Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2013:8949

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
24-12-2013
Zaaknummer
HA RK 13-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Het wrakingsverzoek is gegrond op de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter door aan de advocaat van verzoeker onvoldoende ruimte te geven om de standpunten van verzoeker uiteen te zetten. In de gestelde uitlatingen door de rechter is naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor wraking gelegen nu de uitlatingen moeten worden bezien in het licht van de te voeren regie en ordebewaking door de rechter. De gestelde uitlatingen moeten gezien worden als pogingen van de rechter om het geschil niet te laten escaleren en de behandeling ter zitting zakelijk te houden en geven geen blijk van vooringenomenheid. De vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter is niet objectief gerechtvaardigd. Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

afdeling privaatrecht

wrakingskamer

Beschikking op het op 4 juni 2013 gedane en onder rekestnummer HA RK 13-153 ingeschreven verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

raadsman: mr. D.J. Rijnbout,

advocaat te Houten,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. S.P. Pompe, voorzieningenrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het proces-verbaal van de zitting van 4 juni 2013 en het daarin vervatte wrakingsverzoek.

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten. Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 11 juni 2013, alwaar verzoeker, zijn partner [partner], verzoekers raadsman en de rechter zijn gehoord. De rechter heeft ter terechtzitting mondeling gereageerd op het wrakingsverzoek. Verzoeker heeft bij monde van zijn raadsman aan de hand van een pleitnota zijn standpunt nader toegelicht.

1 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

  1. Verzoeker is gedaagde in een door de rechter behandelde zaak in kort geding geregistreerd onder zaaknummer / rolnummer: 525059 / KG ZA 12-1209 SP/TF. In die procedure is verzoeker op 7 september 2012 gedagvaard door eiseres [eiseres] (hierna: [eiseres]). De zaak betreft omgang van [eiseres] met haar kleinzoon [A], verzoekers zoon.

  2. Op 18 september 2012 is de zaak door de rechter ter zitting mondeling behandeld en aangehouden om partijen de gelegenheid te geven voor mediation. Blijkens bericht van 26 maart 2013 van het mediationbureau van de rechtbank zijn partijen niet tot overeenstemming gekomen. De mondelinge behandeling van de zaak is vervolgens ter zitting hervat op 4 juni 2013.

  3. Ter zitting heeft verzoekers raadsman het wrakingsverzoek mondeling ingediend.

  4. Uit het in zoverre niet weersproken deel van het zittingsverbaal van 4 juni 2013 blijkt de volgende gang van zaken:

De voorzieningenrechter deelt mede dat het niet zo constructief lijkt om in dit stadium van de behandeling van de zaak de op de vorige zitting overgelegd, maar niet voorgedragen, pleitnota van mr. Rijnbout van 18 pagina’s alsnog door hem te laten voorgedragen, aangezien dit escalerend kan werken. Bovendien is de zitting al ruim een uur aan de gang en is al het nodige besproken. Natuurlijk mag mr. Rijnbout namens [verzoeker] naar voren brengen wat volgens hem gezegd moet worden, maar zij verzoekt hem daarbij zich toe te spitsen op hetgeen in dit stadium van belang is. Over de vorige zitting merkt zij op dat zij toen een voorlopige inschatting heeft gemaakt van de zaak. Naar aanleiding van hetgeen toen is besproken hebben partijen voor mediation gekozen. De mediation is niet gelukt. Over de zaak is op de vorige zitting al het een en ander gezegd. De zaak is vandaag dan ook niet helemaal bij nul begonnen. Het lijkt dan ook niet zinvol om nu weer oud zeer uit het verleden op te rakelen. Partijen zouden zich veeleer moeten richten op de toekomst. Dit neemt niet weg dat zij mr. Rijnbout, als hij daarop staat, niet zal beletten zijn pleitnota alsnog voor te dragen. (…)

Mr. Rijnbout begint vervolgens met het voordragen van zijn pleitnota. Nadat de eerste paar bladzijden door hem zijn voorgedragen, verlaat [eiseres] geëmotioneerd de zittingszaal.(…)

De voorzieningenrechter schorst de zitting. De zitting wordt na enkele minuten hervat.

Mr. Rijnbout wraakt vervolgens de voorzieningenrechter en verklaart met betrekking tot de grond daartoe het volgende.

Ik zie aanleiding u nu te wraken. De grond daarvoor is gelegen in de wijze waarop u mij bijna belette mijn pleitnotities voor te dragen en u mijn cliënt verwijt daarmee de situatie te laten escaleren.

2 Het verzoek en de gronden daarvan

2.1.

De aangevoerde grond voor het wrakingsverzoek is in de kern dat de rechter bij verzoeker de vrees heeft gewekt vooringenomen te zijn door hem onvoldoende ruimte te geven om zijn standpunten uiteen te zetten en (juridisch) verweer te voeren en er blijk van te geven haar (voor hem negatieve) oordeel al klaar te hebben. Deze vrees is bij verzoeker ontstaan door de wijze waarop de rechter verzoekers advocaat bijna belette zijn op de eerste zitting overgelegde, maar toen niet voorgedragen pleitnotities alsnog voor te dragen, waarop de rechter verzoeker verweet de situatie te laten escaleren. Verzoeker wenste verweer te voeren tegen de verwijten die hem in de kort geding dagvaarding worden gemaakt. In dit verband voert verzoeker aan dat de rechter met haar vraag aan verzoeker ter zitting van 4 juni 2013 – “wat is er nu mis mee als [eiseres] [A] voor één uurtje meeneemt?” – verzoeker heeft doen vrezen dat de rechter enige vooringenomenheid koestert ten aanzien van het verzoek van [eiseres] betreffende omgang met [A], nog voordat de rechter met het volledige standpunt en verweer van verzoeker bekend was. Daarnaast deelde de rechter mee, zonder überhaupt het standpunt van verzoeker ten aanzien van de nauwe persoonlijke betrekking tot [eiseres] en [A] te hebben aangehoord, dat zij (dus enkel op basis van datgene wat [eiseres] daarover heeft gesteld) deze nauwe persoonlijke betrekking gewoon aanwezig achtte. Daarover is op de zitting van 18 september 2012 door de rechter overigens niets gezegd. Voorts moest de behandeling ter zitting “menselijk” blijven, aldus de rechter, hetgeen volgens verzoeker betekent dat zijn standpunt in de pleitnotities niet “menselijk” zou zijn en dat alle verwijten die hem en zijn partner door [eiseres] in de dagvaarding en de pleitnotities van de wederpartij werden gemaakt voor “zoete koek” werden aangenomen. Verder werd het voordragen van de pleitnotities door de rechter als niet-constructief en escalerend aangemerkt en deelde de rechter mee dat het niet zinvol was om oud zeer op te rakelen. De rechter maakte het verzoeker aldus onmogelijk zijn standpunt uiteen te zetten en (juridisch) verweer te voeren. Nadat [eiseres] kort na aanvang van de voordracht van verzoekers pleitnotities de zittingszaal geëmotioneerd verlaten had, richtte de rechter zich terstond tot verzoeker en zijn raadsman en zei: “Ziet u nu wel, dat is wat ik bedoelde”. Uit deze bewoordingen was verzoeker duidelijk geworden dat de rechter een vooringenomenheid koesterde jegens verzoeker.

2.2.

Verzoeker concludeert op basis van het voorgaande dat de rechter vooringenomen is jegens hem, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3 De reactie van de rechter

3.1.

De rechter heeft – samengevat weergegeven – als reactie op het wrakingsverzoek ter zitting aangevoerd dat zij op de zitting van 4 juni 2013 geprobeerd heeft met alle emoties rekening te houden. Over de zaak was op de eerdere zitting van 18 september 2012 reeds het nodige gezegd. Bij voortzetting van de behandeling is de zaak dan ook niet helemaal bij nul begonnen. In dit verband zag zij het niet als constructief en wel als escalerend incidenten uit het verleden op te rakelen. Zij heeft getracht het gesprek op informele wijze op gang te brengen. De rechter stelt dat beide partijen aan het woord kwamen. De rechter werd verrast door verzoekers wens de pleitnotities voor te dragen. De zitting was toen al een uur gaande. Naar eigen zeggen heeft de rechter getracht bij wijze van regiebeslissing die notities van tafel te krijgen, maar daarbij nadrukkelijk opgemerkt dat partijen alles mogen zeggen wat zij van belang achten voor hun zaak. Toen verzoekers raadsman erop bleef staan de pleitnotities voor te dragen, stemde zij daar, zij het schoorvoetend, mee in, aldus de rechter. Naar de mening van de rechter heeft zij hiermee geen vooringenomenheid getoond, maar de regie over de zitting bewaakt.

Met betrekking tot de volgens de advocaat door haar gemaakte opmerkingen, heeft de rechter geen herinnering aan de exacte bewoordingen die zij heeft gebruikt. De vraag aan verzoeker wat er nu mis mee is als [eiseres] [A] voor één uurtje meeneemt, kan zij wel gesteld hebben. Ze herinnert zich dat ze probeerde af te tasten waartoe verzoeker bereid was. Het ging er dan om wat de bezwaren waren indien [eiseres] bijvoorbeeld op bezoek zou komen en [A] even alleen mee zou nemen naar de speeltuin. De rechter herkent zich voorts niet in verzoekers standpunt dat zij zonder verzoeker te horen reeds een oordeel heeft gegeven over het bestaan van een nauwe persoonlijk betrekking tussen [eiseres] en [A]. In haar herinnering had zij ook al op de eerdere zitting in september 2012, toen over dit onderwerp is gesproken, bij wijze van voorlopig oordeel aangegeven dat zij dat verweer niet sterk achtte. Met betrekking tot de opmerking nadat [eiseres] geëmotioneerd de zaal verliet, stelt de rechter dat zij nog weet dat zij aan verzoeker liet weten dat zij hier bang voor was geweest.

3.2.

Het voorgaande brengt volgens de rechter mee dat er geen sprake is van (schijn van) vooringenomenheid en dat het door verzoeker ingediende wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

4 De beoordeling van het verzoek

4.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), dient in een wrakingprocedure te worden onderzocht of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

4.2.

Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is belangrijk, maar niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn. De rechtbank zal het wrakingsverzoek dan ook aan de hand van de hiervoor genoemde maatstaf beoordelen.

4.3.

De rechtbank overweegt dat het de taak van de rechter is om op de zitting de procesorde te bewaken en de regie te voeren. De rechter heeft daarbij een grote vrijheid, zodat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden de wijze waarop de rechter die taak heeft ingevuld een grond kan worden gevonden voor het oordeel dat hij jegens een van partijen een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. In het onderhavige geval is in de wijze van behandeling van de zaak door de rechter geen grond gelegen dergelijke uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Wat betreft de pleitnotities is van belang vast te stellen dat de rechter eerst uitgebreid heeft gemotiveerd waarom zij een voordracht daarvan niet nodig achtte. Hierna ontstond debat en heeft de rechter alsnog de advocaat van verzoeker in staat gesteld zijn pleitnotities voor te dragen en daarmee volledig verweer te voeren. Dat de rechter met die voordracht – zoals zij stelt – schoorvoetend instemde is, gelet op de context van het verhandelde ter zitting en de uitleg van de rechter alleszins begrijpelijk en zeker niet een omstandigheid die inwilliging van het wrakingsverzoek rechtvaardigt.

4.4.

In het licht van de door de rechter te voeren regie en ordebewaking is – naar het oordeel van de rechtbank – evenmin grond voor wraking gelegen in de gestelde uitlatingen van de rechter ter zitting. De vraag van de rechter aan verzoeker wat er nu mis mee is als [eiseres] [A] voor één uurtje meeneemt, kan niet anders worden gezien dan als een uitnodiging van de rechter aan verzoeker om in debat te treden en zijn bezwaren kenbaar te maken. Deze vraag geeft derhalve allerminst blijk van vooringenomenheid.

Voorts overweegt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld of de rechter zonder het standpunt van verzoeker daarover te kennen heeft meegedeeld een nauwe persoonlijke betrekking tussen [eiseres] en [A] “gewoon aanwezig te achten”. Wat daar ook verder van zij, een dergelijke opmerking kan, bezien in de context van het geding en het voortdurende debat, niet anders dan als een voorlopige oordeel van de rechter worden gezien, hetgeen in het kader van voorlopige voorzieningen niet ongewoon is.

Dat de rechter gezegd zou hebben dat de behandeling ter zitting wel “menselijk” moet blijven is niet vast komen te staan, maar, zo dit wel gezegd zou zijn, dan nog kan daaruit niet worden afgeleid dat verzoekers standpunt in de pleitnotities volgens de rechter “niet menselijk” zou zijn en dat alle verwijten van de wederpartij maar voor “zoete koek” werden aangenomen.

De opmerking “Ziet u nu wel, dat is wat ik bedoelde” duidt geenszins op vooringenomenheid jegens verzoeker, maar moet worden gezien in het licht van de pogingen van de rechter om het geschil niet te laten escaleren en de behandeling ter zitting zakelijk te houden.

4.5.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat voor het oordeel dat de rechter vooringenomen is, dan wel dat de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is, geen grond is.

4.6.

Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de procedure geregistreerd onder zaaknummer / rolnummer: 525059 / KG ZA 12-1209 SP/TF wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment dat het wrakingverzoek werd ingediend.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, T.P.J. de Graaf en M.G. Tarlavski-Reurslag, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Looij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 juni 2013.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39, vijfde lid, Rv geen voorziening open.