Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9312

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
ams 12.3470
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toeslagenwet

Toeslagenwet: Eiser ontvangt WAO, een WAO-aanvulling, een bijstandsuitkering en toeslag op grond van de TW. Een uitkering wordt door middel van een toeslag aangevuld tot het wettelijk sociaal minimum. Het inkomen bepaalt de hoogte van de toeslag. Uit onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser een WAO-aanvulling ontving en dat het totale inkomen per 1 december 2006 hoger was dan eerder was aangenomen. Verweerder heeft het door eiser onverschuldigd ontvangen bedrag van € 3.917,14 aan toeslag teruggevorderd. In geschil was de vraag of verweerder de verleende toeslag had kunnen herzien en terugvorderen. De rechtbank overweegt dat eiser ervan op de hoogte was dat hij een WAO-aanvulling ontving. Eiser heeft dit bij de aanvraag van de toeslag niet vermeld, terwijl het aanvraagformulier hier duidelijk de gelegenheid toe biedt. Tevens heeft eiser niet op een ander moment uit eigener beweging meegedeeld dat hij een WAO-aanvulling ontving. Het kon eiser redelijkerwijs duidelijk zijn dat het ontvangen van inkomsten zoals de WAO-aanvulling van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van de toeslag die hij ontving. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn verplichting op grond van artikel 12 van de TW niet behoorlijk is nagekomen en dat dit heeft geleid tot het verlenen van een te hoog bedrag aan toeslag. Gelet hierop heeft verweerder de toekenning van de toeslag kunnen herzien. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen dringende redenen oplevert om van terugvordering af te zien. Beroep slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 12/3470

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. A.D. Sunter),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde mr. A.J. Kniesmeijer).

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder het door eiser onverschuldigd ontvangen bedrag van € 3.917,14 bruto aan toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) teruggevorderd.

Bij besluit van 30 januari 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 390,-

Bij besluit van 6 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de behandeling ter zitting op 30 januari 2013 geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil onderling en/of samen met de Dienst Werk en Inkomen (DWI) te beslechten. De rechtbank heeft in andere samenstelling de behandeling van de zaak hervat ter zitting van 12 september 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door G. Hoeberechts, waarnemer van eisers gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser ontvangt sinds 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sinds 1 september 2001 ontvangt eiser tevens maandelijks een WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT.

1.1.

Eiser heeft op 1 december 2007 door middel van een formulier een toeslag ingevolge de TW (hierna: toeslag) op zijn WAO-uitkering aangevraagd. Aan eiser is met ingang van 1 december 2006 een toeslag toegekend.

1.2.

Bij het primaire besluit I heeft verweerder eiser meegedeeld dat de hoogte van de toeslag per 1 december 2006 moet worden aangepast, omdat eisers totale inkomen per
1 december 2006 hoger is dan eerder was aangenomen. Uit onderzoek van verweerder is gebleken dat eiser een WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT ontvangt. Verweerder vordert het over de periode van 1 december 2006 tot en met 31 januari 2012 onverschuldigd betaalde bedrag van € 3.917,14 terug.

1.3.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder eiser een boete opgelegd van € 390,- wegens het, in strijd met de inlichtingenplicht zoals genoemd in artikel 12 TW, niet informeren van verweerder over de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat een uitkering door middel van een toeslag wordt aangevuld tot het wettelijk sociaal minimum. Het inkomen bepaalt de hoogte van de toeslag. Op grond van artikel 7, eerste lid onder a van het Inkomensbesluit Toeslagenwet wordt de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT als overig inkomen aangemerkt. Nu eisers inkomsten hoger waren dan aangegeven, heeft eiser een te hoge toeslag ontvangen. Dit bedrag dient op grond van artikel 20 TW te worden teruggevorderd. Van terugvordering kan enkel worden afgezien in geval van dringende redenen en daarvan is geen sprake, aldus verweerder.

3.

Op deze zaak is, gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zoals deze wet luidde tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekend gemaakt vóór 1 januari 2013.

3.1.

Ingevolge artikel 12 van de TW, voor zover hier van belang, is degene die aanspraak maakt op toeslag verplicht aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van het recht op toeslag of het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.

3.2.

Artikel 11a, eerste lid, aanhef en onder a, van de TW bepaalt – voor zover van belang – dat verweerder een besluit tot toekenning van de toeslag herziet of intrekt indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 12 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van toeslag.

3.3.

Ingevolge artikel 11a, tweede lid, van de TW kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

3.4.

Ingevolge artikel 20, eerste lid van de TW wordt de toeslag die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 11a of 14 onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd. In het vierde lid van dit artikel staat dat verweerder indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan besluiten om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

4.

Ter zitting van 12 september 2013 is verweerder eiser tegemoetgekomen door de boete van € 390,- niet langer te handhaven. Het beroep dient reeds daarom gegrond te worden verklaard.

5.

Niet in geschil is dat eiser sinds 1 september 2001 maandelijks een WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT ontvangt. In geschil is de vraag of verweerder de verleende toeslag had kunnen herzien en terugvorderen.

Herziening

5.1.

De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft in zijn uitspraak van 7 december 2004 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: AR8517), voor de bepaling of een ten onrechte of te hoog verleende toeslag ingevolge de TW kan worden herzien, aansluiting gezocht bij hetgeen over artikel 36a WAO is overwogen in de uitspraak van 31 maart 2001 (LJN: AB1440).

5.2.

Op grond van de voorgenoemde rechtspraak wordt een uitkering, die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, herzien wanneer het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hem te onrechte een te hoog bedrag werd verstrekt. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT van invloed was op de toeslag ingevolge de TW en dat hij die WAO-aanvulling derhalve had dienen te melden.

5.3.

De rechtbank overweegt dat eiser ervan op de hoogte was dat hij een WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT ontving. Eiser heeft dit bij de aanvraag van de toeslag niet vermeld, terwijl het aanvraagformulier hier duidelijk de gelegenheid toe biedt. Tevens heeft eiser niet op een ander moment uit eigener beweging meegedeeld dat hij een WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT ontving. Het kon eiser redelijkerwijs duidelijk zijn dat het ontvangen van inkomsten zoals de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT van invloed zou kunnen zijn op de hoogte van de toeslag die hij ontving. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser zijn verplichting op grond van artikel 12 van de TW niet behoorlijk is nagekomen en dat dit heeft geleid tot het verlenen van een te hoog bedrag aan toeslag. Gelet hierop heeft verweerder de toekenning van de toeslag kunnen herzien.

Terugvordering

6.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder niet tot terugvordering heeft kunnen overgaan, omdat verweerder al bij de aanvraag van de toeslag op de hoogte was van WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT. Verweerder heeft een fout gemaakt door bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag geen rekening te houden met deze WAO-aanvulling.

6.1.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt allereerst aangevoerd dat hij bij de aanvraag van de toeslag op 1 december 2007 een specificatie van zijn bijstandsuitkering als bijlage heeft meegestuurd, waarin - onder meer - is aangegeven dat eiser een pensioen ontving, zijnde de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT.

6.1.1.

Verweerder heeft ter zitting betwist dat met zekerheid kan worden vastgesteld dat de specificatie van de bijstandsuitkering als bijlage van de aanvraag is meegestuurd. De specificatie is in het dossier gevonden, maar kan ook met het wijzigingsformulier van 30 november 2007 zijn meegestuurd. Verweerder voert tevens aan dat eiser de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT in het aanvraagformulier had dienen op te geven onder vraag 8 of 9. Tenslotte voert verweerder aan dat, zelfs als er bij de aanvraag een specificatie zou zijn meegestuurd, er voor verweerder geen aanleiding bestond om de specificatie te bekijken, omdat de eiser geen extra inkomsten heeft opgegeven en een bijstandsuitkering in het kader van de TW ook niet als inkomsten wordt gezien.

6.1.2.

De rechtbank overweegt dat eiser, ook indien vastgesteld had kunnen worden dat hij de specificatie had meegestuurd bij de aanvraag, niet heeft voldaan aan zijn actieve inlichtingenplicht. Eiser diende ondubbelzinnig en duidelijk zijn inkomsten op te geven. Nu eiser de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT niet op het aanvraagformulier heeft ingevuld, heeft hij niet aan deze eis voldaan. Voorts overweegt de rechtbank dat een bijstandsuitkering in de zin van de TW niet gezien wordt als inkomsten en dat verweerder derhalve niet was gehouden de specificatie van bijstandsuitkering nader te onderzoeken op een vermelding van eventuele inkomsten in de zin van de TW.

