Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8987

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-12-2013
Datum publicatie
27-12-2013
Zaaknummer
C/13/554909 / KG ZA 13-1445 HB/JWR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De stichting Algemeen Vlieger Belang, die een groot aantal vliegers van Martinair vertegenwoordigt, vordert van de KLM dat zij per 1 januari 2014 alle vliegers van Martinair in dienst neemt. Zij doet dit op basis van gemaakte afspraken daarover tussen KLM, Martinair en de VNV, de Vereniging van Nederlandse Verkeersvliegers (het z.g. Ringvaart Akkoord). De VNV heeft deze afspraken echter op 31 oktober 2013 opgezegd m.i.v. 31 december 2013. De stichting vordert, zich beroepende op de wet, nakoming van de afspraken door de KLM omdat de opzegtermijn de datum van 1 januari 2014 zou overschrijden. De VNV stelt onder verwijzing naar het Akkoord zelf dat de overeenkomst op 31 december 2013 eindigt. De voorzieningenrechter stelt de VNV in het gelijk: de afspraken eindigen op 31 december a.s. De KLM wordt verboden per 1 januari a.s. alsnog uitvoering te geven aan de afspraken. Ook andere argumenten op grond waarvan een overstap van de Martinair-piloten naar de KLM alsnog zou moeten plaatsvinden, werden verworpen.

Wetsverwijzingen
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 9
Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst 19
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 662
Burgerlijk Wetboek Boek 7 663
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/25 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte
AR-Updates.nl 2013-1037
RAR 2014/41
JAR 2014/25 met annotatie van mr. dr. E. Koot-van der Putte

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/554909 / KG ZA 13-1445 HB/JWR

Vonnis in kort geding van 27 december 2013

in de zaak van

de stichting

DE STICHTING ALGEMEEN VLIEGER BELANG,

gevestigd te Haarlemmermeer,

eiseres bij concept-dagvaarding,

advocaat mr. P.H.E. Voûte te Amsterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

DE KONINKLIJKE LUCHTVAART MAATSCHAPPIJ N..V.,

gevestigd te Amstelveen,

gedaagde,

advocaat mr. J.M. van Slooten te Amsterdam;

met als tussenkomende partij

de vereniging

VERENIGING VAN NEDERLANDSE VERKEERSVLIEGERS

gevestigd te Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer,

advocaat mr. A. Stege.

Partijen zullen hierna AVB, KLM en VNV worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Ter terechtzitting van 18 december 2013 heeft AVB gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. KLM en VNV hebben verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorzieningen.

Partijen hebben geen bezwaar gemaakt tegen tussenkomst van VNV.

In de procedure tot tussenkomst heeft VNV gesteld en gevorderd overeenkomstig de eveneens in fotokopie aan dit vonnis gehechte incidentele conclusie inzake vordering tot tussenkomst.

De Ondernemingsraad van Martinair Holland N.V. (hierna: de OR van Martinair) heeft ter terechtzitting voeging verzocht aan de zijde van AVB. KLM en VNV hebben zich tegen deze voeging verzet. Ter terechtzitting is met instemming van alle partijen besloten dat de OR van Martinair voorwaardelijk wordt toegelaten, in die zin dat hij ter zitting in de gelegenheid zal worden gesteld zijn standpunt naar voren te brengen, en dat eerst bij vonnis zal worden beslist of hij als procespartij kan worden toegelaten.

Alle partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter terechtzitting waren, voor zover van belang, aanwezig:

  • -

    namens AVB de heer [naam 1] (voorzitter), bijgestaan door mr. Voûte;

  • -

    namens KLM de heren [naam 2] (vice-president) en [naam 3] (HRM/Indutrial Relations), bijgestaan door mr. Van Slooten;

  • -

    namens VNV de heren [naam 4] (president) en [naam 5] (vice-president), bijgestaan door mr. A. Stege;

  • -

    namens de OR van Martinair de heren [naam 6] (voorzitter) en [naam 7] (vice-voorzitter), bijgestaan door mr. P. Th. Sick.

Voeging

1.2.

Ter zake het verzoek om voeging van de OR van Martinair overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De vorderingen in dit kort geding richten zich tegen KLM. De OR van Martinair stelt dat KLM als aandeelhouder van Martinair Holland N.V. (hierna: Martinair) een positie inneemt die haar stelselmatig een zodanige invloed op de besluitvorming binnen Martinair verschaft, dat gezegd kan worden dat Martinair mede door KLM in stand wordt gehouden in de zin van de Wet op de Ondernemingsraden (WOR). Volgens de OR van Martinair zouden zijn medezeggenschapsrechten inhoudsloos zijn ingeval hij KLM niet op dat mede-ondernemerschap zou mogen aanspreken. KLM heeft gemotiveerd betwist dat van een zodanige invloed op de besluitvorming van Martinair sprake is, dat van mede-ondernemerschap kan worden gesproken.

1.3.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Of sprake is van een situatie waarin is voldaan aan de criteria voor mede-ondernemerschap in de zin van de WOR is in hoge mate afhankelijk van de feitelijke gang van zaken in de besluitvormings-trajecten binnen de betrokken onderneming. De OR van Martinair heeft ter onderbouwing van zijn stelling voornamelijk gewezen op de betrokkenheid van KLM bij de besluitvorming in verband met de (totstandkoming en uitvoering van) het Ringvaartakkoord (hierna: het RVA). Deze betrokkenheid dient echter ook te worden bezien in het licht van de omstandigheid dat KLM zelf nadrukkelijk partij was bij de herstructurering waarop dat akkoord betrekking had. Dat er (ook) bij andere beleidsbeslissingen sprake is van overwegende invloed van KLM (zodat deze stelselmatig kan worden geacht) is door de OR van Martinair wel gesteld maar door KLM gemotiveerd betwist. De voorzieningenrechter concludeert daarom, dat zonder nader onderzoek naar de feiten, waarvoor een kort geding zich niet leent, niet kan worden vastgesteld dat er inderdaad ten aanzien van Martinair sprake is van mede-ondernemerschap van KLM in de zin van de WOR. De gevraagde voeging zal reeds daarom worden geweigerd.

2 De feiten

2.1.

Tussen KLM en Martinair enerzijds en VNV anderzijds is op 19 oktober 2011 het Ringvaart Akkoord (hierna: RVA) gesloten. In de considerans bij het RVA is onder meer het volgende bepaald:

“Overwegende dat:

KLM en Martinair (MP) als gevolg van de wereldwijde economische crisis in mei 2009 hun vrachtcapaciteit hebben teruggebracht;

(…)

Bovenstaande ontwikkelingen hebben genoopt tot een integrale heroverweging van de werkgelegenheid- en carrièreperspectieven van zowel KLM als MP vliegers. Dat heeft partijen tot de gezamenlijke conclusie geleid dat de belangen van alle betrokken partijen het beste gediend is bij integratie van beide vliegerkorpsen. (...)

de cao’s voor KLM- en MP-vliegers verschillen bevatten in arbeidsvoorwaardelijke regelingen, onder andere voor wat betreft salaris, pensioen, carrièreperspectief en werk- en rusttijden en dat afspraken noodzakelijk zijn om integratie van beide vliegerkorpsen

mogelijk te maken”.

2.2.

In het RVA is onder meer het volgende bepaald:

18 Beëindigingsmogelijkheden

(…)

18.2

Partijen zijn van oordeel dat met de integratie van de

vliegerkorpsen geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in de artikelen

7:662 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) en sluiten op basis daarvan

deze overeenkomst.

18.2.1

Voor het geval onverhoopt één of meerdere rechtszaken aanhangig worden gemaakt waarbij de inzet is dat werknemers (ex-Martinair) op grond van de artikelen 7:662 e.v. BW in dienst zijn getreden, respectievelijk in dienst zullen treden van KLM, verplichten partijen zich tot nader overleg over de ontstane situatie waarbij uitgangspunt is dat in uiterste

omstandigheid één der partijen het recht voorbehoudt de overeenkomst op te zeggen. Partijen zullen zich dan beraden en in overleg treden over de gevolgen van een dergelijke opzegging, waarbij uitgangspunt zal zijn dat de bepalingen in deze overeenkomst zoveel als mogelijk in stand zullen blijven. (...)

18.2.2

Mocht op enig moment sprake zijn van een rechtelijke uitspraak waarin wordt geoordeeld dat één of meer vliegers van Martinair op grond van artikel 7:662 e.v. BW in dienst zijn getreden van KLM, dan zullen KLM en VNV het recht hebben om deze overeenkomst eenzijdig op te zeggen. (...)”.

2.3.

Het RVA is op 27 juli 2012 bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangemeld als CAO. Volgens de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst (Wet CAO) geldt als aanvangsdatum voor de CAO de vijftiende dag na ondertekening, derhalve 3 november 2011.

2.4.

In april 2013 heeft een aantal (ex)-werknemers (piloten) van Martinair, verenigd in de Stichting Cockpit Belangen een rechtszaak aanhangig gemaakt waarbij de inzet is dat werknemers (ex-Martinair) op grond van de artikelen 7:662 e.v. BW in dienst zijn getreden, respectievelijk in dienst zullen treden van KLM. In deze procedure zal naar verwachting eerst in het voorjaar van 2014 uitspraak worden gedaan.

2.5.

Op 31 oktober 2013 heeft VNV het RVA opgezegd tegen 31 december 2013.

2.6.

Op 30 november 2013 hebben KLM, Martinair en VNV een nieuw akkoord bereikt, dat het RVA moet vervangen. Dit akkoord wordt aangeduid als het Steigenberger Akkoord (hierna: SBA). De leden van VNV, die onder meer uit zowel KLM- als Martinair piloten bestaan, moeten nog met dit akkoord instemmen.

2.7.

Ter zake de rechtsgeldigheid van de opzegging van het RVA door VNV is een geschil ontstaan. Dit geschil is door KLM, Martinair en VNV in een procedure ex artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voorgelegd aan de kantonrechter te Haarlem. De kantonrechter heeft op 23 december 2013 als zijn oordeel uitgesproken, dat het RVA zal eindigen met ingang van 31 december 2013.

3 Het geschil

3.1.

AVB vordert – samengevat – primair dat KLM wordt veroordeeld ook na

1 januari 2014 het RVA toe te passen, op straffe van verbeurte van een dwangsom en subsidiair dat KLM wordt veroordeeld de normatieve bepalingen van het RVA ook na 1 januari 2014 toe te passen op de leden van VNV en/of werknemers die via een incorporatiebeding aan het RVA zijn gebonden, waarbij KLM in ieder geval arbeidsovereenkomsten aanbiedt overeenkomstig de voorwaarden van het RVA.

3.2.

AVB stelt dat het RVA geen bepaling bevat omtrent de looptijd ervan. Derhalve moet het geacht worden te zijn aangegaan voor onbepaalde tijd. Ingevolge artikel 19 lid 2 van de Wet CAO moet er echter van worden uitgegaan dat het RVA een looptijd heeft van één jaar, waarbij, ingeval geen opzegging plaatsvindt, de looptijd steeds met de dezelfde duur wordt verlengd. Opzegging, die slechts mogelijk is tot een maand voor de expiratiedatum, leidt er in zodanig geval slechts toe dat de verlenging geen doorgang meer vindt. Toegepast op deze situatie leidt dat ertoe, dat, uitgaande van de inwerkingtreding op 3 november 2011, door de opzegging door VNV op 31 oktober 2013, het RVA pas in november 2014 expireert.

Subsidiair stelt AVB dat het RVA is geïncorporeerd in de individuele arbeidsovereenkomsten van de piloten van Martinair. Voor zover moet worden uitgegaan van een rechtsgeldige opzegging van het RVA hebben de piloten van Martinair aanspraak op nakoming van die bepalingen daaruit, die op grond van incorporatie in hun arbeidsovereenkomst immers nawerking hebben. Tot slot doet AVB een beroep op de precontractuele goede trouw, die KLM er in dit geval toe verplicht de Martinair-piloten, die op grond van het RVA per 1 januari 2014 bij haar in dienst zouden treden, een arbeidsovereenkomst aan te bieden.

3.3.

Als tussenkomende partij vordert VNV dat het KLM wordt verboden na

31 december 2013 uitvoering te geven aan artikel 2.3 van het RVA (waarin is bepaald dat de Martinair piloten per 1 januari 2014 de gelegenheid krijgen naar KLM over te stappen) respectievelijk na 1 januari piloten van Martinair in dienst te nemen zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van VNV, op straffe van verbeurte van een dwangsom, en dat de vorderingen van AVB worden afgewezen.

3.4.

VNV stelt dat het RVA zorgt voor een evenwicht in de belangen van de KLM- en de Martinair-piloten. Door de actie van de Stichting Cockpitbelangen dreigt dat evenwicht te worden doorkruist, reden waarom zij zich genoodzaakt zag het RVA op te zeggen. Deze opzegging is volgens VNV rechtsgeldig. In het RVA is een opzegmogelijkheid opgenomen (zie 2.2). Daarbij is verzuimd een opzegtermijn te vermelden, maar dit leidt niet tot de conclusie dat opzegging alleen mogelijk is tegen de datum waarop het RVA op grond van artikel 19 lid 2 Wet CAO wordt verlengd. Een redelijke uitleg van het RVA brengt met zich dat opzegging mogelijk moet worden geacht met inachtneming van een redelijke opzegtermijn, welke VNV naar haar mening ook in acht heeft genomen. Nawerking is slechts mogelijk ingeval een CAO-bepaling is geïncorporeerd in een arbeidsovereenkomst. Aangezien de Martiniar-piloten (nog) geen arbeidsovereenkomst met KLM hebben kan de vordering niet op die grond worden toegewezen, aldus VNV. Daarbij komt dat AVB geen spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft, aldus VNV.

3.4.1.

Omdat het RVA is opgezegd dient het KLM volgens VNV te worden verboden hieraan uitvoering te geven. Ter voorkoming dat het RVA de facto toch tenuitvoer wordt gelegd, dient dit verbod te worden uitgebreid tot een algeheel verbod op indienstneming van Martinair-piloten door KLM, aldus VNV.

3.5.

KLM voert verweer. De vorderingen van AVB dienen te worden afgewezen omdat hierdoor zowel de procedure die de Stichting Cockpitbelangen heeft aangespannen wordt doorkruist, evenals de procedure ex artikel 96 Rv die bij de rechtbank Haarlem aanhangig is. Ook de definitieve totstandkoming en uitvoering van het SBA lopen gevaar bij toewijzing van de vordering, aldus KLM. Door afwijzing worden de belangen van de Martinair-piloten niet geschaad, omdat hun rechtspositie daarmee na 1 januari 2014 dezelfde zal zijn als daarvoor. KLM betwist verder dat zij op grond van nawerking dan wel op grond van precontractuele goede trouw gehouden is Martinair-piloten in dienst te nemen.

3.5.1.

De vorderingen van VNV dienen volgens KLM eveneens te worden afgewezen, nu daardoor evenzeer de lopende procedures worden doorkruist, aldus KLM.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vorderingen in de hoofdzaak en in de tussenkomst lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2.

Centraal staat de vraag of de opzegging van het RVA door VNV tot gevolg heeft dat het RVA per 31 december 2013 als geëindigd dient te worden beschouwd. Gezien de rechtspositionele gevolgen voor de Martinair-piloten die aan de beantwoording van deze vraag verbonden (kunnen) zijn, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang in voldoende mate aanwezig.

4.3.

AVB stelt dat er geen sprake is van beëindiging van het RVA tegen 31 december 2013. Zij beschouwt het RVA als een voor onbepaalde tijd aangegane CAO. Ingevolge artikel 19 lid 2 Wet CAO moet er daarom van worden uitgegaan dat het RVA een looptijd heeft van één jaar, waarbij, ingeval geen opzegging plaatsvindt, de looptijd steeds met de dezelfde duur wordt verlengd. Opzegging, die ingevolge hetzelfde artikel slechts mogelijk is tot een maand voor de expiratiedatum, leidt er in zodanig geval slechts toe, dat de eerstkomende verlenging geen doorgang vindt. Toegepast op de onderwerpelijke situatie betekent dit volgens AVB, dat de opzegging door VNV op 31 oktober 2013 ertoe leidt dat eerst op 3 november 2014 geen verlenging van het RVA meer plaatsvindt, en deze dus tot dat tijdstip zijn werking behoudt.

4.4.

De voorzieningenrechter zal eerst ingaan op een aantal door KLM aangevoerde verweren, als weergegeven onder 3.5, en oordeelt dienaangaande als volgt. De stelling van KLM dat de vorderingen van AVB moeten worden afgewezen omdat toewijzing ervan van invloed kan zijn op de procedure die de Stichting Cockpitbelangen heeft aangespannen, wordt verworpen. Hoewel die stelling van KLM op zichzelf juist is, heeft AVB een voldoende eigen belang bij haar vorderingen. Geen rechtsregel verbiedt een partij rechten geldend te maken gedurende de tijd, dat haar wederpartij omtrent hetzelfde of aanverwant vraagstuk met een derde in een gerechtelijke procedure is gewikkeld. Ook de doorkruising van het SBA kan geen reden zijn voor afwijzing van de vorderingen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting blijkt immers dat de betrokken partijen het SBA (als een nog door de leden van VNV goed te keuren principe-akkoord) hebben afgesloten als gevolg van de opzegging van het RVA tegen 31 december 2013, waarvan de rechtsgeldigheid nu juist door AVB wordt betwist. Ten slotte kan van doorkruising van de procedure bij de kantonrechter te Haarlem geen sprake zijn, nu deze inmiddels uitspraak heeft gedaan, waarop hierna zal worden ingegaan.

4.5.

VNV voert aan dat het beroep van AVB op artikel 19 lid 2 Wet CAO onterecht is. Dit omdat partijen in het RVA nadrukkelijk de mogelijkheid van tussentijdse opzegging hebben opgenomen. Partijen hebben evenwel verzuimd een opzegtermijn te bepalen. Deze leemte dient op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en de billijkheid te worden aangevuld, aldus VNV, die in dat verband de door haar in acht genomen termijn van twee maanden voldoende acht.

4.6.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Op 23 december 2013 heeft de kantonrechter te Haarlem op gezamenlijk verzoek van de bij het RVA betrokken partijen ex artikel 96 Rv een oordeel gegeven omtrent de rechtsgeldigheid van de opzegging door VNV per 31 december 2013. De kantonrechter is daarbij tot het oordeel gekomen dat het RVA met ingang van 31 december 2013 eindigt.

4.7.

Alhoewel de kantonrechter te Haarlem zijn uitspraak heeft gedaan in een procedure waarbij niet alle in dit kort geding betrokken partijen procespartij waren, en diens uitspraak daarom niet geheel gelijk te stellen is aan een uitspraak in een bodemprocedure, beschouwt de voorzieningenrechter deze uitspraak wel als richtinggevend.

4.8.

De voorzieningenrechter is in dit verband van oordeel dat bij de uitleg van artikel 18 van het RVA in beginsel de bewoordingen daarvan, gelezen in het licht van de gehele tekst van het RVA, van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het aan op de de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het RVA is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het RVA gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties leiden.

4.9.

Artikel 18 van het RVA moet worden gelezen als een mogelijkheid het RVA tussentijds op te zeggen ingeval zich de daarin genoemde omstandigheid voordoet (in dit geval: het door (ex-)werknemers van Martinair doen van een beroep op de wettelijke regeling inzake overgang van een onderneming). Het RVA bevat geen bepaling waarin is geregeld per wanneer een dergelijke opzegging haar werking dient te krijgen. Het rechtsgevolg dat voortvloeit uit de door AVB voorgestane uitleg, namelijk dat zo’n opzegging eerst haar werking krijgt op het moment dat het RVA op grond van artikel 19 Wet CAO voor de eerstvolgende maal zou worden verlengd, is evenwel minder aannemelijk dan hetgeen voortvloeit uit de door VNV voorgestane uitleg, namelijk dat deze opzegging haar werking dient te krijgen op een zodanig tijdstip dat dit van invloed is op (de gevolgen van) het voorval dat de opzegging mogelijk en wenselijk heeft (hebben) gemaakt.

4.10.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter mee dat VNV het RVA mocht opzeggen vanwege het feit dat de Stichting Cockpitbelangen een procedure begon, waarbij een beroep werd gedaan op de wettelijke regeling inzake overgang van een onderneming. Niet in geschil is dat de overgang van de (thans nog) Martinair-piloten naar KLM per 1 januari 2014 van invloed kan zijn op de uitkomst van die procedure. De bepaling van artikel 18 van het RVA dient daarom zo te worden begrepen dat VNV mocht opzeggen tegen een vóór dat moment gelegen datum. Dat de opzegtermijn die VNV daarbij heeft gehanteerd te kort is, is niet aannemelijk geworden.

4.11.

Beoordeeld dient vervolgens te worden of de bepalingen van het RVA op grond van nawerking desalniettemin (deels) van kracht zijn gebleven, zoals AVB stelt en door KLM en VNV wordt betwist.

4.12.

Hierover oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden uit een CAO waaraan een werknemer en een werkgever op grond van artikel 9 lid 1 van de Wet CAO gebonden zijn, zijn deel gaan uitmaken van de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst. Uit het systeem van de wet CAO vloeit voort dat die bepalingen na afloop van de betreffende CAO tussen hen blijven gelden, behoudens andersluidende individuele of collectieve afspraak (vgl. Hoge Raad 8 april 2011, LJN BP0580).

4.13.

In dat verband is in de eerste plaats van belang dat de werknemers over wie het hier gaat thans een arbeidsovereenkomst hebben met Martinair, zodat reeds om die reden niet aannemelijk is dat de in dit kort geding tegen KLM ingestelde vorderingen in een bodemprocedure toewijsbaar zijn. Los daarvan is evenwel ook het volgende van belang. Nawerking verlengt de tijd dat een bepaalde arbeidsvoorwaarde tussen een werkgever en werknemer werking heeft. Dit omdat een in een CAO, in dit geval het RVA, opgenomen arbeidsvoorwaarde, in beginsel deel gaat uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomst. Nawerking kan er echter niet toe leiden, dat de werknemer aanspraak kan maken op inhoudelijk andere arbeidsvoorwaarden dan hem in de CAO zijn toegekend. Uit de bewoordingen van het RVA moet worden afgeleid dat de piloten van Martinair een recht op indiensttreding bij KLM is toegekend onder de voorwaarde, dat het RVA op

1 januari 2014 nog werking zou hebben. Het betreft hier een voorwaardelijk toegekend recht, afhankelijk van een toekomstige omstandigheid. Daar komt bij dat uit de strekking van het RVA volgt dat de bij het RVA betrokken partijen hebben willen voorkomen dat, ingeval de in artikel 18 van het RVA genoemde reden voor gebruikmaking van de opzegbevoegdheid zich zou voordoen, Martiniar-personeel op grond van het RVA over zou gaan naar KLM. De bij het RVA betrokken partijen moeten worden geacht voor dit geval dan ook geen nawerking te hebben gewild. Dit moet naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden gezien als een “andersluidende afspraak” als bedoeld in de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad.

4.14.

Tot slot beroept AVB zich op de werking van de precontractuele goede trouw. In dat verband voert zij aan dat de Martinair-piloten ter uitvoering van het RVA reeds vakantiedagen versneld hebben opgenomen en dat KLM met de betreffende piloten reeds contact heeft gehad om bepaalde formaliteiten rond de indiensttreding te regelen.

4.15.

Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het is zonneklaar dat alle partijen hebben geanticipeerd op de volgens het RVA op 1 januari 2014 voorziene indiensttreding van Martinair-piloten bij KLM. Daarmee is tevens gezegd dat die op toekomstige indiensttreding gerichte handelingen zijn verricht in het kader van het RVA. Niet aannemelijk is dat de piloten van Martinair er niet mee bekend waren, dat de contacten die door KLM met hen waren gelegd los stonden van het RVA. Evenmin is gebleken dat KLM richting de piloten van Martinair de indruk heeft gewekt dat zij, ongeacht de vraag of het RVA in stand zou blijven, in dienst zouden kunnen treden. De vorderingen van AVB zijn daarom evenmin op grond van de precontractuele goede trouw toewijsbaar.

4.16.

De vordering die VNV in het kader van de tussenkomst heeft ingesteld is gedeeltelijk toewijsbaar. Nu op grond van zowel de uitspraak van de kantonrechter te Haarlem als van deze uitspraak het RVA per 31 december 2013 als geëindigd moet worden beschouwd, is de vordering dat KLM geen uitvoering meer mag geven aan artikel 2.3 van het RVA toewijsbaar. Nu KLM nadrukkelijk heeft verklaard het vonnis te zullen respecteren wordt voorshands afgezien van het opleggen van een dwangsom. De vordering dat het KLM los van de gestaakte uitvoering van het RVA zou moeten worden verboden Martinair-piloten in dienst te nemen zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van VNV, heeft een te vergaande strekking, mede met het oog op eventueel toekomstige, thans nog niet voorzienbare ontwikkelingen en zal daarom worden afgewezen. Mogelijk komt VNV jegens KLM een dergelijke positie wel toe op grondslag van een toepasselijke CAO-bepaling of andersoortige afspraak. Toepassing daarvan staat echter in dit geschil niet ter beoordeling.

4.17.

Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in de hoofdzaak zullen worden afgewezen en de vordering in de tussenkomst deels zal worden toegewezen. AVB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van KLM, tot op heden begroot op € 589,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat. KLM en AVB zullen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van VNV in de tussenkomst, welke tot op heden worden begroot op € 589,- aan griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in de hoofdzaak

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2.

veroordeelt AVB in de proceskosten in de hoofdzaak, aan de zijde van KLM tot op heden begroot op € 1.405,00;

5.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de tussenkomst

5.4.

verbiedt KLM om na 31 december 2013 uitvoering te geven aan artikel 2.3 van het RVA

5.5.

veroordeelt KLM en AVB hoofdelijk in de proceskosten in de tussenkomst, aan de zijde van VNV tot op heden begroot op € 1.405,00;

5.6.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.N. Brouwer, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J.W. Rouwendal, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 december 2013.1

1 type: JWR coll: