Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9038

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-12-2013
Datum publicatie
30-12-2013
Zaaknummer
2428823 \ HA EXPL 13-1140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet gebleken dat cliënt van advocaat de gestelde schade heeft geleden als gevolg van door die advocaat gemaakte beroepsfouten. De vermogenssituatie van de cliënt is niet slechter dan indien zijn advocaat de beroepsfouten niet zou hebben gemaakt. Vordering tot vergoeding van die gestelde schade grotendeels niet toewijsbaar. In reconventie vordert advocaat betaling van laatste facturen. Daartoe dient echter eerst een procedure bij de Deken te worden gevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 2428823 \ HA EXPL 13-1140

Uitspraak: 4 december 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

EISER

wonende te [woonplaats]

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

nader te noemen eiser,

gemachtigde mr. J.S. Nan te Dordrecht,

t e g e n

GEDAAGDE

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

nader te noemen gedaagde,

gemachtigde mr. M. Jansen ter Amsterdam.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 13 april 2012, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, conclusie van repliek in reconventie, met producties,

  • -

    conclusie van dupliek in reconventie.

Ingevolge tussenvonnis van 17 augustus 2012 is beslist de zaak schriftelijk voort te zetten.

Deze zaak is eerder onder zaak- en rolnummer 1344499 \ CV EXPL 12-13999 bekend geweest.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1.

Eiser heeft gedaagde op 2 september 2008 opdracht gegeven hem bij te staan in een erfrechtelijke procedure tussen hem enerzijds en zijn moeder en zussen anderzijds.

1.2.

Op 19 oktober 2009 heeft eiser opdracht gegeven aan gedaagde om hem bij te staan in een arbeidsrechtelijke procedure met zijn werkgever.

1.3.

Gedaagde heeft een drietal facturen gericht aan eiser in het geding gebracht.

Datum

Omschrijving

Bedrag

31 januari 2009

Voor u verrichte werkzaamheden in de periode 2008 tot en met 31 januari 2009 inclusief kantooropslag

3.552,68

27 februari 2010

Voor u verrichte werkzaamheden in de periode februari 2009 tot en met 27 februari 2010 inclusief kantooropslag

7.771,89

27 december 2010

Voor u verrichte werkzaamheden in de periode februari 2010 tot en met 27 december 2010 inclusief kantooropslag

3.348,66

Totaal

14.673,23

De bedragen van de facturen zijn inclusief btw.

1.4.

Eiser heeft op 11 september 2008 een voorschot van € 5.000,00 aan gedaagde betaald, op 25 februari 2009 een bedrag van € 3.552,68, op 16 februari 2010 een bedrag van € 1.200,00 en op 27 februari 2010 een bedrag van € 2.000,00. In totaal heeft eiser rechtstreeks aan gedaagde betaald: € 11.752,68 (inclusief btw).

1.5.

Daarnaast heeft eiser op 7 juni 2009 een bedrag van € 1.606,50 (inclusief btw) aan een toenmalige kantoorgenoot van gedaagde betaald, ter voldoening van de door die kantoorgenoot verstuurde declaratie van 21 mei 2009.

1.6.

In de erfrechtelijke procedure heeft gedaagde namens eiser tweemaal een incident opgeworpen. Bij vonnissen in incident van 11 februari 2009 en van 15 april 2009 is de incidentele vordering van eiser afgewezen en is hij veroordeeld in de proceskosten in de incidentele procedures, in ieder incident aan de zijde van de wederpartij in die procedure begroot op € 452,00.

1.7.

Na tussenvonnis van 31 maart 2010 is op 21 juli 2010 eindvonnis in de erfrechtelijke procedure gewezen. Bij dat eindvonnis van 21 juli 2010 is eiser in het ongelijk gesteld en veroordeeld in de proceskosten van € 1.384,00.

1.8.

Bij e-mail van 12 november 2010 heeft eiser aan gedaagde geschreven:

“(…) Hierbij bevestig ik het telefonisch onderhoud van heden (…).

(…)

Voor wat betreft de procedure in de familiezaak heb ik naar aanleiding van uw brief gebeld gebeld met de Rechtbank te Dordrecht. De (…) Rechtbank deelde mij mee dat de uitspraak al is geweest op 21 juli 2010 en dat de zaak is afgedaan. Hiervan was u reeds op de hoogte. Echter het vonnis is nog steeds niet aan mij betekend (…). Van u heb ik heden telefonisch vernomen dat zolang het vonnis niet aan mij is betekend, dat er dan geen termijnen zijn afgelopen. Ik versta daaronder dat de termijn van drie maanden nog niet is gaan lopen. (…)”

1.9.

Gedaagde heeft diezelfde middag de weergave van het telefoongesprek in de e-mail van eiser bevestigd. In zijn e-mail heeft gedaagde verder toegezegd een afschrift van de uitspraak van 21 juli 2010 bij de rechtbank Dordrecht op te vragen.

1.10.

De huidige gemachtigde van eiser heeft op 8 december 2010 zijn dossiers bij gedaagde opgevraagd. Op 27 december 2010 heeft gedaagde een afschrift van de relevante bescheiden uit beide dossiers aan een kantoorgenoot van de huidige gemachtigde van eiser toegestuurd.

1.11.

De huidige gemachtigde van eiser heeft op 17 mei 2011 een procedure aangespannen tegen de voormalige werkgever van eiser. De vordering van eiser is bij vonnis van 9 januari 2012 (grotendeels) toegewezen

1.12.

Bij brief van 30 juni 2011 heeft de huidige gemachtigde van eiser de opdrachtovereenkomsten tussen eiser en gedaagde ontbonden, gedaagde aansprakelijk gesteld voor de door eiser geleden schade als gevolg van tekortkomingen door gedaagde en hem gesommeerd een bedrag van € 13.359,18 te voldoen.

1.13.

Bij brief van 24 november 2011 heeft eiser een klacht ingediend tegen gedaagde bij de Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten.

1.14.

Bij beslissing van 23 juli 2012 heeft de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam uitspraak gedaan over de klachten van eiser en de deken tegen gedaagde. In die uitspraak zijn de volgende klachten van eiser (en mr. Nan) gegrond bevonden:

- dat gedaagde geen overleg over de (financiële) gevolgen van het opwerpen van incidenten met eiser heeft gevoerd;

- dat gedaagde ondanks een toezegging daartoe niet heeft onderzocht welke baten zich in de nalatenschap bevonden en ook geen onderzoek naar banksaldo’s bij de bank heeft gedaan;

- dat gedaagde het eindvonnis van 21 juli 2010 niet tijdig aan eiser heeft doorgestuurd;

- dat gedaagde eiser onvoldoende heeft geïnformeerd over de juridische implicaties en mogelijkheden en hem verkeerd heeft geïnformeerd over de beroepstermijn;

- dat gedaagde in onvoldoende mate zijn declaraties heeft gespecificeerd, ondanks herhaaldelijk verzoek daarom door eiser;

- dat gedaagde kennelijk zijn voormalige kantoorgenoot heeft ingeschakeld voor werkzaamheden voor het dossier van eiser, maar niet met die voormalige kantoorgenoot heeft afgestemd wie die uren zal declareren.

Verder is het dekenbezwaar, dat gedaagde niet heeft gereageerd op herhaalde verzoeken van de deken om een reactie op de klachten te geven en daarmee de tuchtrechtelijke procedure heeft gefrustreerd, gegrond bevonden.

Vordering en verweer in conventie

2.

Eiser vordert dat gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. € 15.647,18 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2011, althans vanaf de dag der dagvaarding;

b. € 2.347,08 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2011, althans vanaf de dag der dagvaarding;

c. de proceskosten, inclusief de nakosten indien niet binnen de toepasselijke termijn wordt voldaan aan dit vonnis.

3.

Eiser stelt – kort gezegd – dat gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de opdrachtovereenkomsten en daarom schadeplichtig jegens eiser is. De opdrachtovereenkomsten zijn als gevolg van die tekortkomingen ontbonden waardoor verbintenissen tot ongedaan making ontstaan. Gedaagde dient daarom alle door eiser aan hem betaalde bedragen terug te betalen. Verder heeft eiser schade geleden bestaande uit de proceskostenveroordelingen in de vonnissen in de erfrechtelijke procedure en de door eiser gemaakte buitengerechtelijke kosten, aldus steeds eiser.

4.

Gedaagde voert verweer tegen de vordering.

5.

Op stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Vordering en verweer in reconventie

6.

Gedaagde vordert dat eiser bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. € 2.920,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2011, althans vanaf de dag dat de eis in reconventie is ingesteld.

7.

Gedaagde stelt – kort gezegd – dat het gevorderde bedrag nog niet is voldaan door eiser.

8.

Eiser voert verweer tegen de vordering, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

Beoordeling in conventie

9.

Gedurende deze procedure bij de kantonrechter heeft de Raad van Discipline uitspraak gedaan in de door eiser ingediende klachten tegen gedaagde. Hoewel gedaagde heeft aangevoerd tegen die uitspraak in hoger beroep te gaan (of te zullen gaan) heeft hij niet uiteengezet van welke grieven hij zal dienen.

10.

Na lezing van het procesdossier – en gelet op het niet voeren van concreet verweer door gedaagde tegen het betoog van eiser in zijn conclusie van repliek in conventie dat is gestoeld op de uitspraak van de Raad van Discipline – neemt de kantonrechter de volgende beslissingen van die Raad over, waarbij de motivering van de Raad integraal wordt overgenomen, en komt tot de slotsom dat gedaagde jegens eiser niet als redelijk handelend en bekwaam advocaat heeft gehandeld en daarbij de volgende beroepsfouten heeft gemaakt:

a. het niet plegen van overleg over de (financiële) gevolgen van het opwerpen van incidenten met eiser heeft gevoerd;

b. het eindvonnis van 21 juli 2010 niet tijdig aan eiser doorsturen;

c. het onvoldoende informeren van eiser over de juridische implicaties en mogelijkheden en hem verkeerd informeren over de beroepstermijn;

d. het in onvoldoende mate specificeren van zijn declaraties, ondanks herhaald verzoek daarom door eiser;

e. het niet afstemmen met zijn toenmalige kantoorgenoot wie de door die kantoorgenoot gemaakte kosten voor het dossier van eiser zal factureren.

11.

Op grond van bovenstaande beroepsfouten is gedaagde tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de opdrachtovereenkomsten met eiser, zodat de ontbinding van die overeenkomsten gerechtvaardigd is en in beginsel ongedaanmakingsverplichtingen zijn ontstaan, alsmede dat gedaagde schadeplichtig is jegens eiser voor diens schade die het gevolg is van de tekortkoming van gedaagde.

12.

Eiser heeft de ongedaanmaking van de door hem verrichte betalingen gevorderd, alsmede vergoeding van de door hem geleden schade bestaande uit de proceskostenveroordelingen in de erfrechtelijke procedure en de door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten.

13.

Aan de ongedaanmaking van zijn betalingen heeft eiser ten grondslag gelegd de in de uitspraak van de Raad van Discipline genoemde beroepsfouten. De door gedaagde verrichte prestaties lenen zich niet voor ongedaanmaking. Op grond van het bepaalde in artikel 6:272 BW treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ten belope van de waarde op het tijdstip van ontvangst. Gesteld noch gebleken is echter dat de door gedaagde verrichte werkzaamheden in onder meer de gerechtelijke procedures waarin eiser was betrokken een geringere waarde vertegenwoordigen dan wat daar door eiser voor is betaald. In de uitspraak van de Raad van Discipline is geen grond voor het aannemen van een discrepantie tussen enerzijds hetgeen door eiser is betaald en anderzijds de waarde van de door gedaagde verrichte prestaties. De onder 10 opgesomde beroepsfouten van gedaagde betreffen zijn communicatie met eiser over de te volgen stappen in die procedures. Daaruit volgt niet dat gedaagde niet als redelijk handelend en bekwaam advocaat zijn werkzaamheden heeft verricht in de procedures. De vordering tot ongedaanmaking van de door eiser verrichte betalingen aan gedaagde is dan ook niet toewijsbaar, nu gesteld noch gebleken is dat de vordering tot ongedaanmaking van eiser hoger is dan de aanspraak op vergoeding van verrichte - maar niet meer ongedaan te maken - werkzaamheden van gedaagde.

14.

Daarnaast heeft eiser vergoeding gevorderd van de door hem geleden schade, bestaande uit de proceskostenveroordelingen in de erfrechtelijke procedure. Dit zijn de kostenveroordelingen in de twee incidenten en in het eindvonnis van die procedure.

15.

Met betrekking tot de in de erfrechtelijke procedure ingestelde incidenten heeft de Raad van Discipline beslist dat gedaagde een beroepsfout heeft gemaakt door geen overleg te plegen met eiser over de (financiële) gevolgen van het opwerpen van incidenten. Die beslissing wordt, als onvoldoende gemotiveerd weersproken door gedaagde, hier overgenomen, zoals ook onder 10 is overwogen. De in zoverre niet weersproken vooronderstelling van eiser is kennelijk dat hij niet had ingestemd met het voeren van de incidentele procedures indien hij had geweten dat hem een kostenveroordeling boven het hoofd hing. De daardoor ontstane schade aan de zijde van eiser, de proceskostenveroordelingen in de incidenten, komt dan ook voor rekening van gedaagde, zodat de vordering tot vergoeding daarvan (tweemaal €452,00) toewijsbaar is.

16.

Met betrekking tot de kostenveroordeling in het eindvonnis wordt de stelling van eiser aldus begrepen dat een dergelijke kostenveroordeling ongebruikelijk is in familiezaken en dat er een goede kans is dat die veroordeling in hoger beroep zou zijn vernietigd, indien er zou zijn geappelleerd.

17.

Vast staat dat gedaagde een beroepsfout heeft gemaakt door de appeltermijn te laten verlopen zonder eiser te wijzen op de uitspraak waarvan hoger beroep kon worden ingesteld, laat staan dat hij met eiser in overleg is getreden over de mogelijkheden in hoger beroep. Gelet op die beroepsfout is gedaagde schadeplichtig voor wat betreft de daaruit voortvloeiende schade van eiser.

18.

Bij de beoordeling van deze vordering dient te worden uitgegaan van het verschil in de vermogenssituatie van eiser in het hypothetische geval dat eiser een appelprocedure had geëntameerd en in de huidige situatie dat dit niet is geschied.

19.

In het hoger beroep was er een kans geweest dat de kostenveroordeling in eerste aanleg zou zijn vernietigd, en dat die kosten vervolgens zouden worden gecompenseerd omdat het een geschil uit familierelatie betrof. Aannemelijk is dat ook in het hoger beroep geen kostenveroordeling zou volgen ten gunste van eiser. Met een succesvol hoger beroep tegen de kostenveroordeling zou eiser dus maximaal hebben bereikt dat hij de eerste kostenveroordeling (€ 1.384,00) niet hoeft te betalen.

20.

Daar staat tegenover dat eiser voor het instellen van een hoger beroep (meer) advocaat- en deurwaarderskosten had moeten maken en vastrecht moeten betalen. Die kosten zouden hoger zijn uitgevallen dan het onder 19 opgenomen bedrag, terwijl daar waarschijnlijk geen kostenveroordeling in hoger beroep ten gunste van eiser zou hebben gestaan vanwege diezelfde familierelatie.

21.

Daaruit volgt dat de vermogenssituatie van eiser niet is verslechterd in de vergelijking van het hypothetische geval (waarin hij een appelprocedure zou hebben ingesteld) en de werkelijke situatie (waarin dat niet is geschied). Er is dus geen sprake van schade aan de zijde van eiser als gevolg van de gemiste kans op het instellen van hoger beroep. Daarbij komt nog dat niet zeker is dat in hoger beroep de kostenveroordeling zou zijn vernietigd; ook in familiezaken worden wel eens kostenveroordelingen uitgesproken, met name indien er kansloze stellingen worden ingenomen, uitsluitend om de voortgang van de procedure te vertragen (zie de incidentele vonnissen in deze zaak). De vordering tot vergoeding van de kostenveroordeling in het eindvonnis van de rechtbank Dordrecht op grond van die beroepsfout van gedaagde is dan ook niet toewijsbaar.

22.

Eiser heeft verder vergoeding van buitengerechtelijke kosten gevorderd. Uit het procesdossier volgt dat dit voornamelijk kosten betreft voor de klacht over gedaagde bij de Raad van Discipline. Dit zijn geen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, zoals bedoeld in artikel 6:96 BW. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn dus niet toewijsbaar.

23.

De slotsom is dat de vordering van eiser wordt toegewezen tot een bedrag van € 904,00.

24.

De opdrachtovereenkomsten tussen eiser en gedaagde zijn handelsovereenkomsten als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek (BW). De gevorderde wettelijke rente zal daarom worden toegewezen als bedoeld in dat artikel over de te betalen schadevergoeding. Daarbij wordt de dag der dagvaarding als redelijke ingangstermijn gezien.

25.

Het verweer van gedaagde dat eiser niet binnen bekwame tijd zou hebben geprotesteerd over de gebrekkige prestatie van gedaagde (artikel 6:89 BW) wordt verworpen. In december 2010 heeft de huidige gemachtigde van eiser de dossiers van eiser bij gedaagde opgevraagd. Daaruit moet worden afgeleid dat eiser niet tevreden was over zijn prestaties. In juni 2011 is gedaagde aansprakelijk gesteld voor de door eiser geleden schade als gevolg van de beroepsfouten van gedaagde. Dat de gemachtigde van eiser daarvoor zes maanden nodig heeft gehad is niet uitzonderlijk of ongebruikelijk. Gedaagde heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat die tijdspanne onnodig lang is geweest. Bovendien had gedaagde rekening kunnen en moeten houden dat hij aansprakelijk zou worden gesteld voor zijn beroepsfouten. In ieder geval geeft zijn foutieve afhandeling na de uitspraak van 21 juli 2010 van de rechtbank Dordrecht daartoe voldoende aanleiding. Daarnaast heeft gedaagde onvoldoende onderbouwd welke belangen van hem zijn geschaad door het tijdsverloop tot 30 juni 2011 en de dagvaarding in deze procedure op 13 april 2012.

26.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt gedaagde als de deels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser, waarbij wordt uitgegaan van het toegewezen bedrag.

Beoordeling in reconventie

27.

De vordering in reconventie betreft een geschil over de hoogte van de facturen van gedaagde. Daartoe dient op grond van artikel 32 Wet tarieven burgerlijke zaken eerst een begrotingsprocedure bij de Deken te worden gevoerd. Daarvan is niet gebleken, zodat gedaagde niet ontvankelijk is in zijn vordering in reconventie.

28.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van eiser.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van:
- € 904,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op:
griffierecht € 437,00
explootkosten €  90,64
salaris gemachtigde € 200,00 (2 punten tarief t/m € 1.250,00)
______
totaal € 727,64
inclusief eventueel verschuldigde btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst het gevorderde af ;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden begroot op € 300,00 (2 punten tarief t/m € 2.500,00) aan salaris gemachtigde,
inclusief eventueel verschuldigde btw;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. N.C.H. Blankevoort, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 december 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter