Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9387

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
AMS 12-6007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep van Amsterdamse gemeenteambtenaar tegen de herziening van zijn toeslag voor bezwarende werkzaamheden op grond van de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI). Kort samengevat is de rechtbank van oordeel dat het Stadsdeel bij het toepassen van de MRI niet in strijd met de Nieuwe rechtspositieregeling Amsterdam, het zorgvuldigheids- en/of motiveringsbeginsel heeft gehandeld. De rechtbank is ook niet gebleken van misbruik van de bevoegdheid tot herziening, louter omdat de toeslag is verlaagd. De ambtenaar was graag nader betrokken geweest bij de totstandkoming van het MRI-onderzoek, had graag een (uitgebreider) verslag van dat onderzoek gekregen en wilde een gedetailleerd MRI-formulier. De MRI schrijft een dergelijke betrokkenheid, verslaggeving en MRI-formulier op detailniveau echter niet voor, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat het Stadsdeel de methode onjuist heeft toegepast. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/6007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2013 in de zaak tussen

[eiser], wonende te[woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. A. Lange),

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Oost van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde mr. E. Versloot).

Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder met ingang van 1 juli 2012 aan de bezwarende werkzaamheden behorende bij de functie van eiser een inconveniëntentoeslag toegekend. Bij dit besluit is eisers bodemgarantietoeslag verhoogd tot een bedrag van € 273,93 per maand.

Bij besluit van 22 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verder verschenen mevrouw [naam 1], projectleider MRI, en de heer [naam 2], coördinator groen.

Overwegingen



1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiser is bij verweerder in vaste dienst aangesteld in de functie van Coördinator B, werknaam meewerkend voorman groen. Voor deze functie wordt eiser tewerkgesteld in de buitendienst in het stadsdeel Oost, alwaar hij, kort gezegd, samen met zijn ploeg verantwoordelijk is voor het onderhoud van de groenvoorzieningen. Daarnaast voert eiser als meewerkend voorman ook coördinerende taken voor zijn ploeg uit.

1.2.

Aan de functie van eiser zijn inconveniënten verbonden, taken die niet vermijdbaar en bezwarend zijn. Deze bezwarende taken zijn bijvoorbeeld gelegen in de houdings- en bewegingsbelasting, in het werkmilieu zoals verontreiniging, stank en lawaai en in beschermende maatregelen zoals werkkleding, gehoorbescherming et cetera. Voor deze inconveniënten ontving eiser tot 1 juli 2012 een toeslag gebaseerd op de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI). Destijds is klasse 2 toegekend. Daarnaast ontving eiser een bodemgarantietoeslag in verband met een eerdere verlaging van de MRI-toeslag van klasse 3 naar 2.

1.3.

Als gevolg van de fusie van een aantal stadsdelen in Amsterdam in 2010 tot de nieuwe stadsdelen Zuid, Oost, West en Nieuw West, bleken ambtenaren met dezelfde functie en taken binnen de nieuw gevormde stadsdelen een andere MRI-klasse te ontvangen voor dezelfde bezwarende taken. Daar dit door de stadsdelen als onwenselijk werd ervaren, zijn deze vier stadsdelen tezamen in 2011 een MRI-herijkingsproject gestart om de functies en de daarbij behorende MRI-toeslagen binnen elk stadsdeel te harmoniseren.

1.4.

Het harmonisatieproject heeft in het geval van eiser geleid tot het primaire besluit, waarbij aan eiser de lagere MRI-klasse 1 is toegekend ten bedrage van € 136,97 per maand. Aan eiser is daarnaast een bodemgarantietoeslag toegekend ter compensatie van het bedrag dat hij er financieel op achteruitgaat.

1.5.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft bij deze procedure, omdat hij er vanwege de toegekende bodemgarantietoeslag financieel niet op achteruitgaat. Verweerder heeft subsidiair, kort gezegd, overwogen dat de MRI-procedure correct is doorlopen en dat het onderzoek naar de bezwarende taken zorgvuldig door een gecertificeerde MRI-deskundige, de heer [naam 3] (hierna: [naam 3]), is verricht. Er is volgens verweerder niet gebleken dat de MRI-klasse 1 onjuist zou zijn.

1.6.

Eiser is het met de verlaging van zijn MRI-toeslag niet eens. Hij voert daartoe in beroep, kort weergegeven, primair aan dat hij wel procesbelang heeft. Eiser voert daarnaast aan dat de MRI-procedure en daarmee de besluitvorming niet correct is verlopen. Volgens eiser heeft verweerder misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot herijking van de MRI om tot een lagere toeslag te komen. Eiser trekt verder de deskundigheid van [naam 3] in twijfel en de door hem bij het onderzoek betrokken Handleiding MRI Onderzoek bij Generieke Typeringen (hierna: de Handleiding MRI) en de Handleiding Overheidstarieven 2011 van het Ministerie van Financiën (hierna: de Handleiding Overheidstarieven). Het onderzoek is verder niet met onderliggende stukken onderbouwd en inzichtelijk gemaakt en daarom is de besluitvorming ook onvoldoende gemotiveerd, aldus eiser. Het is voor eiser op deze manier niet duidelijk hoe de tijdsduur en frequentie van de bezwarende taken is berekend en hoe de scores tot stand zijn gekomen. Eiser is het ook niet eens met de “korting” van 15% die verweerder in verband met zijn coördinerende taken op de tijdsduur van zijn bezwarende taken heeft toegepast, omdat hij deze tijdens het verrichten van de bezwarende taken uitvoert, zodat hij evenveel bezwarende taken verricht als de rest van zijn ploeg.

2.

De rechtbank gaat uit van het volgende juridisch kader.

2.1.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2.

In artikel 3.2, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) is bepaald dat het rangordenen en waarderen van functies naar structurele inconveniënten plaatsvindt aan de hand van de MRI als omschreven in:

a. de methode voor het rangordenen van inconveniënten V013 (26 augustus 2003);

b. de voorbeeldbundel 2003 (26 augustus 2003), en

c. de volgende waardering:

Score Klasse Toeslag

0

tot en met 7 0 -

8

tot en met 16 1 6,75%

17

tot en met 25 2 13,50%

26

of meer 3 20,25%

In het tweede lid is bepaald dat het percentage genoemd in het eerste lid, onder c, wordt toegepast op de berekeningsgrondslag die is vermeld in de Bedragengids.

In het derde lid is bepaald dat de uitkomst van de waardering een geldigheidsduur heeft van drie jaar.

2.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is de rechterlijke toetsing van functiewaarderingen terughoudend en beperkt tot de vraag of de waardering op onvoldoende gronden berust. Tot vernietiging kan volgens de Raad slechts worden overgegaan als deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daartoe is onvoldoende als een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is. De MRI is op zichzelf genomen geen functiewaardering, maar behelst wel de waardering van onderdelen van de functie, te weten de bezwarende taken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om bij de rechtspraak van de Raad ten aanzien van functiewaarderingen aan te sluiten.

3.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van het procesbelang

3.1.

Verweerder stelt dat eiser in verband met de toekenning van een bodemgarantie-toeslag geen belang heeft bij de onderhavige procedure. Eiser heeft wel een lagere MRI-toeslag toegekend gekregen, maar gaat er in financieel opzicht niet op achteruit nu hij volgens de NRGA recht heeft op (en toegekend heeft gekregen) een compensatie ter hoogte van het verschil tussen de eerder toegekende MRI-toeslag en de huidig toegekende MRI-toeslag.

3.2.

Voor het oordeel dat het procesbelang niet aanwezig is of is komen te vervallen, ziet de rechtbank onvoldoende grond.

Ter toetsing ligt voor een besluit van verweerder tot vaststelling van de waarde van de inconveniënten die zijn verbonden aan de functie van eiser. Naar ook niet in geschil is, gaat het daarbij om een zogeheten “organieke” waardering, niet van de functie als geheel, maar van daaraan verbonden inconveniënten.

3.3.

Naar vaste rechtspraak van de Raad onder de Ambtenarenwet 1929 bestond voor ambtenaren niet de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen een besluit tot organieke waardering van hun functie (of van onderdelen daarvan). Een dergelijk besluit werd door de Raad op één lijn gesteld met een algemeen verbindend voorschrift waartegen op grond van artikel 58, vijfde lid, van de Ambtenarenwet 1929 geen beroep openstond. Ambtenaren konden het resultaat van de functiewaardering overigens wel alsnog ter discussie stellen in het kader van een beroep tegen een daarop gebaseerd inschalingsbesluit.

De inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht per 1 januari 1994 heeft daarin echter wijziging gebracht (zie bijv. de uitspraak van de Raad van 20 april 1995, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:CRVB:1995:ZF1965). Ook tegen organieke functiewaarderingsbesluiten staat daarom apart beroep open, los van de vraag welk financieel voordeel daarmee gepaard gaat voor de individuele ambtenaar. Waar de ambtenaar niet meer behoeft te wachten op het besluit tot inschaling, maar apart beroep kan instellen tegen de waardering van de functie, kan het achterwege blijven van een financieel nadeel in de bezoldiging niet (direct) een argument (meer) vormen om te komen tot de conclusie dat geen sprake meer is van een procesbelang bij de waardering van de functie.

3.4.

Anders dan verweerder sluit de rechtbank niet uit dat eiser door het bestreden besluit in zijn ambtelijke rechtspositie geraakt kan worden, bijvoorbeeld in het kader van een bevordering. De rechtbank neemt het procesbelang daarom aan.

Ten aanzien van de methode

3.5.

Zoals in artikel 3.2, eerste lid, van de NRGA is bepaald vindt het rangordenen en waarderen van functies naar structurele inconveniënten plaats aan de hand van de MRI als omschreven in de methode voor het rangordenen van inconveniënten V013 en de voorbeeldbundel 2003.

3.6.

Naar niet in geschil is, is bij de in geding zijnde rangordening van inconveniënten toepassing gegeven aan de methode V013 en de voorbeeldbundel 2003. De gehanteerde methodiek is in zoverre dus in overeenstemming met de NRGA.

3.7.

Voor zover eiser de aanvaardbaarheid of juistheid van die methode betwist of stelt dat de methode te fictief is, overweegt de rechtbank dat de NRGA die methodiek voorschrijft, en dat niet alleen verweerder, maar ook de rechter daaraan is gebonden. Daarbij tekent de rechtbank aan dat een systeem van organieke waardering naar vaste rechtspraak van de Raad ook inhoudelijk bezien rechtens aanvaardbaar is te achten. Dit betekent dat de methode V013 als een gegeven wordt beschouwd.

Ten aanzien van functiekundige [naam 3]

3.8.

Eiser heeft de deskundigheid van functiekundige [naam 3] die het MRI-onderzoek heeft uitgevoerd, in twijfel getrokken. Eiser heeft daarnaast ter zitting toegelicht dat [naam 3] niet onafhankelijk is omdat hij de methode V013 onvoldoende kritisch heeft toegepast, terwijl deze methode volgens eiser niet correct is.

3.9.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam 3] volledig gecertificeerd is en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 3.2 van de NRGA. [naam 3] is sinds 1993 met grote regelmaat werkzaam geweest binnen de gemeente Amsterdam als MRI/MRF-deskundige. Hij heeft daarmee de nodige werkervaring. Bovendien was [naam 3] niet de enige verantwoordelijke voor het MRI-onderzoek, nu achter [naam 3] een gezamenlijke projectgroep van de stadsdelen stond, waarvan minimaal één persoon ook MRI/MRF-gecertificeerd is, aldus verweerder.

3.10.

De rechtbank overweegt dat blijkens de toelichting van artikel 3.2 van de NRGA het rangordenen en waarderen van aan de functie verbonden bezwarende werkzaamheden alleen door een daartoe gecertificeerde medewerker mag plaatsvinden. Eiser heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt of op enige andere wijze aangetoond dat [naam 3] niet zou voldoen aan deze omschrijving. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat [naam 3] over de benodigde certificaten beschikt. Eiser heeft dit overigens niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat [naam 3] niet voldoet aan de eisen van artikel 3.2 (en de toelichting daarop) van de NRGA en daarmee het onderzoek ongeldig zou zijn.

3.11.

De rechtbank is verder niet gebleken dat [naam 3] door het enkele gegeven dat hij de methode heeft toegepast niet onafhankelijk zou zijn. Uit de methode blijkt overigens ook niet dat sprake moet zijn van (een dergelijke) onafhankelijkheid, nu volgens de toelichting bij artikel 3.2 van de NRGA wel de eis van certificering van de medewerker geldt, maar niet (daarnaast) die van de door eiser gestelde onafhankelijkheid. Verweerder mocht dus het MRI-onderzoek zoals verricht door [naam 3] ten grondslag leggen aan het bestreden besluit.

