was op het adres [adres 1] en aldus niet heeft voldaan aan de verplichtingen om in aanmerking te komen voor het normbedrag voor een uitwonende studerende als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000. Eerst ter zitting heeft eiseres weliswaar gesteld dat er wel spullen van haar aanwezig waren in de woning in een opbergruimte naast de slaapkamer, maar zij heeft dit niet op enigerlei wijze onderbouwd noch nader aangeduid welke spullen dit betrof of waar deze gelegen waren. Deze enkele stelling is aldus onvoldoende ter betwisting van de bevindingen als neergelegd in het proces-verbaal van het huisbezoek van 2 oktober 2012.

10.1.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de maximale boete ter hoogte van 50% van het terugvorderingsbedrag heeft opgelegd. Eiseres heeft daarbij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:CA1201).

10.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op grond van artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 aan eiseres een boete heeft mogen opleggen van 50% van het bedrag van de terugvordering, zijnde een boete van € 381,08. Dit acht de rechtbank in lijn met de Memorie van Toelichting (MvT) bij artikel 9.9 van de Wsf 2000 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010-2011, 32 770, nr. 3). Daarin wordt onder ‘3.3.2. Bestuurlijke boete (nieuwe situatie)’, onder het kopje ‘ad a. Boete 50%’ het volgende vermeld:

“De bestuurlijke boete bij een eerste keer misbruik van de uitwonendenbeurs bedraagt 50% van het bedrag dat een studerende teveel heeft ontvangen aan uitwonendenbeurs. Daarmee wordt een directe relatie gelegd tussen het ten onrechte ontvangen bedrag en de boete. De Tweede Kamer heeft in het debat van 9 februari 2010 een motie aangenomen, waarin de wens is geuit om bij een eerste keer misbruik van de uitwonendenbeurs direct een boete van 50% te kunnen opleggen. Deze wens wordt gehonoreerd in dit wetsvoorstel en sluit aan bij de in het Regeerakkoord aangekondigde hardere aanpak van fraude. In uitzonderlijke gevallen kan worden afgezien van het opleggen van een boete of kan de hoogte daarvan worden aangepast, bijvoorbeeld indien er sprake is van verminderde verwijtbaarheid of bij bijzondere omstandigheden. De 50% aan bestuurlijke boete wordt berekend over het verschil tussen thuis- en uitwonendenbeurs dat een studerende ten onrechte heeft ontvangen, met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de GBA.”

10.3.

Hieruit volgt dat de wetgever als uitgangspunt heeft willen nemen dat een boete wordt opgelegd van 50%. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan de hoogte daarvan worden aangepast. Voorts kan verweerder op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb de boete matigen, indien eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de boete dient te worden gematigd. Eiseres heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd en ook uit de overgelegde stukken is de rechtbank niet gebleken dat er in dit geval bijzondere omstandigheden zijn die een matiging van de boete rechtvaardigen. Evenmin is de rechtbank gebleken van een verminderde verwijtbaarheid. Het betoog van eiseres dat de boete te hoog is gelet op de korte periode dat zij niet aan de verplichtingen heeft voldaan slaagt niet. Met die omstandigheid wordt reeds rekening gehouden, doordat de hoogte van de boete 50% van de terugvordering bedraagt en derhalve rechtstreeks is gekoppeld aan het aantal maanden dat niet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000 is voldaan.

11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M. Beunk voorzitter,

mrs. K. Oldekamp-Bakker en M.M. Verberne, leden,

in aanwezigheid van mr. N. Strikwerda, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2013.

de griffier,

de voorzitter,

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB