Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9041

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-11-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
HA RK 13-321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Aan het wrakingsverzoek wordt – kort weergegeven – ten grondslag gelegd een aantal gebeurtenissen die zich hebben voorgevallen ter zitting van 19 september 2013 waardoor verzoekers de conclusie trekken dat de rechter vooringenomen is jegens hen, althans dat de bij verzoekers dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De rechtbank overweegt dat het de taak van de rechter is om op de zitting de procesorde te bewaken en de regie te voeren. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden in de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld een grond kan worden gevonden voor het oordeel dat hij jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. In het onderhavige geval is in de wijze van behandeling van de zaak door de rechter geen grond gelegen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

wrakingskamer

Beschikking op het op 26 september 2013 gedane en onder rekestnummer HA RK 13-321 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

verzoekers,

gemachtigde: [A],

welk verzoek strekt tot wraking van mr. O.J. van Leeuwen, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende stukken:

  • -

    een beschikking van de wrakingskamer van 9 juli 2012 op een verzoek van [A] tot wraking van de rechter met rekestnummer HA RK 12-250;

  • -

    een beschikking van de wrakingskamer van 3 april 2013 op een tweede verzoek van [A] tot wraking van de rechter met rekestnummer HA RK 13-33;

  • -

    het wrakingsverzoek van verzoekers van 26 september 2013 met bijlagen;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter van 31 oktober 2013 met bijlagen;

  • -

    de brief van verzoekers van 3 november 2013 met bijlagen.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 8 november 2013, alwaar verzoekers bij monde van hun gemachtigde zijn gehoord. De rechter is met voorafgaand bericht niet verschenen.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

  1. Verzoekers en hun gemachtigde zijn de eisende partij in een kantonzaak geregistreerd onder rolnummer 1349478 CV EXPL 12-16098. Deze zaak wordt behandeld door de rechter, hierna: de kantonzaak.

  2. De zaak is op diverse zittingen door de rechter mondeling behandeld, waaronder op 19 september 2013. Op 6 februari 2013 heeft de rechter verzoeker [verzoeker 1] als getuige van de eisende partij gehoord. Van het verhoor is proces-verbaal opgemaakt.

  3. Op 26 september 2013 hebben verzoekers hun wrakingsverzoek ingediend.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1.

Aan het wrakingsverzoek wordt – kort weergegeven – ten grondslag gelegd dat ter zitting van 19 september 2013 de door verzoekers opgeroepen, maar niet verschenen getuige door de rechter niet is voortgebracht om te getuigen. Verzoekers mocht dit niet vragen van de rechter en toen zij stelden daar recht op te hebben, sloeg de rechter met een vuist op tafel. De rechter ging van zijn stoel af, stond op en riep met luide toon dat [A] niet meer welkom was en dat zij de zittingszaal moest verlaten. Vervolgens is [A] meegenomen door de opgeroepen beveiliging. Zij is hierdoor aangedaan en heeft dit als bedreigend ervaren. Ook heeft de rechter veel onrust en stress teweeggebracht, aldus verzoekers. Voorts heeft de rechter nagelaten camerabeelden op te vragen en te bekijken. Die beelden zijn volgens verzoekers belangrijk voor de procedure en om aan de bewijsopdracht te kunnen voldoen. Zij vragen zich af waarom de rechter dit zou doen. De rechter laat verzoekers niet uitpraten, terwijl hij de advocaat van de wederpartij alle tijd en kans geeft om te spreken.

2.2.

Voorts heeft verzoeker [verzoeker 1] op 6 februari 2013 een verklaring afgelegd ten overstaan van de rechtbank. [A] is door de rechter niet in staat gesteld vragen te stellen aan hem. Toen [A] de rechter daarop zei dat zij daar recht op had, werd de rechter ineens boos en moest zij de zaal verlaten. De wederpartij is daarna zonder bezwaar van de rechter in staat gesteld vragen te stellen. Ook mocht verzoeker [verzoeker 1] niet eerst met zijn moeder [A] overleggen alvorens de verklaring te ondertekenen. Verzoekers voelen zich hierdoor benadeeld. Voorts is in het proces-verbaal alles tegenovergesteld opgeschreven, niet wat [verzoeker 1] zei, maar totaal anders, aldus verzoekers.

2.3.

Verzoekers concluderen op basis van het voorgaande dat de rechter vooringenomen is jegens hen, althans dat de bij verzoekers dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3 De reactie van de rechter

3.1.

In zijn reactie wijst de rechter – kort weergegeven – allereerst op het door hem gewezen tussenvonnis van 19 oktober 2012 in de kantonzaak. In het tussenvonnis is reeds beslist dat verzoekers niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vorderingen. Verzoekers zijn in het geschil geen partij, zoals zij dat ook nooit in de voorafgaande procedures formeel of materieel zijn geweest. De rechter heeft nog geen enkele aanleiding gevonden om op die beslissing terug te komen. Sinds het tussenvonnis is de procedure in ieder geval materieel gezien uitsluitend tussen [A] en de wederpartij voortgezet. Zowel het vorige als het huidige wrakingsverzoek dateren van na het tussenvonnis.

3.2.

Ten gronde meent de rechter dat zich geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Wat het voorgaande betreft heeft de rechter niet veel toe te voegen aan de inhoud van zijn notitie van 26 februari 2013 als reactie op een eerder wrakingsverzoek. De rechter merkt nog wel op dat het stroeve en van de zijde van verzoekers en/of hun gemachtigde weinig constructieve procesverloop sinds het tussenvonnis langzamerhand de vraag oproept of zij wel uit zijn op een goede en snelle behandeling en berechting van de bij dagvaarding door hen ingestelde vorderingen.

3.3.

Het voorgaande brengt volgens de rechter mee dat er geen sprake is van (schijn van) vooringenomenheid en dat het door verzoekers ingediende wrakingsverzoek indien zij ontvankelijk geacht worden in hun verzoek, afgewezen dient te worden.

4 De beoordeling van het verzoek

De ontvankelijkheid van verzoeker

4.1.

Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Gelet op de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek zoals weergegeven onder 3.1., ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of verzoekers kunnen worden aangemerkt als partij in de zin van het voornoemde artikel en of zij derhalve kunnen worden ontvangen in hun verzoek.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat blijkens het tussenvonnis van 19 oktober 2013 de rechter in overweging 6. heeft overwogen:

Ook ten aanzien van [verzoeker 1] en [verzoeker 2], die evenmin partij waren in de voorafgaande procedures en ook geen huurder van Ymere waren of zijn, valt niet in te zien waarom zij thans als zelfstandige procespartij fungeren en dienaangaande is ook niets door [A] c.s. gesteld of toegelicht. Zij beiden zullen in al hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. (…)

4.3.

Hoewel de rechter in de hiervoor aangehaalde overweging aankondigt dat verzoekers niet als procespartij zullen worden beschouwd, is hierover door de rechter in het tussenvonnis in die zaak formeel geen definitieve beslissing genomen. Onder die omstandigheden merkt de rechtbank verzoekers thans nog aan als partij in de zin van artikel 36 Rv.

4.4.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekers ontvankelijk zijn in hun verzoek.

De inhoudelijke beoordeling van het verzoek

4.5.

Op grond van – eveneens – artikel 36 Rv, dient in een wrakingprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.6.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekers daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

4.7.

Met betrekking tot de gang van zaken ter zitting van 19 september 2013 en het verhoor van [verzoeker 1] op 6 februari 2013 overweegt de rechtbank dat het de taak van de rechter is om op de zitting de procesorde te bewaken en de regie te voeren. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden in de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld een grond kan worden gevonden voor het oordeel dat hij jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. In het onderhavige geval is in de wijze van behandeling van de zaak door de rechter geen grond gelegen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de rechter – zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting – partijen (en dus ook verzoekers) in staat heeft gesteld zich schriftelijk via de rol uit te laten omtrent het belang van de waarheidsvinding dat rechtvaardigt dat de getuige zo nodig door de openbare macht wordt voortgebracht. De rechter heeft op deze wijze het beginsel van hoor en wederhoor in acht genomen, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank juist blijk geeft van een zorgvuldige zaaksbehandeling. Het enkele feit dat de rechter niet terstond voortbrenging van de niet verschenen getuige heeft bevolen, levert geenszins grond op voor het oordeel dat de rechter jegens verzoekers vooringenomen is of dat de dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Er is immers door de rechter geen eindbeslissing genomen op verzoekers wens: verzoekers werden uitgenodigd schriftelijk in debat te treden.

4.8.

Met betrekking tot het niet laten uitpraten van verzoekers en hun gemachtigde en verzoekers stelling dat de advocaat van de wederpartij alle gelegenheid krijgt te spreken, overweegt de rechtbank, mede gelet op de rectie van de rechter, dat niet aannemelijk is geworden dat de rechter heeft gehandeld op een wijze die de vrees van verzoekers voor partijdigheid van de rechter objectief rechtvaardigt.

4.9.

De beslissing al dan niet camerabeelden op te vragen dient naar het oordeel van de rechtbank als procesbeslissing te worden gekwalificeerd. Naar vaste jurisprudentie kan –behoudens mogelijk in zeer uitzonderlijke situaties – een klacht over een procesbeslissing als wrakingsgrond niet slagen. Door rechters genomen procesbeslissingen, ook als deze in het nadeel van een procespartij uitvallen, vormen in het algemeen geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter jegens een verzoeker vooringenomenheid koestert of dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is. De rechtbank ziet in dit geval geen enkele aanleiding andersluidend te oordelen.

4.10.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is, dan wel dat de vrees van verzoekers voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, geen grond is.

4.11.

Er zijn termen aanwezig te bepalen dat verdere wrakingsverzoeken van verzoekers niet in behandeling zullen worden genomen, voor zover gericht tegen de rechter in de behandeling van de kantonzaak. Gezien de eerdere twee wrakingsprocedures in dezelfde kantonzaak, wordt aannemelijk geacht dat [A] zich al dan niet middellijk oneigenlijk van het wrakingsinstrument bedient. Voorts zij opgemerkt dat ten aanzien van verdere wrakingsverzoeken van de gemachtigde van verzoekers artikel 39, vierde lid, Rv reeds door de rechtbank bij beschikking van 3 april 2013 is toegepast.

4.12.

Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder rolnummer 1349478 CV EXPL 12-16098 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend;

 bepaalt dat een volgend verzoek van verzoekers tot wraking van de rechter die hun zaak in behandeling heeft niet in behandeling wordt genomen.

Aldus gegeven door mr. M.A.H. van Dalen-van Bekkum, voorzitter, mr. H.M. Patijn en mr. C.M. Degenaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Looij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 november 2013.

de griffier de voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39, vijfde lid, Rv geen voorziening open.