Ten aanzien van verweerders bevoegdheid en de harmonisatie van de toeslagen

3.12.

Eiser voert in beroep aan dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot herziening van de MRI om tot een lagere MRI-classificatie te komen, terwijl er geen wijziging in de taken of werkomstandigheden heeft plaatsgevonden. Eiser ziet de door verweerder nagestreefde harmonisatie ook niet terug in de dagelijkse werkzaamheden.

3.13.

Verweerder heeft dit betwist en stelt dat harmonisatie van de MRI-toeslagen in dezelfde functies binnen het stadsdeel per 1 juli 2012 het enige doel is geweest. Het stadsdeel Zuid is na de herziening bovendien duurder uit dan ervoor, omdat in dat stadsdeel meer medewerkers in MRF- en sommigen in MRI-klasse er op vooruit zijn gegaan dan dat er medewerkers waren die er op achteruit zijn gegaan, aldus verweerder. De MRI-klasse is volgens verweerder bovendien alleen verlaagd als daartoe aanleiding bestond en er zijn ruime garantieregelingen toegepast ter financiële compensatie. Verweerder is daarbij van mening dat de harmonisatie – zoals beoogd – per 1 juli 2012 een feit is en daardoor een gezamenlijke MRI-toeslag kan gelden voor de medewerkers binnen één functie.

3.14.

De rechtbank stelt vast dat de verplichting tot herziening van de MRI in artikel 3.2 van de NRGA is vastgelegd. Dat de herziening in het geval van eiser heeft geleid tot verlaging van zijn MRI-klasse betekent nog niet dat verweerder misbruik heeft gemaakt van die bevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser dergelijk détournement de pouvoir ook niet aannemelijk gemaakt.

De wel voorhanden zijnde feitelijke gegevens wijzen juist ook in een andere richting. Gelet op de fusie tussen verschillende stadsdelen ligt het immers voor de hand om te komen tot een nieuwe bepaling van de MRI. Verweerder mocht dan ook binnen het nieuw gevormde stadsdeel een gelijke MRI-toeslag toekennen aan alle medewerkers die dezelfde functie uitvoeren.

Ten aanzien van de productieve uren

3.15.

Eiser betoogt verder dat de NRGA, die uitgaat van een werkdag van 7,2 uur (36 uur per week) niet in overeenstemming is met de MRI, die uitgaat van een werktijd van acht uur per dag. Anderzijds is eiser het niet eens met de door verweerder gehanteerde zes netto productieve uren per dag in het MRI-formulier. Verweerder heeft hiermee ten onrechte gehandeld conform de Handleiding MRI en daarmee in strijd met de V013, omdat op deze wijze nooit maximaal acht uur gescoord kan worden. Daarbij is in het MRI-onderzoek onvoldoende aandacht geweest voor de verdiscontering van de seizoensinvloeden, aldus eiser.

3.16.

Verweerder heeft aangegeven dat er geen strijd is tussen de NRGA en de V013, omdat een werkweek op grond van de NRGA 36 uur bedraagt en daarmee een werkdag 7,2 uur is. De medewerkers die feitelijk acht uur per dag werken, bouwen vier uur per week compensatieverlof op. Op een ander moment in het jaar voert eiser dan ook minder bezwarende taken uit.

Verweerder heeft verder aangegeven dat per werkdag van acht uur in theorie daadwerkelijk acht uur bezwarende taken kunnen voorkomen. Echter is tijdens het MRI-onderzoek gebleken dat in geen van de functies die zijn onderzocht door de werknemers per werkdag meer dan zes uur aan bezwarende taken wordt verricht. Er worden volgens verweerder vakantiedagen en werkoverleggen, maar geen ziektedagen in mindering gebracht op de werktijden.

3.17.

De rechtbank stelt voorop dat de toeslag volgens de MRI over een heel jaar wordt uitbetaald, terwijl niet alle bezwarende taken het hele jaar door voorkomen, bijvoorbeeld omdat deze seizoensgebonden zijn. De V013 schrijft echter geen berekeningsmethode voor om tot een jaargemiddelde te komen. In de doelstelling staat wel vermeld dat de inconveniënten worden gewogen zowel naar de intensiteit als naar de duur waarin zij voorkomen, een en ander tegen de achtergrond van de totale werkperiode. Verweerder heeft daarbij gekozen voor het tijdvak van een jaar. In hoofdstuk 10 staat dat de regeling van dien aard is dat een compensatie wordt vastgesteld aan de hand van de tijd, gedurende welke de inconveniënten ook feitelijk voorkomen (cursivering rechtbank). Daarbij past juist een aanpak waarbij wordt gekeken in welke uren de inconveniënten zich voordoen en in welke niet.

3.18.

Voor wat betreft het tijdvak van een jaar is het alternatief dat eiser – zoals voorheen – per dag, week of maand achteraf moet worden betaald aan de hand van zijn feitelijk verrichte bezwarende taken. Dit is nu juist een systeem waarvoor destijds niet meer is gekozen. Verweerder hoefde geen reden te zien om daarop nu weer terug te komen.

Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om het kiezen voor een tijdvak van een jaar onredelijk te achten.

3.19.

De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat geen sprake is van strijd tussen de NRGA en de V013 op het punt van de werktijden. Daarnaast acht de rechtbank de stelling van verweerder dat op een volledige werkdag van acht uur nooit de volle werktijd bezwarende taken wordt uitgevoerd, voldoende aannemelijk. Immers op een werkdag komen ook niet-bezwarende bezigheden voor, zoals koffiepauzes, omkleden, aanrijtijden, werkoverleggen et cetera. Voor de niet-bezwarende taken wordt geen toeslag toegekend en deze worden dan ook niet in het MRI-formulier vermeld. De rechtbank acht de in het MRI-formulier gehanteerde zes uur bezwarende taken daarom niet onhoudbaar. Dat ook vakantie uren van de werktijd worden afgetrokken acht de rechtbank eveneens redelijk, nu gedurende de vakantie uren in ieder geval geen bezwarende taken worden verricht. Dat is gekozen voor een periode van een jaar, wil verder niet zeggen dat [naam 3] onvoldoende aandacht heeft besteed aan de verschillende bezwarende werkzaamheden die worden beïnvloed door de seizoenen.

Ten aanzien van de Handleiding MRI en Handleiding overheidstarieven

3.20.

Eiser heeft meer in het algemeen aangevoerd dat verweerder bij de herijking van de MRI-toeslag ten onrechte de Handleiding MRI heeft gehanteerd. Volgens eiser is deze Handleiding MRI niet door het bevoegd gezag vastgesteld en wordt deze niet expliciet in artikel 3.2 van de NRGA genoemd. Volgens eiser is hetgeen in de Handleiding MRI staat vermeld bovendien in strijd met de V013, omdat daarin wordt verwezen naar een berekeningsmethodiek van gemiddelden uit de Handleiding Overheidstarieven. Hierbij wordt uitgegaan van kortere werktijden dan de MRI, namelijk netto productieve uren van 5,2 uur per dag en worden ziekte- en verlofdagen in mindering gebracht op de gewerkte uren.

3.21.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de Handleiding MRI op het standpunt gesteld dat dit een werkinstructie voor – onder andere – de leidinggevenden is. Van strijd met de V013 is volgens verweerder geen sprake, omdat de MRI ook van gemiddelden uitgaat. De Handleiding Overheidstarieven is niet gebruikt voor het berekenen van de MRI-toeslag, maar ter illustratie van productieve werkuren op een doorsnee werkdag. Bij de opstelling van het inconveniënten typerings- en waarderingsformulier (hierna: het MRI-formulier) is bovendien niet uitgegaan van een netto productieve werkdag van 5,2 uur.

3.22.

De rechtbank overweegt dat het verweerder vrijstaat om een werkinstructie als de Handleiding MRI te maken om het doel van harmonisatie van de MRI-scores binnen de stadsdelen te kunnen bereiken. Dat deze werkinstructie niet officieel is vastgelegd in de NRGA maakt dat niet anders, zolang deze inhoudelijk niet in strijd is met de methode zelf. Van enige strijd met de methode is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De methode verbiedt niet om (ook) te kijken naar de productieve uren binnen het aantal werkuren.

De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de Handleiding Overheidstarieven niet is gebruikt voor de berekening van de MRI-toeslag. Nu deze Handleiding Overheidstarieven niet is gebruikt, is de vraag of deze Handleiding conflicteert met de V013 in dit geding niet relevant.

Ten aanzien van de documentatie

3.23.

Eiser voert verder aan dat de procedure niet juist of onzorgvuldig is verlopen, althans dat dit niet te controleren valt, omdat verweerder daarvan niets gedocumenteerd heeft. Eiser is niet betrokken geweest bij het vaststellen van de bezwarende taken en het veldonderzoek door [naam 3] duurde veel te kort om een goed beeld te krijgen. Bovendien valt nu niet na te gaan waarom eiser bij de vorige MRI-herijking nog klasse 2 scoorde, terwijl aan de functie niets is veranderd.

3.24.

Ten aanzien van de documentatie overweegt de rechtbank het volgende. In de V013 staat niet aangegeven dat elke stap in de procedure moet worden gedocumenteerd, opdat de betrokken medewerkers deze zouden kunnen controleren. Alleen het resultaat van het MRI-onderzoek, het MRI-formulier, moet worden opgesteld. Dat is feitelijk ook gedaan. Aan eiser stond verder ook de schriftelijke vastlegging van de gevolgde methodiek ter beschikking. Waar eiser uit eigen ondervinding ook weet wat zijn werkzaamheden inhouden, kan dan niet worden gezegd dat hij over onvoldoende middelen beschikt om het resultaat van de MRI kritisch te toetsen of te kunnen doen toetsen in bezwaar of in beroep.

3.25.

De rechtbank overweegt verder dat niet de vorige MRI-indeling maar slechts de huidige waardering ter beoordeling voorligt. Dat de gegevens van de vorige MRI zich niet volledig in het dossier bevinden, is daarmee geheel in lijn. Ten aanzien van eiser zit overigens wel de inventarisatie MRI van de stadsdeelwerken Watergraafsmeer uit 1999/2000 in het dossier, maar verweerder was naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden deze stukken (voor zover aanwezig) in te dienen. Dat die stukken thans inhoudelijk nog relevant zijn, is immers niet aannemelijk, omdat ze niet ten grondslag lagen aan de huidige MRI en daaraan -gelet op de methode- ook niet ten grondslag hoefden te liggen. De stukken dateren bovendien uit 1999/2000 en zijn dus verre van actueel.

Er kunnen ook allerlei redenen zijn waarom de beoordeling deze keer lager is uitgevallen dan de vorige keer, zoals de komst van nieuwe (arbo-technische) hulpmiddelen. Anderzijds kan de vorige beoordeling ook fout zijn geweest. Ook om die reden valt niet in te zien dat die stukken onmisbaar zijn in dit geding. Van strijd met het beginsel van fair play dan wel equality of arms is dan ook geen sprake. Dit geldt ook voor de stukken waar de MRI-deskundige zich op heeft gebaseerd.

Ten aanzien van eisers betrokkenheid bij de procedure

3.26.

Eiser heeft aangevoerd dat onderdelen van zijn werk niet goed in kaart zijn gebracht, en dat hij onvoldoende inbreng heeft gehad in het proces van het in kaart brengen van zijn werkzaamheden. Die beroepsgronden baten eiser echter niet om de volgende redenen.

3.27.

De in de NRGA gekozen methodiek van functiewaardering en rangordening heeft een organiek karakter. Anders dan bij een zogeheten “mens-waardering” staan bij die organieke waardering niet de door elke medewerker individueel verrichte feitelijke werkzaamheden centraal, maar het samenstel van werkzaamheden zoals dat is opgedragen door de dienst. Op grond van de NRGA behoefde verweerder dan ook niet bij eiser te informeren naar de werkzaamheden die hij feitelijk individueel verrichtte.

3.28.

Voor zover eiser de aanvaardbaarheid of juistheid van die methode betwist of stelt dat de methode (om die reden) te fictief is, overweegt de rechtbank nog dat de NRGA die methodiek voorschrijft, en dat niet alleen verweerder, maar ook de rechter daaraan is gebonden. Daarbij verwijst de rechtbank nog naar hetgeen op dit punt hiervóór ten aanzien van de methode is overwogen.

3.29.

De V013 geeft in hoofdstuk 2 weer dat er een onderzoek plaatsvindt, dat een inventarisatie van de inconveniënten moet plaatsvinden en dat dit leidt tot de waardering en compensatie van de inconveniënten en niet meer dan dat. De Handleiding MRI geeft op pagina 8 de te nemen stappen in de procedure aan, waarin de leidinggevende degene is die de informatie geeft aan de deskundige. Dat laatste is in lijn met het gegeven dat de V013 voorschrijft dat de bezwarende taken vanuit de organisatie, worden vastgesteld. Daarbij past het om die vaststelling te laten plaatsvinden door de leidinggevenden. De medewerkers worden in principe niet in de methode betrokken in verband met de objectiviteit. Het veldonderzoek is de derde stap in de procedure en fungeert slechts als een controlemoment achteraf voor de MRI-deskundige of de door de leidinggevende opgegeven bezwarende taken in zwaarte, frequentie en duur juist zijn. De leidinggevende oefent daarnaast weer controle uit op de MRI-deskundige. Dat betekent dat de inspraak van de medewerkers op zichzelf geen onderdeel uitmaakt van de MRI. De rechtbank begrijpt dat eiser het veldonderzoek liever als uitgangspunt van het onderzoek had gezien en daaraan een eigen bijdrage had willen leveren, maar de V013 schrijft nu eenmaal anders voor en deze methode zelf is -als gezegd- een vaststaand gegeven waaraan verweerder is gebonden. Dat verweerder eiser niet bij het onderzoek heeft betrokken, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als onzorgvuldig worden aangemerkt.

Ten aanzien van de frequentie en tijd per bezwarende taak

3.30.

Eiser betwist in beroep verder de juistheid van het MRI-formulier. Eiser stelt in de eerste plaats dat het formulier niet compleet is, omdat de werkzaamheden te summier zijn opgenomen. Dit klemt te meer nu eiser werkzaam is in een ploeg met generieke functies, waarbij de functies onderling (een beetje) kunnen verschillen. Eiser acht verder de frequentie en tijdsaspecten van de bezwarende taken onvoldoende in kaart gebracht en gedocumenteerd in de stukken, waardoor voor alle tijdsaspecten een feitelijke grondslag ontbreekt. Daarbij zijn de scores in de verschillende categorieën zwaarte van het werk (A), werkmilieu (B) en bescherming tegen het werkmilieu (C) te laag en is uit de motivering niet af te leiden hoe MRI-deskundige [naam 3] tot deze tijdsindeling is gekomen.

Eiser is het verder niet eens met de korting op de tijdsduur met 15% in verband met zijn coördinerende werkzaamheden, omdat hij deze taken tijdens de overige uitvoerende werkzaamheden of in de aanrijtijd verricht. Hij voert de bezwarende werkzaamheden dus net zo lang uit als de rest van zijn ploeg, aldus eiser.

3.31.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het MRI-formulier voldoet aan de vereisten van de V013. Het formulier dient te bestaan uit vier gedeelten, de kop, een deel van de beschrijving van de taken waaraan bezwarende werkomstandigheden zijn verbonden, een deel voor de analyse per kenmerk en een deel om aan te geven in hoeverre het mogelijk is inconveniënten te verminderen of op te heffen. De duur van de bezwarende taken kan verder worden afgeleid uit het formulier, aldus verweerder.

Verweerder stelt verder dat [naam 3] de “korting” van de tijdsduur van 15% in verband met de coördinerende werkzaamheden van eiser, in overleg met eisers leidinggevende de heer. [naam 2] op basis van het takenpakket heeft vastgesteld. Dat eiser ervoor heeft gekozen om zijn coördinerende taken, die 15% van zijn werkzaamheden uitmaken, gelijktijdig met de uitvoerende werkzaamheden uit te voeren, maakt volgens verweerder niet dat hij op grond van de methode net als de rest van zijn ploeg evenveel bezwarende taken verricht.

3.32.

De rechtbank overweegt als volgt. Op pagina 12 van de V013 staat:

“Er moet naar gestreefd worden de omschrijvingen zo kort en duidelijk mogelijk te houden, afgestemd op de inhoud van de functietypering MRF van de desbetreffende functie”.

De rechtbank ziet – gelet op de verklaring van de leidinggevende ter zitting dat de omschrijving juist en volledig is – geen aanleiding om aan te nemen dat de bezwarende werkzaamheden in het formulier niet correct zouden zijn opgenomen.

Daarnaast heeft eiser ter zitting expliciet verklaard dat het juist is dat hij voor 15% van zijn werkzaamheden coördinerende taken uitvoert. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de keuze van eiser om zijn coördinerende werkzaamheden samen te laten vallen met zijn uitvoerende werkzaamheden in plaats van daarvoor of daarna, voor zijn rekening dient te komen, maar niet afdoet aan het gegeven dat zijn takenpakket wel voor 15% uit coördinerende werkzaamheden bestaat.

3.33.

De door eiser gewenste beschrijving van zowel de werkzaamheden als de frequentie en duur van deze werkzaamheden op detailniveau is niet vereist op grond van de V013. Dat kan anders zijn in een systeem van “mens”-waardering. De NRGA schrijft een dergelijk systeem nu echter juist niet voor. Daaraan voegt de rechtbank nog toe, dat niet is gebleken dat het MRI-formulier binnen de methode V013 voor het overige in strijd met de methode is ingevuld. Ten aanzien van de scores heeft eiser niet door middel van een deskundig tegenrapport aangetoond dat de door [naam 3] vastgestelde gradatie en uren van de werkzaamheden onjuist is. De enkele stelling van eiser dat het formulier niet klopt, is onvoldoende om de conclusies van een deskundige te weerleggen. Daaraan voegt de rechtbank nog toe, dat zelfs indien eiser wel met een deskundig tegenrapport zou zijn gekomen waarin tot een ander inhoudelijk oordeel zou worden gekomen dan dat van verweerder, de rechtbank daarin bepaald niet zonder meer aanleiding zou kunnen vinden om te komen tot gegrondverklaring van het beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de rechterlijke toetsing van functiewaarderingen immers terughoudend en beperkt tot de vraag of de waardering op onvoldoende gronden berust. Tot vernietiging kan volgens de Raad slechts worden overgegaan als de waardering als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daartoe is volgens de Raad onvoldoende dat een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is. De rechtbank is niet gebleken van een zodanig onjuiste besluitvorming dat de MRI-waardering daarmee onhoudbaar is.

Ten aanzien van het gelijkheidsbeginsel

3.34.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat gelijke functies binnen andere stadsdelen van de gemeente Amsterdam, te weten de stadsdelen Zuidoost en Noord, een MRI-indeling in klasse 2 hebben gekregen. Deze functies bestaan volgens het MRI-formulier uit dezelfde algemene beschrijving van de werkzaamheden. Daarom is het vreemd dat ondanks de grote overeenkomsten tot een andere uitkomst is gekomen. Eiser vindt dat de scores van de werkzaamheden van de medewerkers van stadsdeel Zuidoost ook zouden moeten gelden voor zijn eigen functie, omdat hij de werkzaamheden waarop deze medewerkers hoog scoren (zoals het werken binnen grote arealen) ook uitvoert. De functies binnen stadsdeel Noord komen ook in hoge mate overeen met de omschrijving van de functie van eiser, aldus eiser.

3.35.

Voor zover eiser hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft willen doen, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel tegenover een bestuursorgaan tenminste sprake te zijn van hetzelfde bevoegd gezag (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 oktober 2010 met nummer ECLI:NL:CRVB:2010:BO3735). De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van hetzelfde bevoegd gezag bij het toekennen van deze MRI-toeslagen. Immers is het dagelijks bestuur van ieder stadsdeel het bevoegd gezag en niet – zoals eiser stelt – de gemeente Amsterdam. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan alleen daarom al niet slagen.

Bovendien hebben de stadsdelen Zuidoost en Noord niet meegedaan met het harmonisatieproject in 2011. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat zelfs indien bepaalde onderdelen van het werk (zoals het werken binnen grote arealen) vergelijkbaar zijn, dat nog niet wil zeggen dat de totale functie c.q. het totale beeld van de inconveniënten identiek is. En ook indien wordt aangenomen dat de functies tot op grote hoogte vergelijkbaar zijn, maakt dat nog niet dat de waardering van de inconveniënten van eiser inhoudelijk bezien onhoudbaar is. Zelfs al zou een hogere (in een ander stadsdeel gegeven) waardering verdedigbaar zijn, dan wil dat immers nog niet zeggen dat de door verweerder gegeven waardering onhoudbaar is.

Conclusie

3.36.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen van de beroepsgronden aanleiding vormt voor het oordeel dat de waardering van de MRI-toeslag in klasse 1 op onvoldoende gronden berust. Het bestreden besluit kan daarom in rechte stand houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, rechter,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB