Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8994

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-11-2013
Datum publicatie
27-12-2013
Zaaknummer
2059237 \ HA EXPL 13-589
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde is jegens haar provider aansprakelijk voor de kosten die voortvloeien uit exorbitant dataverbruik met haar telefoon. Het verweer van gedaagde dat de telefoon zou zijn gestolen wordt verworpen, nu gedaagde dit, ondanks dat haar daartoe gelegenheid is geboden, niet heeft weten te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zaaknummer en rolnummer: 2059237 \ HA EXPL 13-589

Uitspraak: 20 november 2013

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Intrum Justitia Nederland B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.J. van der Graaf,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde.

Partijen zullen hierna Intrum Justitia en [gedaagde] worden genoemd.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 7 mei 2013 inhoudende de vordering van Intrum Justitia, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde].

Ingevolge tussenvonnis van 3 juli 2013 heeft op 13 september 2013 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. De zitting is toen aangehouden en op 20 september 2013 voortgezet, zodat [gedaagde], die de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, zich ter vertolking van hetgeen ter zitting is verklaard en gezegd kon laten bijstaan door haar zoon. De processen-verbaal van de beide zittingen en de daarin genoemde door Interim Justitia overgelegde producties, bevinden zich bij de processtukken.

Vervolgens zijn nog ingediend:

  • -

    de akte van [gedaagde], genomen ter rolle van 9 oktober 2013, met productie, waarin zij nadere stukken in het geding heeft gebracht ter onderbouwing van haar stelling dat de telefoon, die in dit geding centraal staat, in de zomer van 2009 is gestolen,

  • -

    de akte van Intrum Justitia, genomen ter rolle van 23 oktober 2013, waarin is gereageerd op die laatste akte en productie.

Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1.

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1

[gedaagde] heeft bij overeenkomst van 10 april 2009 een mobiele telefonie abonnement afgesloten bij Vodafone Libertel B.V. (hieran: Vodafone), bestaande uit een basisabonnement van € 29,41 per maand en een Blackberry Internet Nationaal abonnement van € 15,- per maand, exclusief 19% BTW.

1.2

De toepasselijke algemene voorwaarden van Vodafone houden in, voor zover relevant:

‘(…)

Artikel 10 Betaling

(…)

5

Betaling zal altijd moeten plaatsvinden binnen veertien dagen vanaf de datum van de factuur. (…)’

(…)

Artikel 11 Niet-tijdige betaling

1

Indien Vodafone de verschuldigde betaling niet binnen de termijn genoemd in artikel 10.5 heeft ontvangen, is Contractant (lees: [gedaagde], kantonrechter) zonder nadere ingebrekestelling in verzuim. Vanaf dat moment mag Vodafone wettelijke rente in rekening brengen. Indien ter verkrijging van voldoening van het verschuldigde bedrag een incassoprocedure noodzakelijk is, zijn alle daaraan verbonden kosten (volgens het algemeen erkende deurwaarderstarief) voor rekening van Contractant. De buitengerechtelijke kosten bedragen ten minste 15% van het openstaande bedrag met een minimum van 35 euro.

2

Vodafone mag tot tijdelijke opschorting van het leveren van Diensten of definitieve buitengebruikstelling van de Aansluiting en ontbinding van een Overeenkomst overgaan, nadat Vodafone Contractant een aanmaning heeft toegezonden en ondanks de daarin nader genoemde termijn niet aan de betalingsverplichting of andere aanwijzing is voldaan.

(…)’

1.3

Vodafone heeft [gedaagde] bij facturen van respectievelijk 13 januari 2010, 15 maart 2010 en 13 april 2010 in totaal € 7.937,85 (inclusief BTW) in rekening gebracht voor geleverde diensten in december 2009 en februari en maart 2010. Vodafone heeft op dit bedrag € 240,98 gecrediteerd, zodat nog een te betalen bedrag van € 7.696,87 resteert.

1.4

Het leeuwendeel van het verschuldigde bestaat uit een bedrag van € 5.912,85 (exclusief BTW) aan dataverkeer buiten de bundel dat volgens de gegevens van Vodafone in december 2009 (grotendeels) vanuit Egypte is gegenereerd.

1.5

[gedaagde] heeft het onder 1.3 genoemde bedrag van € 7.696,87 onbetaald gelaten.

1.6

Vodafone heeft de met [gedaagde] gesloten overeenkomst op 10 maart 2013 buitengerechtelijk ontbonden.

1.7

Vodafone heeft haar vorderingen uit de overeenkomst gecedeerd aan Intrum Justitia. Bij brief van 12 mei 2010 is de cessie aan [gedaagde] medegedeeld.

Vordering en verweer

2.

Intrum Justitia vordert dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van € 9.257,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 7.696,87 vanaf 10 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot voldoening van de proceskosten.

3.

Intrum Justitia stelt kort gezegd dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van haar contractuele betalingsverplichtingen, als gevolg waarvan Vodafone de overeenkomst terecht heeft mogen ontbinden, en [gedaagde] gehouden is de door de wanprestatie geleden schade te vergoeden.

4.

[gedaagde] heeft tot verweer tegen de vordering aangevoerd dat de gefactureerde kosten haar niet kunnen worden toegerekend, aangezien de telefoon in de zomer van 2009 bij een inbraak is gestolen, hetgeen een dag na de inbraak door haar zoon bij Vodafone is gemeld met het verzoek het abonnement stop te zetten. Nu Vodafone dat niet heeft gedaan, moeten de kosten voor rekening van Vodafone/Intrum Justitia blijven.

5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

Beoordeling

6.

[gedaagde] heeft op de comparitiezitting van 20 september 2013 aangevoerd dat de telefoon en de daaraan verbonden simkaart waarmee in december 2009 het dataverkeer in Egypte is gegenereerd al in de zomer 2009 vanuit haar woning zouden zijn gestolen. De dader van de inbraak zou een haar bekende man zijn met de naam [naam]. Deze persoon zou ten tijde van de comparitiezitting reeds door de strafrechter zijn veroordeeld voor het plegen van de diefstal, aldus - steeds - [gedaagde]. [gedaagde] heeft gesteld dat zij thuis over een vrijwel volledig dossier beschikt waarmee zij dit een en ander zou kunnen aantonen.

7.

Voorop staat dat [gedaagde] met het vorenstaande een bevrijdend verweer heeft gevoerd, waarvan zij in beginsel de stelplicht en (bij betwisting) de bewijslast draagt. Dit houdt mede in dat [gedaagde] bij betwisting, haar stellingen eerst in voldoende mate moet onderbouwen.

8.

De kantonrechter heeft [gedaagde], gelet op haar hiervoor weergegeven verklaring en gelet op de betwisting daarvan door Intrum Justitia, bij beslissing van 20 september 2013 in de gelegenheid gesteld om die onderbouwing bij nader te nemen akte te verstrekken. Daarbij heeft de kantonrechter [gedaagde] opgedragen ten minste de volledige naam van de dader, het proces-verbaal van aangifte bij de politie, en een kopie, of in elk geval de datum, van het vonnis van de strafrechter in het geding te brengen.

9.

[gedaagde] heeft bij akte van 9 oktober 2013 echter niet meer overgelegd dan één pagina uit een door de politie opgemaakt proces-verbaal, zonder toe te lichten tot welk proces-verbaal dit behoort, in welk kader dit is opgesteld en van wie de hier te lezen verklaring afkomstig is. Evenmin heeft [gedaagde] toegelicht naar welke passages uit de overgelegde verklaring zij wil verwijzen en waarom dit haar stelling dat de telefoon is gestolen ondersteunt. Die uitleg had zij wel moeten geven, te meer nu er in het proces-verbaal wordt verklaard over een inbraak die is gepleegd op 13/14 juli 2008, wat, zoals Intrum Justitia terecht aanstipt, negen maanden is vóór de datum waarop [gedaagde] het hier in geding zijnde abonnement heeft afgesloten. Dat lijkt het betoog van [gedaagde] dus eerder te ontkrachten.

10.

Ook overigens heeft [gedaagde] geen van de gevraagde gegevens verschaft. In haar akte verklaart zij dat zij de naam van de dader uit angst voor mogelijke gewelddadige represailles niet wil prijsgeven. In de overgelegde pagina uit het proces-verbaal is de naam van degene om wie het kennelijk handelt, telkens weggestreept. Evenmin heeft zij nog enige informatie verschaft over het door haar gestelde vonnis dat de strafrechter in verband met de inbraak zou hebben gewezen.

11.

Nu [gedaagde] aldus, ondanks dat zij daartoe aanbod heeft gedaan en ondanks dat haar daartoe de mogelijkheden zijn geboden, heeft nagelaten haar verweer met behulp van concrete bewijsstukken te onderbouwen, wordt dit als onvoldoende gemotiveerd gepasseerd.

12.

Aangezien [gedaagde] verder geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de kosten voor het gebruik van de telefoon haar niet kunnen worden toegerekend, blijft zij daarvoor aansprakelijk. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de gevolgtrekking alsdan moet zijn dat [gedaagde] met die betaling in verzuim is en dat Vodafone het contract op grond van de algemene voorwaarden en de wet op 10 maart 2010 terecht heeft mogen ontbinden. De kantonrechter zal dan ook in dezelfde zin beslissen.

13.

De ontbinding van de overeenkomst heeft tot gevolg dat Vodafone (en thans na overname van de vorderingen Intrum Justitia) recht op vergoeding van de schade die aan de zijde van de provider is geleden doordat [gedaagde] haar verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. Die schade bestaat er in dit geval in dat de drie genoemde facturen voor geleverde diensten in de periode december 2009 - maart 2010 onbetaald zijn gebleven. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van het daaruit nog verschuldigde bedrag, alsmede tot betaling van de (gevorderde) wettelijke rente die over elk van de openstaande factuurbedragen verschuldigd is vanaf de 15e dag na de factuurdatum. Niet weersproken is dat de daarover verschuldigde rente tot 10 januari 2013 in totaal € 762,64 bedraagt.

14.

[gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord nog opgemerkt dat zij het gevorderde bedrag vanwege haar reeds bestaande schuldenlast niet kan betalen. Dit enkele feit is op zichzelf echter geen grond om tot matiging van de te betalen som te beslissen.

15.

Intrum Justitia heeft voorts vergoeding gevorderd van de contractueel verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten, te stellen op een bedrag van € 797,98 exclusief BTW. De kantonrechter wijst deze vordering af, nu onvoldoende is gesteld dat de werkzaamheden waarvan vergoeding wordt gevorderd meer omvatten dan verrichtingen ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak, waarvoor de hierna te noemen proceskostenveroordeling al een vergoeding placht in te sluiten. Weliswaar heeft Intrum Justitia als productie afschriften van het activiteitensysteem van het incassosysteem overgelegd, maar zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, toont dat onvoldoende aan dat voor afzonderlijke vergoeding vatbare incassokosten zijn gemaakt.

16.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Intrum Justitia, welke tot op heden kunnen worden begroot op € 78,34 aan kosten dagvaarding, € 448,- aan griffierecht en € 825,- aan salaris gemachtigde (1 punt voor de dagvaarding, 2 punten voor de beide zittingen en 0,5 punt voor de genomen akte van 23 oktober 2013 x liquidatarief kanton ad € 250,-), aldus in totaal € 1.351,34.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Intrum Justitia van een bedrag van € 8.459,51 (achtduizend vierhonderd negenenvijftig euro en eenenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 7.696,87 vanaf 10 januari 2013 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Intrum Justitia tot op heden begroot op € 1.351,34;

verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 november 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter