Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9385

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2013
Datum publicatie
26-09-2014
Zaaknummer
AMS 12-5559, AMS 12-5584, AMS 12-5586, AMS 12-5588, AMS 12-5591, AMS 12-5598, AMS 12-5606 en AMS 12-5610
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepen van Amsterdamse gemeenteambtenaren tegen de herziening van hun toeslag voor bezwarende werkzaamheden op grond van de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI). Kort samengevat is de rechtbank van oordeel dat de Stadsdelen bij het toepassen van de MRI niet in strijd met de Nieuwe rechtspositieregeling Amsterdam, het zorgvuldigheids- en/of motiveringsbeginsel hebben gehandeld. De rechtbank is ook niet gebleken van misbruik van de bevoegdheid tot herziening, louter omdat de toeslagen zijn verlaagd (of gelijk zijn gebleven). De ambtenaren waren graag nader betrokken geweest bij de totstandkoming van het MRI-onderzoek, hadden graag een (uitgebreider) verslag van dat onderzoek gekregen en wilden een gedetailleerd MRI-formulier. De MRI schrijft een dergelijke betrokkenheid, verslaggeving en MRI-formulier op detailniveau echter niet voor, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat de Stadsdelen de methode onjuist hebben toegepast. De beroepen zijn ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 12/5559, AMS 12/5584, AMS 12/5586, AMS 12/5588, AMS 12/5591,

AMS 12/5598, AMS 12/5606 en AMS 12/5610

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2013 in de zaken tussen

[eiser 1], wonende te [woonplaats 1], eiser 1

(gemachtigde A. Lange),

[eiser 2], wonende te [woonplaats 2], eiser 2,

[eiser 3], wonende te [woonplaats 2], eiser 3,

[eiser 4], wonende te [woonplaats 3], eiser 4,

[eiser 5], wonende te [woonplaats 4], eiser 5,

[eiser 6], wonende te [woonplaats 2], eiser 6,

[eiser 7], wonende te [woonplaats 2], eiser 7,

[eiser 8], wonende te [woonplaats 5], eiser 8,

hierna tezamen: eisers,

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde L.M. Mulder).

Procesverloop

Bij acht afzonderlijke besluiten van 6 maart 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder met ingang van 1 juli 2012 aan de bezwarende werkzaamheden behorende bij de functie van eisers een inconveniëntentoeslag toegekend. Hierbij is aan eisers ook een aflopende garantietoeslag toegekend.

Bij acht afzonderlijke besluiten van 2 oktober 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2013. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eisers 6 en 7 zijn verschenen, bijgestaan door de heer [naam 1], collega. Eisers 2, 3, 4, 5 en 8 waren niet ter zitting aanwezig en waren niet vertegenwoordigd. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verder verschenen mevrouw [naam 2], projectleider MRI, de heer [naam 3], afdelingsmanager afvalinzameling, en de heer[naam 4], teammanager.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eisers zijn allen bij verweerder in vaste dienst aangesteld in de functie van Medewerker Beheer & Onderhoud D, met de werknaam chauffeur/machinist. Voor deze functie worden zij tewerkgesteld in de buitendienst van het stadsdeel, alwaar zij verantwoordelijk zijn voor de (ondergrondse) afvalinzameling. Een deel van het werk wordt met de kraan op de wagens gedaan, maar er moet ook regelmatig afval dat ‘op de plaat staat’ met de hand worden gesorteerd alvorens het met de kraan in de wagen kan worden geladen.

1.2.

Aan de functie van eisers zijn inconveniënten verbonden, taken die niet vermijdbaar en bezwarend zijn. Deze bezwarende taken zijn bijvoorbeeld gelegen in de houdings- en bewegingsbelasting, in het werkmilieu waaronder verontreiniging, stank, trillingen en lawaai en in beschermende maatregelen zoals het dragen van werkkleding, gehoorbescherming et cetera. Voor deze inconveniënten ontvingen eisers tot 1 juli 2012 een toeslag gebaseerd op de Methode voor het Rangordenen van Inconveniënten (MRI), destijds vastgesteld op
klasse 2.

1.3.

Als gevolg van de fusie van een aantal stadsdelen in Amsterdam in 2010 tot de nieuwe stadsdelen Zuid, Oost, West en Nieuw-West, bleken ambtenaren met dezelfde functie en taken binnen de nieuw gevormde stadsdelen een andere MRI-klasse te ontvangen voor dezelfde bezwarende taken. Daar dit door de stadsdelen als onwenselijk werd ervaren, zijn deze vier stadsdelen tezamen in 2011 een MRI-herijkingsproject gestart om de functies en de daarbij behorende MRI-toeslagen binnen elk stadsdeel te harmoniseren.

1.4.

Het harmonisatieproject heeft in het geval van eisers geleid tot de primaire besluiten, waarbij aan eisers de lagere MRI-klasse 1 is toegekend van € 136,97 per maand. Aan alle eisers is daarnaast een driejarige afbouwgarantietoeslag toegekend ter compensatie van de klasse die zij er financieel op achteruitgaan, waarbij na ieder jaar maandelijks minder toeslag wordt genoten. Eisers 2, 6 en 7 behouden bovendien een eerder aan hen toegekende garantietoeslag van € 136,97 per maand, eisers 1 en 3 behouden hun garantietoeslag van
€ 20,10 per maand.

1.5.

Verweerder heeft in de bestreden besluiten, kort samengevat, overwogen dat de MRI-procedure correct is doorlopen en dat het onderzoek naar de bezwarende taken zorgvuldig door een gecertificeerde MRI-deskundige, de heer [naam 5] (hierna: [naam 5]), is verricht. Er is volgens verweerder niet gebleken dat de MRI-klasse 1 onjuist zou zijn.

1.6.

Eisers zijn het met de verlaging van hun MRI-toeslag niet eens. Zij voeren daartoe in beroep, kort weergegeven, aan dat de MRI-procedure en daarmee de besluitvorming niet correct is verlopen. Volgens eisers heeft verweerder misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid tot herijking van de MRI om tot een lagere toeslag te komen. Eisers trekken verder de deskundigheid van [naam 5] in twijfel en de door hem bij het onderzoek betrokken Handleiding MRI Onderzoek bij Generieke Typeringen (hierna: de Handleiding MRI) en de Handleiding Overheidstarieven 2011 van het Ministerie van Financiën (hierna: de Handleiding Overheidstarieven). Het onderzoek is verder niet met onderliggende stukken onderbouwd en inzichtelijk gemaakt en daarom is de besluitvorming ook onvoldoende gemotiveerd, aldus eisers. Het is voor eisers op deze manier niet duidelijk hoe de tijdsduur en frequentie van de bezwarende taken is berekend en hoe de scores tot stand zijn gekomen. Eisers achten het verder onjuist dat zij niet direct bij de procedure betrokken zijn geweest.

2.

De rechtbank gaat uit van het volgende juridisch kader.

2.1.

Op deze zaken is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. De in beroep bestreden besluiten zijn namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

2.2.

In artikel 3.2, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) is bepaald dat het rangordenen en waarderen van functies naar structurele inconveniënten plaatsvindt aan de hand van de MRI als omschreven in:

a. de methode voor het rangordenen van inconveniënten V013 (26 augustus 2003);

b. de voorbeeldbundel 2003 (26 augustus 2003), en

c. de volgende waardering:

Score Klasse Toeslag

0

tot en met 7 0 -

8

tot en met 16 1 6,75%

17

tot en met 25 2 13,50%

26

of meer 3 20,25%

In het tweede lid is bepaald dat het percentage genoemd in het eerste lid, onder c, wordt toegepast op de berekeningsgrondslag die is vermeld in de Bedragengids.

In het derde lid is bepaald dat de uitkomst van de waardering een geldigheidsduur heeft van drie jaar.

2.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is de rechterlijke toetsing van functiewaarderingen terughoudend en beperkt tot de vraag of de waardering op onvoldoende gronden berust. Tot vernietiging kan volgens de Raad slechts worden overgegaan als deze als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daartoe is onvoldoende als een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is. De MRI is op zichzelf genomen geen functiewaardering, maar behelst wel de waardering van onderdelen van de functie, te weten de bezwarende taken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om bij de rechtspraak van de Raad ten aanzien van functiewaarderingen aan te sluiten.

3.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van de methode

3.1.

Zoals in artikel 3.2, eerste lid, van de NRGA is bepaald vindt het rangordenen en waarderen van functies naar structurele inconveniënten plaats aan de hand van de MRI als omschreven in de methode voor het rangordenen van inconveniënten V013 en de voorbeeldbundel 2003.

3.2.

Naar niet in geschil is, is bij de in geding zijnde rangordening van inconveniënten toepassing gegeven aan de methode V013 en de voorbeeldbundel 2003. De gehanteerde methodiek is in zoverre dus in overeenstemming met de NRGA.

3.3.

Voor zover eisers de aanvaardbaarheid of juistheid van die methode betwisten of stellen dat de methode te fictief is, overweegt de rechtbank dat de NRGA die methodiek voorschrijft, en dat niet alleen verweerder, maar ook de rechter daaraan is gebonden. Daarbij tekent de rechtbank aan dat een systeem van organieke waardering naar vaste rechtspraak van de Raad ook inhoudelijk bezien rechtens aanvaardbaar is te achten. Dit betekent dat de methode V013 als gegeven wordt beschouwd.

Ten aanzien van functiekundige [naam 5]

3.4.

Eisers hebben de deskundigheid van functiekundige [naam 5] die het onderzoek heeft uitgevoerd, in twijfel getrokken. Eisers hebben daarnaast ter zitting toegelicht dat [naam 5] niet onafhankelijk is omdat hij de methode V013 onvoldoende kritisch heeft toegepast, terwijl deze methode volgens eisers niet correct is.

3.5.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat [naam 5] volledig gecertificeerd is en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 3.2 van de NRGA. [naam 5] is sinds 1993 met grote regelmaat werkzaam geweest binnen de gemeente Amsterdam als MRI/MRF-deskundige. Hij heeft daarmee de nodige werkervaring. Bovendien was [naam 5] niet de enige verantwoordelijke voor het MRI-onderzoek, nu achter [naam 5] een gezamenlijke projectgroep van de stadsdelen stond, waarvan minimaal één persoon ook MRI/MRF-gecertificeerd is, aldus verweerder.

3.6.

De rechtbank overweegt dat blijkens de toelichting van artikel 3.2 van de NRGA het rangordenen en waarderen van aan de functie verbonden bezwarende werkzaamheden alleen door een daartoe gecertificeerde medewerker mag plaatsvinden. Eisers hebben op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt of op enige andere wijze aangetoond dat [naam 5] niet zou voldoen aan deze omschrijving. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat [naam 5] over de benodigde certificaten beschikt. Eisers hebben dit overigens niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat [naam 5] niet voldoet aan de eisen van artikel 3.2 (en de toelichting daarop) van de NRGA en daarmee het onderzoek ongeldig zou zijn.

3.7.

De rechtbank is verder niet gebleken dat [naam 5] door het enkele gegeven dat hij de methode heeft toegepast niet onafhankelijk zou zijn. Uit de methode blijkt overigens ook niet dat sprake moet zijn van (een dergelijke) onafhankelijkheid, nu volgens de toelichting bij artikel 3.2 van de NRGA wel de eis van certificering van de medewerker geldt, maar niet (daarnaast) die van de door eisers gestelde onafhankelijkheid. Verweerder mocht dus het MRI-onderzoek zoals verricht door [naam 5] ten grondslag leggen aan de bestreden besluiten.

Ten aanzien van verweerders bevoegdheid en de harmonisatie van de toeslagen

3.8.

Eisers voeren in beroep aan dat verweerder misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot herziening van de MRI om tot lagere MRI-classificaties te komen, terwijl er geen wijziging in de taken of werkomstandigheden heeft plaatsgevonden. Eisers zien de door verweerder nagestreefde harmonisatie niet terug in hun dagelijkse werkzaamheden, omdat zij bijvoorbeeld op een ander soort vuilniswagen rijden en daarom op een andere wijze het vuil moeten inzamelen. Daarnaast kan de zwaarte van het werk in andere wijken van het stadsdeel erg verschillen, zodat er ook in die zin geen harmonisatie van de functie heeft plaatsgevonden. Eisers achten het verder onjuist dat verweerder eerst een MRI-onderzoek heeft laten doen en later pas de functie zelf opnieuw heeft laten waarderen (MRF). Dit had andersom gemoeten, aldus eisers.

3.9.

Verweerder heeft dit betwist en stelt dat harmonisatie van de MRI-toeslagen in dezelfde functies binnen het stadsdeel per 1 juli 2012 het enige doel is geweest. Verweerder (stadsdeel Zuid) is na de herziening zelfs duurder uit dan ervoor, omdat meer medewerkers in MRF- en sommigen in MRI-klasse er op vooruit zijn gegaan dan er medewerkers waren die er op achteruit zijn gegaan, aldus verweerder. De MRI-klasse is volgens verweerder bovendien alleen verlaagd als daartoe aanleiding bestond en er zijn ruime garantieregelingen toegepast ter financiële compensatie. Verweerder is daarbij van mening dat de harmonisatie – zoals beoogd – per 1 juli 2012 een feit is en daardoor een gezamenlijke MRI-toeslag kan gelden voor de medewerkers binnen één functie.

3.10.

De rechtbank stelt vast dat de verplichting tot herziening van de MRI in artikel 3.2 van de NRGA is vastgelegd. Dat de herziening in het geval van eisers heeft geleid tot verlaging van hun MRI-klasse betekent nog niet dat verweerder misbruik heeft gemaakt van die bevoegdheid. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers dergelijk détournement de pouvoir ook niet aannemelijk gemaakt.

De wel voorhanden zijnde feitelijke gegevens wijzen juist ook in een andere richting. Gelet op de fusie tussen de verschillende stadsdelen ligt het immers voor de hand om te komen tot een nieuwe bepaling van de MRI. Datzelfde geldt voor de MRF-herziening, die in dit geval naar aanleiding van het MRI onderzoek en dus gelijktijdig heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet in de timing van de MRF-herziening geen aanleiding om het MRI-onderzoek voor onjuist te houden. Verweerder mocht dan ook binnen het nieuw gevormde stadsdeel een gelijke MRI-toeslag toekennen aan alle medewerkers die dezelfde functie uitvoeren. Dat er binnen de functie nog verschillen kunnen bestaan als gevolg van andere wagens of andere wijken, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan het systeem van de MRI, maar is een kwestie van personeelsbeleid.

Ten aanzien van de productieve uren

3.11.

Eisers betogen verder dat de NRGA, die uitgaat van een werkdag van 7,2 uur (36 uur per week) niet in overeenstemming is met de MRI, die uitgaat van een werktijd van acht uur per dag. Anderzijds zijn eisers het niet eens met de door verweerder gehanteerde zes netto productieve uren per dag in het inconveniënten typerings- en waarderingsformulier (het MRI-formulier). Verweerder heeft hiermee ten onrechte gehandeld conform de Handleiding MRI en daarmee in strijd met de V013, omdat op deze wijze nooit maximaal acht uur gescoord kan worden.

3.12.

Verweerder heeft aangegeven dat er geen strijd is tussen de NRGA en de V013, omdat een werkweek op grond van de NRGA 36 uur bedraagt en daarmee een werkdag 7,2 uur is. De medewerkers die feitelijk acht uur per dag werken, bouwen vier uur per week compensatieverlof op. Op een ander moment in het jaar voeren eisers dan ook minder bezwarende taken uit.

Verweerder heeft verder aangegeven dat per werkdag van acht uur in theorie daadwerkelijk acht uur bezwarende taken kunnen voorkomen. Echter is tijdens het MRI-onderzoek gebleken dat in geen van de functies die zijn onderzocht door de werknemers per werkdag meer dan zes uur aan bezwarende taken wordt verricht. Er worden volgens verweerder vakantiedagen en werkoverleggen, maar geen ziektedagen in mindering gebracht op de werktijden.

3.13.

De rechtbank stelt voorop dat de toeslag volgens de MRI over een heel jaar wordt uitbetaald, terwijl niet alle bezwarende taken het hele jaar door voorkomen, bijvoorbeeld omdat deze seizoensgebonden zijn. De V013 schrijft echter geen berekeningsmethode voor om tot een jaargemiddelde te komen. In de doelstelling staat wel vermeld dat de inconveniënten worden gewogen zowel naar de intensiteit als naar de duur waarin zij voorkomen, een en ander tegen de achtergrond van de totale werkperiode. Verweerder heeft daarbij gekozen voor het tijdvak van een jaar. In hoofdstuk 10 staat dat de regeling van dien aard is dat een compensatie wordt vastgesteld aan de hand van de tijd, gedurende welke de inconveniënten ook feitelijk voorkomen (cursivering rechtbank). Daarbij past juist een aanpak waarbij wordt gekeken in welke uren de inconveniënten zich voordoen en in welke niet.

3.14.

Voor wat betreft het tijdvak van een jaar is het alternatief dat eisers – zoals voorheen – per dag, week of maand achteraf moeten worden betaald aan de hand van hun feitelijk verrichte bezwarende taken. Dit is nu juist een systeem waarvoor destijds niet meer is gekozen. Verweerder hoefde geen reden te zien om daarop nu weer terug te komen.

Ook overigens ziet de rechtbank geen grond om het kiezen voor een tijdvak van een jaar onredelijk te achten.

3.15.

De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat geen sprake is van strijd tussen de NRGA en de V013 op het punt van de werktijden. Daarnaast acht de rechtbank de stelling van verweerder dat op een volledige werkdag van acht uur nooit de volle werktijd bezwarende taken wordt uitgevoerd, voldoende aannemelijk. Immers op een werkdag komen ook niet-bezwarende bezigheden voor, zoals koffiepauzes, omkleden, werkoverleggen et cetera. Voor de niet-bezwarende taken wordt geen toeslag toegekend en deze worden dan ook niet in het MRI-formulier vermeld. De rechtbank acht de in het MRI-formulier gehanteerde zes uur bezwarende taken daarom niet onhoudbaar. Dat ook vakantie uren van de werktijd worden afgetrokken acht de rechtbank eveneens redelijk, nu gedurende de vakantie uren in ieder geval geen bezwarende taken worden verricht. Dat is gekozen voor een periode van een jaar, wil verder niet zeggen dat [naam 5] onvoldoende aandacht heeft besteed aan de verschillende bezwarende werkzaamheden die worden beïnvloed door de seizoenen.

Ten aanzien van de Handleiding MRI en Handleiding overheidstarieven

3.16.

Eisers hebben meer in het algemeen aangevoerd dat verweerder bij de herijking van de MRI-toeslag ten onrechte de Handleiding MRI heeft gehanteerd. Volgens eisers is deze Handleiding MRI niet door het bevoegd gezag vastgesteld en wordt deze niet expliciet in artikel 3.2 van de NRGA genoemd. Volgens eisers is hetgeen in de Handleiding MRI staat vermeld bovendien in strijd met de V013, omdat daarin wordt verwezen naar een berekeningsmethodiek van gemiddelden uit de Handleiding Overheidstarieven. Hierbij wordt uitgegaan van kortere werktijden dan de MRI, namelijk netto productieve uren van 5,2 uur per dag en worden ziekte- en verlofdagen in mindering gebracht op de gewerkte uren.

3.17.

Verweerder heeft zich ten aanzien van de Handleiding MRI op het standpunt gesteld dat dit een werkinstructie voor – onder andere – de leidinggevenden is. Van strijd met de V013 is volgens verweerder geen sprake, omdat de MRI ook van gemiddelden uitgaat. De Handleiding Overheidstarieven is niet gebruikt voor het berekenen van de MRI-toeslag, maar ter illustratie van productieve werkuren op een doorsnee werkdag. Bij de opstelling van het MRI-formulier is bovendien niet uitgegaan van een netto-productieve werkdag van 5,2 uur.

3.18.

De rechtbank overweegt dat het verweerder vrijstaat om een werkinstructie als de Handleiding MRI te maken om het doel van harmonisatie van de MRI-scores binnen de stadsdelen te kunnen bereiken. Dat deze werkinstructie niet officieel is vastgelegd in de NRGA maakt dat niet anders, zolang deze inhoudelijk niet in strijd is met de methode zelf. Van enige strijd met de methode is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De methode verbiedt niet om (ook) te kijken naar de productieve uren binnen het aantal werkuren.

De rechtbank ziet verder geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat de Handleiding Overheidstarieven niet is gebruikt voor de berekening van de MRI-toeslag. Nu deze Handleiding Overheidstarieven niet is gebruikt voor de berekening van de MRI-toeslag, is de vraag of deze Handleiding conflicteert met de V013 in deze gedingen niet relevant.

Ten aanzien van de documentatie

3.19.

Eisers voeren verder aan dat de procedure niet juist of onzorgvuldig is verlopen, althans dat dit niet te controleren valt, omdat verweerder daarvan niets gedocumenteerd heeft. Eisers zijn niet betrokken geweest bij het vaststellen van de bezwarende taken en het veldonderzoek door de MRI-deskundige duurde veel te kort om een goed beeld te krijgen. Bovendien valt nu niet na te gaan waarom eisers bij de vorige MRI-herijking nog klasse 2 scoorden, terwijl aan de functie niets is veranderd.

3.20.

Ten aanzien van de documentatie overweegt de rechtbank het volgende. In de V013 staat niet aangegeven dat elke stap in de procedure moet worden gedocumenteerd, opdat de betrokken medewerkers deze zouden kunnen controleren. Alleen het resultaat van het MRI-onderzoek, het MRI-formulier, moet worden opgesteld. Dat is feitelijk ook gedaan. Aan eisers stond verder ook de schriftelijke vastlegging van de gevolgde methodiek ter beschikking. Waar eisers uit eigen ondervinding ook weten wat hun werkzaamheden inhouden, kan dan niet worden gezegd dat zij over onvoldoende middelen beschikken om het resultaat van de MRI kritisch te toetsen of te kunnen doen toetsen in bezwaar of in beroep.

3.21.

De rechtbank overweegt verder dat niet de vorige MRI-indeling maar slechts de huidige waardering ter beoordeling voorligt. Dat de gegevens van de vorige MRI zich niet in het dossier bevinden, is daarmee geheel in lijn. Indien eisers menen dat die gegevens toch relevant zijn, stond het hun vrij om die gegevens alsnog in het geding te brengen, gelijk eiser 7 heeft gedaan met het inconveniëntenformulier van stadsdeel ZuiderAmstel van 28 juni 2004. Dat hebben de andere eisers niet gedaan, naar de rechtbank begrijpt omdat zij niet of niet meer over die gegevens beschikken. Dat maakt echter niet dat verweerder gehouden was die stukken in te dienen. Dat die stukken thans inhoudelijk nog relevant zijn, is niet aannemelijk, omdat ze niet ten grondslag lagen aan de huidige MRI en daaraan -gelet op de methode- ook niet ten grondslag hoefden te liggen. De stukken die eiser 7 heeft overgelegd dateren bovendien uit 2004 en zijn dus verre van actueel.

Er kunnen ook allerlei redenen zijn waarom de beoordeling deze keer lager is uitgevallen dan de vorige keer, zoals de komst van nieuwe (arbo-technische) hulpmiddelen. Anderzijds kan de vorige beoordeling ook fout zijn geweest. Ook om die reden valt niet in te zien dat die stukken onmisbaar zijn in deze gedingen. Van strijd met het beginsel van fair play dan wel equality of arms is dan ook geen sprake. Dit geldt ook voor de stukken waar de MRI-deskundige zich op heeft gebaseerd.

Ten aanzien van eisers’ betrokkenheid bij de procedure

3.22.

Eisers hebben aangevoerd dat onderdelen van hun werk niet goed in kaart zijn gebracht en dat zij onvoldoende inbreng hebben gehad in het proces van het in kaart brengen van hun werkzaamheden. Die beroepsgronden baten eisers echter niet om de volgende redenen.

3.23.

De in de NRGA gekozen methodiek van functiewaardering en rangordening heeft een organiek karakter. Anders dan bij een zogeheten “mens-waardering” staan bij die organieke waardering niet de door elke ambtenaar individueel verrichte feitelijke werkzaamheden centraal, maar het samenstel van werkzaamheden zoals dat is opgedragen door de dienst. Op grond van de NRGA behoefde verweerder dan ook niet bij eisers te informeren naar de werkzaamheden die elk van hen feitelijk individueel verrichtte.

3.24.

Voor zover eisers de aanvaardbaarheid of juistheid van die methode betwisten of stellen dat de methode (om die reden) te fictief is, overweegt de rechtbank nog dat de NRGA die methodiek voorschrijft, en dat niet alleen verweerder, maar ook de rechter daaraan is gebonden. Daarbij verwijst de rechtbank nog naar hetgeen op dit punt hiervóór ten aanzien van de methode is overwogen.

3.25.

De V013 geeft in hoofdstuk 2 weer dat er een onderzoek plaatsvindt, dat een inventarisatie van de inconveniënten moet plaatsvinden en dat dit leidt tot de waardering en compensatie van de inconveniënten en niet meer dan dat. De Handleiding MRI geeft op pagina 8 de te nemen stappen in de procedure aan, waarin de leidinggevende degene is die de informatie geeft aan de deskundige. Dat laatste is in lijn met het gegeven dat de V013 voorschrijft dat de bezwarende taken vanuit de organisatie, worden vastgesteld. Daarbij past het om die vaststelling te laten plaatsvinden door de leidinggevenden. De medewerkers worden in principe niet in de methode betrokken in verband met de objectiviteit.

Het veldonderzoek is de derde stap in de procedure en fungeert slechts als een controlemoment achteraf voor de MRI-deskundige of de door de leidinggevende opgegeven bezwarende taken in zwaarte, frequentie en duur juist zijn. De leidinggevende oefent daarnaast weer controle uit op de MRI-deskundige. Dat betekent dat de inspraak van de medewerkers op zichzelf geen onderdeel uitmaakt van de MRI. De rechtbank begrijpt dat eisers het veldonderzoek liever als uitgangspunt van het onderzoek hadden gezien en daaraan een eigen bijdrage hadden willen leveren, maar de V013 schrijft nu eenmaal anders voor en deze methode zelf is -als gezegd- een vaststaand gegeven waaraan verweerder is gebonden.

Dat verweerder eisers niet bij het onderzoek heeft betrokken, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet als onzorgvuldig worden aangemerkt.

Ten aanzien van de frequentie en tijd per bezwarende taak

3.26.

Eisers betwisten in beroep verder de juistheid van het MRI-formulier. Eisers stellen in de eerste plaats dat het formulier niet compleet is, omdat de werkzaamheden te summier zijn opgenomen. Dit klemt te meer nu eisers werkzaam zijn in generieke functies, waarbij de functies onderling – zoals onder 3.8. is weergegeven – kunnen verschillen. Eisers achten verder de frequentie en tijdsaspecten van de bezwarende taken onvoldoende in kaart gebracht en gedocumenteerd in de stukken, waardoor voor alle tijdsaspecten een feitelijke grondslag ontbreekt. Daarbij zijn de scores in de verschillende categorieën zwaarte van het werk (A), werkmilieu (B) en bescherming tegen het werkmilieu (C) te laag en is uit de motivering niet af te leiden hoe MRI-deskundige [naam 5] tot deze tijdsindeling is gekomen. Ter zitting is namens eisers bevestigd dat 25-35% van de productieve werktijd handmatig wordt verricht in verband met het sorteren van afval op de plaat en het handmatig beladen. Eisers voeren echter aan dat bij een werktijd van 7,2 uur of minder in een andere bandbreedte van de tijdsduur wordt gescoord, hetgeen mogelijk tot een andere score zou kunnen leiden.

3.27.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het MRI-formulier voldoet aan de vereisten van de V013. Het formulier dient te bestaan uit vier gedeelten, de kop, een deel van de beschrijving van de taken waaraan bezwarende werkomstandigheden zijn verbonden, een deel voor de analyse per kenmerk en een deel om aan te geven in hoeverre het mogelijk is inconveniënten te verminderen of op te heffen. De duur van de bezwarende taken kan verder worden afgeleid uit het formulier, aldus verweerder. Functiedeskundige [naam 5] heeft daar ter zitting van 14 oktober 2013 in vergelijkbare zaken aan toegevoegd dat een verschil van 10% in de handmatige werkzaamheden van 25-35% niet een dusdanig hoge kanteling is, dat eisers hierdoor in een hogere bandbreedte zouden vallen.

3.28.

De rechtbank overweegt als volgt. Op pagina 12 van de V013 staat:

“Er moet naar gestreefd worden de omschrijvingen zo kort en duidelijk mogelijk te houden, afgestemd op de inhoud van de functietypering MRF van de desbetreffende functie”.

De rechtbank ziet – gelet op de verklaring van zowel eisers als de leidinggevende ter zitting dat de omschrijving juist en volledig is – geen aanleiding om aan te nemen dat de bezwarende werkzaamheden in het formulier niet correct zouden zijn opgenomen.

3.29.

De door eisers gewenste beschrijving van zowel de werkzaamheden als de frequentie en duur van deze werkzaamheden op detailniveau is niet vereist op grond van de V013. Dat kan anders zijn in een systeem van “mens”-waardering. De NRGA schrijft een dergelijk systeem nu echter juist niet voor.

Daaraan voegt de rechtbank nog toe, dat niet is gebleken dat het MRI-formulier binnen de methode V013 voor het overige in strijd met de methode is ingevuld. Ten aanzien van de scores hebben eisers niet door middel van een deskundig tegenrapport aangetoond dat de door [naam 5] vastgestelde gradatie en uren van de werkzaamheden onjuist is. De enkele stelling van eisers dat het formulier niet klopt, is onvoldoende om de conclusies van een deskundige te weerleggen. Daaraan voegt de rechtbank nog toe, dat zelfs indien eisers wel met een deskundig tegenrapport zouden zijn gekomen waarin tot een ander inhoudelijk oordeel zou worden gekomen dan dat van verweerder, de rechtbank daarin bepaald niet zonder meer aanleiding zou kunnen vinden om te komen tot gegrondverklaring van de beroepen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is de rechterlijke toetsing van functiewaarderingen immers terughoudend en beperkt tot de vraag of de waardering op onvoldoende gronden berust. Tot vernietiging kan volgens de Raad slechts worden overgegaan als de waardering als onhoudbaar moet worden aangemerkt. Daartoe is volgens de Raad onvoldoende dat een andere, hogere waardering op zichzelf verdedigbaar is. De rechtbank is dan ook niet gebleken van een zodanig onjuiste besluitvorming dat de MRI-waardering daarmee onhoudbaar is.

Conclusie

3.30.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat geen van de beroepsgronden aanleiding vormt voor het oordeel dat de waardering van de MRI-toeslag in klasse 1 op onvoldoende gronden berust. De bestreden besluiten kunnen daarom in rechte stand houden. De beroepen zullen ongegrond worden verklaard. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bachrach, rechter,

in aanwezigheid van mr. M. Vogel-Frishert, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2013.

de griffier

de rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB