Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9390

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-12-2013
Datum publicatie
02-10-2014
Zaaknummer
AMS 12-4253
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nominale bijdrage Zvw van meeverzekerd gezinslid.

Eiser woont met zijn gezin in Duitsland en is werkzaam in Nederland. Zijn echtgenote is in Duitsland werkzaam in een zogeheten “Minijob”. Op grond van de Duitse wetgeving is de echtgenote niet in Duitsland zelfstandig verzekerd tegen ziektekosten.

Eiser heeft kritiek dat zijn echtgenote op basis van haar mini-job niet onder de Duitse Sociale verzekering valt en heeft een beroep gedaan op artikel 11, derde lid, onder a van de Verordening (883/2004). Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (G.J. Kits van Heijningen) overweegt de rechtbank dat de wetgeving van het werkland leidend is voor de vraag of betrokkene verzekerd is voor de nationale sociale zekerheid van dat land. De Verordening (1408/71, thans 883/2004) speelt daarin geen rol, aangezien de Verordening slechts bepaalt welke nationale wettelijke regeling van toepassing is op degenen die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefenen. Dat de Duitse AOK heeft vastgesteld dat de echtgenote van eiser niet (zelf) op grond van haar mini-job is verzekerd is in lijn met de Duitse wetgeving. Het is niet aan de Nederlandse rechter om een oordeel te vellen over de Duitse wet.

Daarbij komt dat met de coördinerende functie van de Verordening is voorkomen dat de echtgenote wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele sociale zekerheidsbescherming zou genieten. Het bestreden besluit voorkomt dat.

Voorts is door eiser niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gestelde zorgverzekering in Duitsland een verzekering op basis van het Duitse wettelijke sociale verzekeringsstelsel betreft. Ook het bijdragen aan de zorg in Duitsland via de belastingen betreft louter een Duitse interne zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/4253

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats] (Duitsland), eiser,

en

het College voor Zorgverzekeringen, verweerder,

(gemachtigde S. Berghout).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2011 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiser een factuur gestuurd voor de nominale bijdrage die eiser op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) voor het jaar 2011 verschuldigd is voor zijn echtgenote [echtgenote] (echtgenote).

Bij besluit van 2 februari 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een factuur gestuurd betreffende de nominale bijdrage die eiser op grond van de Zvw voor het jaar 2012 verschuldigd is voor zijn echtgenote.

Bij besluit van 19 maart 2012 (het primaire besluit III) heeft verweerder de definitieve jaarafrekening voor de buitenlandbijdrage op grond van de Zvw voor het jaar 2011 vastgesteld.

Bij besluit van 23 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het geschil heeft betrekking op de bijdragen die de echtgenote van eiser ingevolge de Zorgverzekeringswet over de jaren 2010, 2011 en 2012 al dan niet verschuldigd is.

In dat kader gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

2.

Eiser woont samen met zijn echtgenote en kinderen net over de grens in Duitsland. Eiser is werkzaam in Nederland en sinds 1 januari 2006 op grond van EG-Verordening 1408/71 verzekerd ingevolge de (toen in werking getreden) Zorgverzekeringswet. Deze verordening is per 1 mei 2010 vervangen door EU-Verordening 883/2004 (hierna: de Verordening). Ook op grond van die Verordening valt eiser onder de Zorgverzekeringswet.

3.

Bij brieven van 8 november 2011 heeft de Allgemeine Ortskrankenkasse NordWest (AOK) aan verweerder medegedeeld dat ingaande:

– 3 november 2010 eisers echtgenote (evenals de kinderen) bij eiser is meeverzekerd;

– 21 februari 2011 eisers echtgenote (evenals de kinderen) niet (meer) bij eiser is meeverzekerd.

Bij brief van 13 december 2011 heeft de AOK eisers echtgenote en de kinderen (opnieuw) bij verweerder aangemeld als zijnde meeverzekerde gezinsleden met ingang van 15 augustus 2011. Deze laatste aanmelding houdt verband met het feit dat het Arbeitslosengeld van de echtgenote van eiser per die datum is geëindigd.

Eiser woont samen met zijn echtgenote en kinderen in Duitsland. Eiser is werkzaam in Nederland en sinds 1 januari 2006 verdragsgerechtigd op grond van de Verordening 1408/71, thans Verordening 883/2004 (de Verordening).

4.

Eiser en zijn echtgenote menen dat deze melding onjuist is. De echtgenote van eiseres werkt vanaf 1 juli 2011 in Duitsland bij het [werkadres1] in een zogeheten ¨Minijob¨. Zij valt dan op basis van de Verordening onder Duitsland, en behoeft geen bijdrage te betalen voor de Nederlandse zorgverzekering. Volgens eiser is de regeling van meeverzekerde gezinsleden bedoeld voor de niet-werkende partner. Het is daarnaast onbegrijpelijk dat voor het recht op een zelfstandige verzekering in Duitsland de hoogte van het salaris leidend is en niet het feit dat er gewerkt wordt in Duitsland.

Eiser en/of zijn echtgenote hebben in Duitsland geen actie in rechte ondernomen tegen de AOK, naar zij stellen omdat dat niet mogelijk is. Er is echter veel maatschappelijke kritiek op het feit dat Minijobbers niet vallen onder de sociale zekerheid. De problematiek speelt breder in de grensstreek. Eiser heeft ook een klacht ingediend bij de Europese Commissie.

De echtgenote van eiser betaalt bovendien via de belasting wel degelijk mee aan het Duitse ziektekostenstelsel. Ook draagt haar werkgever premies af voor een ziektekostenverzekering aan de Duitse Knappschaft.

5.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser verplicht is de nominale bijdrage voor zijn echtgenote te voldoen, aangezien de echtgenote door de AOK is aangemerkt als meeverzekerd gezinslid. Dat de echtgenote van eiser in Duitsland werkt in een Mini-job, maakt dat niet anders, nu volgens de Duitse wetgeving dat werk niet leidt tot een zelfstandige verzekering tegen ziektekosten. In dit geval bestaat er voor eisers echtgenote in Duitsland geen eigen recht op verstrekkingen, aldus verweerder. Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de echtgenote van eiser ook in Duitsland via de belastingheffing voor de ziektekosten betaalt geen afbreuk doet aan de plicht om de buitenlandbijdrage te voldoen. Eiser dient daarvoor Duitsland aan te spreken. Gelet op de bevestigingen van de AOK dient de echtgenoot van eiser daarom over de periode 3 november 2010 tot en met 20 februari 2011 en vanaf 15 augustus 2011 als meeverzekerd gezinslid te worden aangemerkt en dient eiser dus de bijdrage te voldoen.

6.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

7.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd die betrekking hebben op de periode vóór 1 juli 2011, toen de echtgenote van eiseres begon in haar ¨Minijob¨.

Evenmin is in geschil dat over de periode 1 januari 2011 tot en met 20 februari 2011 eiser de nominale bijdrage voor zijn echtgenote verschuldigd is en dat zijn echtgenote over de periode 21 februari 2011 tot en met 14 augustus 2011 is uitgesloten van de bijdrageverplichting.

8.

Waar het betreft de periode vanaf 15 augustus 2011 overweegt de rechtbank als volgt.

9.

Eiser heeft een beroep gedaan op het Europese sociale recht, naar de rechtbank begrijpt meer in het bijzonder op artikel 11, derde lid, onder a van de Verordening. Daarin is bepaald dat voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat (lees: het werkland) geldt. Hij heeft daarbij kritiek op het feit dat zijn echtgenote niet valt onder de Duitse sociale verzekering.

10.

In het arrest van 3 mei 1990 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) in zaak C‑2/89 (Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank en de erven en/of rechtverkrijgenden van G.J. Kits van Heijningen) geoordeeld over de onderworpenheid van werknemers met kleine dienstverbanden aan de wetgeving van het werkland. Dit arrest is te vinden op www.curia.eu.

Naar het Hof in die zaak heeft geoordeeld geldt voor de onderworpenheid aan de wetgeving van het werkland voor een werknemer de eis dat hij verzekerd dient te zijn op grond van de nationale sociale zekerheidswetgeving van dat land.

11.

In zijn arresten van 18 april 2013 (zaak C‑548/11, Mulders-Rijksdienst voor Pensioenen) en van 17 januari 2012 (zaak C‑347/10, Salemink-Uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen)(beide te vinden op www.curia.eu; zie met name de overwegingen 37 respectievelijk 38) heeft het Hof beklemtoond dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr. 1408/71 (thans: artikel 11, derde lid, onder a van de Verordening – de rechtbank) slechts bepaalt welke nationale wettelijke regeling van toepassing is op degenen die op het grondgebied van een lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefenen. Het bepaalt (echter) niet zelf onder welke voorwaarden het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat. Het Hof sluit dan af met de vaststelling dat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat is om deze voorwaarden vast te stellen.

12.

Op grond daarvan is het aan Duitsland zelf om te bepalen of Mini-jobbers al dan niet sociaal verzekerd zijn.

13.

In zijn arrest van 14 oktober 2010 in zaak C‑16/09 (Gudrun Schwemmer tegen Agentur für Arbeit Villingen-Schwenningen – Familienkasse), heeft het Hof onder punt 21 vastgesteld dat Schwemmer vanaf mei 2006 in beperkte omvang in loondienst was bij een onderneming. Uit het dossier dat aan het Hof was overgelegd, is het Hof gebleken dat het een „Minijob” betrof die niet onder de sociale zekerheid valt. Dit arrest is te vinden op www.curia.eu.

Dit is ook in lijn met het oordeel van het Bundessozialgericht van 22 mei 2003 (B 12 KR 13/02 R, te vinden op www.lexetius.com). Daarin heeft het Bundessozialgericht onder meer geoordeeld dat “minijobbers” met een inkomen tot € 400 kosteloos als gezinslid medeverzekerd kunnen blijven bij de hoofdverzekerde. Duitsland heeft dus bepaald dat “minijobbers” niet zelfstandig verzekerd zijn voor de Duitse sociale zekerheidswetgeving.

14.

De mededeling van de AOK dat de echtgenote van eiser niet (zelf) op grond van haar mini-job is verzekerd, is hiermee geheel in lijn.

15.

Het is niet aan de Nederlandse rechter om een oordeel te vellen over de Duitse wet. Dat wordt niet anders indien zoals gesteld, eiser (of zijn echtgenote) daarvoor niet de Duitse rechter om een oordeel zouden kunnen vragen. De rechtbank laat dan nog daar dat deze stellingname niet is onderbouwd, en dat evenmin is gebleken van een concrete, maar vergeefse poging van eiser (of van zijn echtgenote) om een dergelijk oordeel te verkrijgen.

16.

In de arresten inzake Mulders en Salemink herhaalt het Hof nog wel een belangrijke kanttekening, die ook reeds was gemaakt in het arrest Erven Kits van Heijningen (waarnaar ook wordt verwezen). De lidstaten dienen wel het recht van de Unie na te leven, waarbij het Hof dan in het bijzonder wijst op de coördinatieverordening (destijds Verordening 1408/71; thans Verordening 883/2004) en de in het EU-verdrag neergelegde bepalingen met betrekking tot het vrij verkeer van werknemers. De rechtbank wijst er daarbij op dat de Verordening niet harmonisatie tot doel heeft (het wegnemen van onderlinge verschillen tussen de sociale zekerheidsstelsels), maar slechts de coördinatie ervan.

In overweging 12 van het arrest Erven Kits van Heijningen heeft het Hof erop gewezen dat de coördinatiebepalingen (thans Verordening 883/2004) niet alleen tot doel hebben de gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wettelijke regelingen en de mogelijke complicaties daarvan te voorkomen, maar ook te beletten dat binnen de werkingssfeer van de verordening vallende personen wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele sociale-zekerheidsbescherming genieten.

17.

In artikel 17 van de Verordening is bepaald dat een verzekerde en zijn gezinsleden die in een andere lidstaat dan de bevoegde lidstaat wonen, in de lidstaat van hun woonplaats recht hebben op verstrekkingen die voor rekening van het bevoegde orgaan worden verleend door het orgaan van de woonplaats, volgens de door dit orgaan toegepaste wetgeving, alsof zij krachtens die wetgeving verzekerd waren.

18.

Niet is in geschil dat eiser is verzekerd en dat hij en zijn gezinsleden in een andere lidstaat dan Nederland wonen. Hoewel de minijob van de echtgenote van eiser niet onder de sociale zekerheid valt, biedt artikel 17 van de Verordening haar toch een aanspraak op verstrekkingen in haar woonland, die zij zonder die bepaling niet zou hebben. Daarmee wordt voorkomen dat zij wegens het ontbreken van een toepasselijke wettelijke regeling geen enkele socialezekerheidsbescherming zou genieten.

Daarmee is ook aan de onder 16 laatst omschreven nadere voorwaarde voldaan.

19.

Eiser betwijfelt dat het maandbedrag dat in rekening is gebracht door verweerder juist is. Volgens hem betalen mensen in Nederland een lager bedrag.

20.

De rechtbank stelt vast dat het in rekening gebrachte totaalbedrag € 938,54 is. Dit bedrag betreft alleen de nominale bijdrage. Dat komt omgerekend in het gehele jaar (en dus niet vanaf maart 2012) neer op een bedrag van € 78,21 per maand. Dit bedrag is lager dan de premie die in Nederland volgens de Zvw in rekening wordt gebracht. Dat dit bedrag lager is valt te verklaren door de woonlandfactor.

Dat mensen in Nederland een lager bedrag betalen is dus niet juist.

21.

Eiser heeft nog gesteld dat zijn echtgenote in Duitsland belasting betaalt waaruit ook zorgkosten worden voldaan, en dat zij is verzekerd via de Knappschaft.

22.

Gelet op het onder 13 genoemde Hof-arrest van 14 oktober 2010 in de zaak Schwemmer en het daar genoemde oordeel van het Bundessozialgericht, is het geenszins aannemelijk dat het bij die verzekering gaat om een verzekering op basis van het Duitse wettelijke sociale verzekeringsstelsel.

Eiser heeft overigens ook niet gesteld dat het om een dergelijke verzekering gaat. Die verzekering kan dan ook niet afdoen aan de verplichting tot bijdragebetaling voor eisers echtgenote.

Daarbij wijst de rechtbank er aanvullend nog op dat de Verordening slechts betrekking heeft op de coördinatie van wettelijke sociale zekerheidsstelsels, en dat op grond van artikel 1, aanhef en onder l van de Verordening contractuele verplichtingen in beginsel niet vallen onder de term ¨wetgeving¨.

23.

Waar het betreft de betaling van belasting in Duitsland wijst de rechtbank naar overweging 5.4. uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 september 2011, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder ECLI:NL:CRVB:2011:BT2302, en de daarin genoemde overwegingen 100 en 101 uit het arrest van het Hof inzake Van Delft e.a. (zaak C-345/09; ook te vinden op www.curia.eu).

Die betaling betreft een interne Duitse zaak. Zij kan niet tot de conclusie leiden dat verweerder door een Zvw-bijdrage te heffen het recht van appellanten op vrij verkeer schendt.

24.

Ook zo bezien is er dus geen reden voor het oordeel dat verweerder niet mocht afgaan op het oordeel van de AOK.

25.

Al hetgeen eiser heeft aangevoerd kan dus niet leiden tot gegrondverklaring van het beroep. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

26.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, evenmin als voor een vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter,

in aanwezigheid van mr. E.M. Kolkman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB