Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:9000

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
27-12-2013
Zaaknummer
268.2013
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek tot wraking afgewezen.

Volgens verzoeker valt uit een opmerking van de rechter af te leiden dat zij geen acht meer zal slaan op zijn beroepschrift en zijn aanvulling daarop.

De rechter heeft met haar opmerking slechts aan de orde gesteld dat verzoeker zijn stellingen nog nader zou moeten onderbouwen. Daarmee heeft zij invulling gegeven aan de zogenaamde nieuwe zaaksbehandeling, die onder meer ten doel heeft procespartijen te informeren over hun bewijspositie teneinde onverwachte beslissingen op dat punt te voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beschikking op het ter zitting van 21 augustus 2013 mondeling gedane en onder rekestnummer 268.2013 ingeschreven verzoek tot wraking van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.A.W.C.M. van Emmerik, rechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het proces-verbaal van de zitting van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2013 in de zaak met nummer AMS 12/6529 ZW,

 de schriftelijke reactie van de rechter van 17 september 2013 waaruit blijkt dat de rechter niet in de wraking wenst te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 25 september 2013 waar de rechtbank verzoeker en de rechter heeft gehoord.

De uitspraak is nader bepaald op 4 oktober 2013

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan.

  1. Verzoeker is eisende partij in een bij de rechter aanhangige zaak onder nummer AMS 12/6529.

  2. Op 21 augustus 2013 heeft ten overstaan van de rechter een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het betreft het beroep door verzoeker ingesteld tegen een besluit van het UWV, waarbij hem een uitkering ingevolge de Ziektewet is geweigerd.

  3. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat verzoeker de rechter heeft gewraakt waarna de behandeling van de zaak is geschorst.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1

Het verzoek tot wraking, zoals ter zitting nog door verzoeker nader is toegelicht, berust op het volgende. Na indiening van zijn beroepschrift ontving verzoeker een brief dat het beroep niet in behandeling kon worden genomen omdat het onvoldoende onderbouwd was. Hierna heeft verzoeker het beroep aangevuld. Op de zitting deelde de rechter mede dat de aanvulling in te algemene bewoordingen was gesteld en dat dit niet kon worden meegenomen, althans zo heeft verzoeker het begrepen.

2.2

Ter zitting heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de door verweerder ingediende medische rapportages van de bedrijfsarts. Volgens verzoeker zijn die stukken onjuist en niet ondertekend. Toch wordt door de rechter naar die stukken gekeken. Verzoeker is van mening dat niet naar die stukken mag worden gekeken. De bedrijfsarts moet data naar waarheid invullen, maar de data zijn volgens verzoeker vervalst en vervolgens verwerkt in andere documenten. Alleen de bedrijfsarts kan dit verklaren. De rechter geeft echter geen gehoor aan de bezwaren van verzoeker, hetgeen volgens hem duidt op partijdigheid van de rechter, aldus verzoeker.

3 De reactie van de rechter

3.1

De rechter is van mening dat uit wat verzoeker heeft aangevoerd geen (schijn van) partijdigheid blijkt. De sector bestuursrecht is al geruime tijd bezig met een nieuwe wijze van de behandeling van zaken op zitting, de nieuwe zaaksbehandeling. Onderdeel daarvan is onder meer dat de rechtbank de eisende partij zoveel mogelijk op de zitting of daarna in de gelegenheid stelt stellingen of standpunten aannemelijk te maken. Dit om te voorkomen dat deze pas in de uitspraak leest dat een standpunt of stelling niet is onderbouwd en dat om die reden het beroep niet slaagt.

3.2

Omdat verzoeker pas op de zitting voor het eerst bezwaren tegen het verslag van de bedrijfsarts, dat zich in het dossier bevindt, aanvoerde, was het de rechter niet meteen duidelijk wat hij daarmee bedoelde. Uiteindelijk werd het de rechter duidelijk dat verzoeker daarmee bedoelde te stellen dat hij niet op alle in het verslag van de bedrijfsarts genoemde data bij de bedrijfsarts was geweest. Vervolgens heeft de rechter verzoeker voorgehouden dat hij dat dan zou moeten onderbouwen omdat de rechters anders geen aanleiding zag om niet van dat verslag uit te gaan. Daarmee heeft de rechter niet meer willen zeggen dan dat zij vooralsnog de enkele stelling van verzoeker onvoldoende vond om het verslag van de bedrijfsarts om de door eiser genoemde reden buiten beschouwing te laten. Haar bedoeling was om verzoeker in de gelegenheid te stellen deze stelling te onderbouwen. De rechter heeft daarmee geen oordeel gegeven of bedoeld te geven over de inhoud van het verslag van de bedrijfsarts. De rechter wijst er op dat zij voorafgaand aan het wrakingsverzoek met verzoeker en verweerder de inhoud van het verslag van de bedrijfsarts heeft besproken en dat zij daarover ook een aantal – kritische – vragen heeft gesteld aan verweerder. Volgens de rechter had het ook voor verzoeker op basis daarvan duidelijk kunnen zijn dat zij zich nog geen oordeel had gevormd over de inhoud van het verslag van de bedrijfsarts.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1

Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren

voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert,

althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.2

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoeker genoemde omstandigheden, op zichzelf beschouwd noch in onderling verband bezien, een grond op voor de stelling dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of dat de dienaangaande bij haar bestaande vrees subjectief noch objectief gerechtvaardigd is.

4.3

Niet gebleken is dat de rechter geen acht zal slaan op het beroepsschrift van klager en zijn aanvulling daarop. Ter zitting heeft de rechter medegedeeld dat zij zich niet kan herinneren dat zij dit zo gezegd zou hebben. Het beroepschrift maakt onderdeel uit van het dossier. Dat verzoeker dit zo heeft begrepen kan geen grond tot wraking vormen.

4.4

De rechtbank begrijpt dat bij verzoeker ter zitting van 21 augustus 2013 enige onrust is ontstaan omdat hem de gang van zaken betreffende de nieuwe werkwijze kennelijk niet voldoende duidelijk is geworden. Uit het proces-verbaal blijkt echter niet dat de rechter ter zitting heeft gesteld of laten blijken dat zij ondanks de bezwaren van verzoeker toch (mede) op basis van de rapportage van de bedrijfsarts zou gaan beslissen. Zij heeft slechts aan de orde gesteld dat verzoeker zijn stellingen met betrekking tot de onjuiste data nader zou moeten onderbouwen. Daarmee heeft zij invulling gegeven aan de zogenaamde nieuwe zaaksbehandeling die onder meer ten doel heeft procespartijen te informeren over hun bewijspositie teneinde onverwachte beslissingen op dat punt te voorkomen. Uit het proces-verbaal blijkt verder dat de rechter nog bezig was zich een beeld te vormen van wat er precies aan de hand was op het moment dat zij werd gewraakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de wijze waarop de rechter de behandeling ter zitting vorm heeft gegeven, geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.

5. Nu feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken, dient het wrakingsverzoek als ongegrond te worden afgewezen.

6. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

B E S L I S S I N G:

De rechtbank:

 wijst het wrakingsverzoek af;

 bepaalt dat de zaak met het nummer AWB 12/6529 wordt hervat in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Aldus gegeven door mr. A.W.H. Vink voorzitter, mrs. Th.P.J. de Graaf en J. Knol, rechters en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2013 in tegenwoordigheid van F.C.H. Krieger, griffier.

Tegen deze beslissing staat ingevolge het bepaalde in artikel 8:18 lid 5 AWB geen voorziening open.