6.2.

Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt vervolgens aangevoerd dat uit gedingstuk 38.4 blijkt dat er in 2007 verrekening heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de DWI. Volgens eiser kan het niet anders zijn dan dat verweerder op dat moment op de hoogte is geraakt van de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT, omdat de DWI hier al mee bekend was.

6.2.1.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het contact tussen verweerder en de DWI enkel betrekking had op de verrekening. Ten tijde van dat contact is de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT niet ter sprake gekomen.

6.2.2.

De rechtbank overweegt dat uit gedingstuk 38.4 blijkt dat er verrekening heeft plaatsgevonden tussen verweerder en de DWI, maar niet dat er contact is geweest over

WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT. Evenmin blijkt uit gedingstuk 38.4 dat er ten behoeve van de verrekening op detailniveau gegevens zijn uitgewisseld.

6.3.

Ten slotte heeft eiser ter onderbouwing van zijn standpunt aangevoerd dat uit het woord “abusievelijk” in gedingstuk A12, zijnde een brief van verweerder van 9 januari 2013, blijkt dat verweerder abusievelijk een fout heeft gemaakt door geen rekening te houden met de ontvangen WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT . Eiser treft derhalve geen blaam.

6.3.1.

Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat het woord abusievelijk in gedingstuk A12 niet betekent dat verweerder al bekend was met de WAO-aanvulling van Stichting Pensioenfonds TNT en vergeten is hiermee rekening te houden, maar dat het betekent dat de WAO-aanvulling meegerekend had moeten worden terwijl dat dit niet is gebeurd, omdat verweerder er niet mee bekend was.

6.3.2.

De rechtbank overweegt dat aan de term “abusievelijk”, gelet op de context van de brief, niet de uitleg kan worden gegeven die eiser eraan wenst te geven. De rechtbank acht de uitleg van verweerder gelet op de context van de brief aannemelijk.

6.4.

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 20, eerste lid van de TW verplicht is om de onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen. Slechts indien daarvoor dringende redenen zijn, aldus bepaalt het vierde lid van voornoemd artikel, kan verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering af zien. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 oktober 2011, LJN BU1905) kunnen dringende redenen, gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft, aanleiding zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt.

6.5.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen dringende redenen oplevert om van terugvordering af te zien. Verweerder heeft derhalve tot terugvordering over kunnen gaan.

7.

Eiser heeft zich in beroep tevens op het standpunt gesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door geen contact te leggen met de DWI, terwijl dit tevens in strijd is met de strekking van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet Suwi).

7.1.

De rechtbank overweegt dat er in de loop van de procedure meermalen contact is geweest tussen verweerder en de DWI. De rechtbank acht de handelswijze van verweerder niet onzorgvuldig.

8.

Eiser heeft zich in beroep ten slotte op het standpunt gesteld dat de handelswijze van verweerder in strijd is met het evenredigheidbeginsel. Eiser acht het onbehoorlijk om de gevolgen van het bestreden besluit geheel bij eiser neer te leggen.

8.1.

De rechtbank overweegt dat uit jurisprudentie van de Raad volgt dat een dwingend voorgeschreven terugvordering van hetgeen onverschuldigd is betaald, zoals hier aan de orde, zich verzet tegen de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel als neergelegd in het tweede lid, van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Raad van 18 november 2003 en 15 februari 2013 (LJN: AN9721, respectievelijk LJN:BZ3896).

9.

Het beroep zal, in verband met het niet langer handhaven van het besluit tot boeteoplegging, gegrond worden verklaard. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen voor zover het de boeteoplegging betreft.

10.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dient te vergoeden.

11.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover het de boeteoplegging betreft;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van

€ 944,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. Belcheva, voorzitter,

mrs. P.H.A. Knol en A.M. van der Linden-Kaajan, leden,

in aanwezigheid van mr. S. van Douwen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 november 2013.

de griffier

de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op:

D: B

SB